Bekijk het origineel

Voor de jeugd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor de jeugd

Nehemia 103

9 minuten leestijd

“En het overige des volks, de priesters, de levieten, de portiers, de zangers, de Nethinim, en al wie zich van de volken der landen had afgescheiden tot Gods wet, hunne vrouwen, hunne zonen en hunne dochteren, al wie wetenschap en verstand had, die hielden zich aan hunne broederen, hunne voortreffelijken, en kwamen in de vloek en in de eed, dat zij zouden wandelen in de wet Gods, die gegeven is door de hand van de knecht Gods, Mozes; en dat zij zouden houden en dat zij zouden doen al de geboden des HEEREN, onzes Heeren, en Zijne rechten en Zijne inzettingen”.

Beste jongelui!

De geschiedenis die Nehemia ons verhaalt, blijft boeien. Althans zo vergaat het ons en we hopen dat het jullie ook zo vergaat. Het is de moeite waard. Want het is niet zo maar een stukje geschiedenis uit de krant of uit een boek, maar het is Gods getuigenis, dat eeuwig zeker is; en slechten wijsheid leert. “Wilt u even tekenen?”

Veronderstel dat zo’n vraag jullie zou worden voorgelegd, met daarbij een verklaring dat je ƒ 10.000,— schuldig bent. Ik denk dat je jezelf dan eerst wel zult bedenken voor je je handtekening er onder zet. Want zodra je je handtekening hebt geplaatst, ben je verplicht het beschreven bedrag te betalen, hetzij dat je het werkelijk schuldig bent, dan wel of je het niet bent. Je kunt soms, zonder er erg in te hebben, je eigen vonnis wel ondertekenen. Daarom is het altijd geraden om niet te gauw je handtekening te plaatsen. In het natuurlijke leven dient een ieder daar voorzichtig mee te zijn, en neemt men ook de nodige voorzichtigheid in acht.

We hebben de vorige keer gehoord dat 84 mensen hun’ handtekening hebben geplaatst onder het stuk dat men geschreven had en waardoor men zich verplichtte om te doen datgene waar de HEERE recht op had. Die hun handtekening zetten, waren allemaal voorgangers van het volk. En het gehele volk stond daar achter. En die waren het er volkomen mee eens. “En het overige des volks, die de priesters, de levieten, de portiers, de zangers, de Nethinim, en al wie zich van de volken der landen hadden afgescheiden tot Gods wet, hunne vrouwen, hunne zonen en hunne dochteren, al wie wetenschap en verstand had, die hielden zich aan hunne broederen, hunne voortreffelijken...” Dat wil heel eenvoudig zeggen dat het gehele volk in al zijn verscheidenheid, het eens was met hun voorgangers. Er was dus door die 84 personen getekend in naam van het gehele volk. Het gehele volk zal wel met het opsteken van hun handen hun instemming hebben betuigd met al hetgeen daar gebeurde. Dat is een indrukwekkend gebeuren geweest. Daar was men in de hemel getuige van. Daar is ook in de hemel blijdschap over geweest. Want er wordt in de hemel blijdschap bedreven over één zondaar die zich bekeert. En als er dan nu zovelen zijn, die zich tot de Heere bekeren, is de blijdschap in de hemel dienovereenkomstig geweest.Dat wil zeggen zéér, zéér groot!

Zich bekeren! Ja, dat gebeurde daar. Want “zij kwamen in de vloek en in de eed”....

De belofte die men aflegde voor het aangezicht van God en voor elkander, was een eed, die men deed. En onder ede riep men de vloek over zich in, wanneer men niet zou wandelen in de wet Gods, die gegeven was door hand van de knecht Gods, Mozes. Onder ede verplichtte men zich dus te wandelen in al de geboden des Heeren. En een eed mag niet verbroken worden. “Gij zult de Heere uwen eed houden”.

Jullie weten allemaal wat een meineed is. Dat is een valse eed. Dat wordt in wereldse zaken, waar met God en Zijn gebod al weinig of geen rekening gehouden wordt, zwaar gestraft. Een ambtenaar in overheidsdienst wordt onder ede gesteld. Wanneer hij in dienst treedt en de eed, die gevorderd wordt, aflegt, dan heeft hij de verplichting op zich genomen, dat hij getrouw zijn roeping zal volbrengen. Doet hij dat niet, dan wordt het hem zeer zwaar aangerekend.

Denk je dat nu eens geestelijk in. Ten opzichte van God leven we allemaal onder ede. We zijn, als schepselen van God, van nature allemaal verplicht te doen de geboden van God. En als we belijdenis afleggen, dan nemen we bewust voor onze rekening om te doen wat God vraagt. De belofte die dan wordt afgelegd voor het aangezicht van God en Zijn gemeente, heeft de kracht van een eed.

Wanneer die niet wordt gehouden, dan moet men op een zeer zware straf rekenen. Want een meineed, dat is een valse eed, is zonde tegen het derde gebed. En dat is de zwaarste zonde, die er bestaat. Want dat heeft met de lastering van de naam Gods te maken. En er is geen zonde die God meer vertoornt, dan de lastering Zijns Naams, waarom Hij die dan ook met de dood te bestraffen bevolen heeft. Ik meen dat het zo in de Heid. Kat. staat. En die is gegrond op Gods Woord. Want daar staat duidelijk dat “vervloekt een iegelijk is, die niet blijft in al hetgeen geschreven is, in het boek der wet, om dat te doen”.

Z’n belofte jegens God niet houden is dus een zeer, zeer ernstige zaak. Daar had men op dat plein bij de Waterpoort te Jeruzalem een indruk van. Hebben jullie dat ook wel eens? Ik weet dat niet. God weet dat wel. Dat er over deze dingen licht heen gegaan wordt, kan algemeen bekend zijn. Men tilt daar zo zwaar niet aan. Ik geloof dat hier de zwaarste kerken nog wel het meest schuldig staan. Het is echt wel een zaak waar goed over nagedacht mag worden.

Want al tillen mensen daar niet zo zwaar aan, omdat men weet dat men het eigenlijk toch niet houden kan, houdt er dan rekening mee, dat God er heel zwaar aan tilt. En wie werkelijk met God te doen krijgt, gaat het gewicht van deze dingen gevoelen. Hij/zij komt er in de praktijk achter, dat men God veel beloofd heeft, dat men dit onder ede gedaan heeft, en dat men er niets van terecht gebracht heeft. Dat men zich daardoor onder de vloek Gods geplaatst heeft. Zichzelf onder ede onder de vloek Gods geplaatst te hebben, dat is wat! Daar kan men niet onder uit komen. Hier houden alle verontschuldigingen op. Hier schiet alleen maar schuld over. Dat is geen geldschuld. Dat zijn geen ƒ 10.000,—.

Dat is zondeschuld. Dat is met geen geld te betalen. Daar moet de prijs van het leven voor opgedracht worden. Men moet dan voor eeuwig verloren gaan. Dat is dan een heilig moeten. Een moeten bij God vandaan. En ook een moeten bij de zondaar vandaan. Hij kan dan niet anders zeggen dan: “Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig”.

Hoe kan zulk een mens dan toch nog zalig worden? Dat is dan, bij de mens vandaan, een eeuwig onmogelijke zaak. “Zalig worden is bij mensen onmogelijk”.

Wie dat te beleven krijgt, wordt het in zijn verloren gaan, voor eeuwig, met God eens. God kan niet anders en de zondaar wil niet anders. Hij heeft zichzelf onder ede in de vloek gebracht. God heeft het recht lief. De zondaar, die God liefheeft, krijgt ook het recht lief. Daarom gaat hij liever verloren, dan dat hij met schending van het recht Gods, behouden zou worden.

Niet dat verloren gaan zulk een “lieve zaak” is. Integendeel. Het is het vreselijkste wat er is. Niet om het te bespreken, maar om het te beleven. Wie het te beleven krijgt, kan nog maar een ding doen. Dat is God, als zijn Rechter om genade bidden. Dat wordt dan ook gedaan. Wie dat uit diepten van ellende doet, wordt ook verhoord. Beleefd wordt dan:


God heb ik lief, want die getrouwe HEER’
Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen
Hij neigt Zijn oor, ’k riep toe Hem al mijn dagen
Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.
Ik lag gekneld in banden van de dood;
Daar d’angst der hel mij alle troost deed missen.
Ik was benauwd, omringd door droefe nissen;
Maar riep de HEER’ dus aan in al mijn nood:
Och HEER’, och, wierd mijn ziel door U gered!
Toen hoorde God,....


Dat is dan het grote wonder. God hoort een arme, door schuldbesef getroffen en verslagen, doodswaardige zondaar. Hij ontfermt Zich op ’t gebed. Niet “om” het gebed, maar “op”. Dan gaat God*zweren. “Zo waarachtig als ik leef, spreekt de HEERE Heere, Ik heb geen lust in de dood van een zondaar, maar daarin dat hij leve”.

Eeuwige leve! Hoe kan dat? Omdat God groot is: genadig en rechtvaardig. Hij is beide. Hij kan genadig zijn, omdat Hij ook rechtvaardig is. Doch dat komt omdat er een Middelaar is. Een Middelaar, van God zelf gegeven. De Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus. Die heeft Zichzelf onder ede gepresenteerd, om de vloek te dragen. En dat is geen meineed geweest. Want die geen zonde gekend of gedaan heeft. Die is tot zonde gemaakt, ja,tot een vloek geworden. Opdat vervloekten gezegend zouden kunnen worden. Er is dan geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn. Wat wordt zalig worden dan een zalige zaak. God zweert dan, dat Hij nooit meer toornen of schelden zal. en dat Hij Zijn eed nooit verbreken zal. Men wordt dan zéker zalig, omdat God het wil! dat is zalig zalig worden. Begrijpen jullie dat? Als ik dit wonder vatten wil, staat mijn verstand vol eerbied stil.

Jullie aller vriend,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Voor de jeugd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken