Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Aan moeder

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Aan moeder

7 minuten leestijd

Utrecht, 6 januari 1831.

Hartelijk geliefde moeder!

Wij danken u hartelijk voor uw wensch ons toegebracht bij het begin des jaars: dat wij met ons huis den Heere mogen dienen. Dan gaat het toch alleen goed, als men eens vooral die beslissende keus heeft gedaan, om niet met een half, maar met een heel hart, niet uit een grillig voornemen, maar met vastberaden oprechtheid in ernst, niet voor eens, maar voor altoos zijn ouden Heer, dat is de Duivel, vaarwel te zeggen, hem zoo den dienst op te zeggen, dat men zonder bedenken de deur van het hart uitwerpt, zelfs dan, als hij ons dubbel loon en alle gemak en welvaart aanbiedt. Gelukkig is hij, die den armen, verachten en in Zijn volk noch dagelijks versmaadden en miskenden Jezus heeft gekozen. Velen zijn er, die denken, dat zij Hem dienen en ondertusschen zijn zij nog nooit van Heer veranderd; zij dienen nog den ouden Satan, zooals hij zich soms voorstelt, in de gedaante van een Engel des lichts. Ach! dat zulke menschen eens leerden aan zichzelven te vertwijfelen, dat zij zich eens ernstig en in tegenwoordigheid Gods, die heilig en waarachtig is, en die niets door de vingers zal laten gaan, onbevooroordeeld afvroegen: Wie dien ik toch? Den Satan of den God des Hemels en der aarde, die mij geschapen heeft en mij tot hiertoe onderhoudt en in Zijn lankmoedigheid draagt? Ben ik uit Satans dwingelandij werkelijk verlost of lig ik nog in zijn strikken, waarin hij mij gebonden houdt naar zijn wil? Zou ik wel uit de wereld getrokken zijn, of ben ik er nog in? Ben ik wedergeboren of nog dood in zonden en misdaden? Ben ik bekeerd of onbekeerd? Een slaaf des duivels of vrijgemaakte des Heeren? Ben ik in genade aangenomen of rust de brandende toorn en schrikkelijke vloek des Allerheiligsten God, die een verterend en verslindend vuur is, nog op mij? Heden of morgen voel ik mij aangegrepen door den dood. Waar ga ik heen? Eén is de plaats mijner bestemming:

Hel of Hemel, de hooge plaatsen of de ijselijk geopende afgrond, vloek of zegen, leven of dood tot in eeuwigheid, gejuich met de engelen of wanhopig tandengeknars, jubelzang of gehuil en geween?

Ach, hoe rampzalig is hij, die meent wat te zijn en toch niets is! Als het lijk naar de kuil gaat, dan is de ziel reeds uitgeblazen, weg is alle schijnwezen. Al het gemaakte naam-christendom en eigengerechtig vertrouwen op hetgeen men zichzelven heeft opgedrongen en niet van den Heere geleerd, helpt dan niet meer. “Ga weg, ga weg”, roept de Heere Jezus, “Ik heb u nooit gekend!”, en de ziel zinkt vertwijfeld weg. Waarheen - ? Naar de eeuwige verdoemenis! En te laat, te laat is alle berouw, nadat men de stem Desgenen, die riep: “Bekeer u tot den Heere!”, versmaad heeft, wanende dat men geen algehele herschepping, wederbaring en verandering behoefde. Ach, dat die ongelukkige lieden, die meenen rijk te zijn en niets nodig te hebben, toch eens van den Heere Jezus leerden, hetgeen zij niet weten, al wanen zij dat zij het wel weten, dat zij ellendig en arm en blind en naakt zijn. “Ik raad u”, zegt Hij tot dezulken, “dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte kleederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat gij zien moogt.” Dat is met andere woorden: hoe groot uw zonden en ellenden zijn, hoe gij van zulke ellende verlost zult worden, hoe gij God voor zulk een verlossing zult dankbaar zijn.

De oogen des Heeren gaan tot in de diepste schuilplaats van ’t menselijk hart. Hij beproeft de nieren en verstaat het verborgene onzer gedachten en overleggingen. Bij menschen geldt soms schijn, bij den Heere geldt het zijn! Waar is wat voor den Heere en door en tot den Heere? Waar een ziel is, die gevoelt en belijdt, dat zij niets is en niets heeft en niets wil en niets kan, waar waarachtige geestelijke armoede is, waar het hart verslagen, verbroken en verbrijzeld is, waar men voor ’s Heeren Woord beeft, waar men niet durft opzien, maar de hand op de borst slaande, uitroept: “O God, wees mij Zondaar genadig! ”, waar men met een verslagen geest erkent en in oprecht berouw en boete het belijdt: “O God, als Gij mij in de hel zoudt werpen, zou ik uw oordeel rechtvaardig en billijk moeten noemen. Lankmoedige God! hoe hebt Gij mij tot hiertoe kunnen dragen? Wat is mij, dat ik nog niet ben omgekomen en verdelgd in mijn ongerechtigheid?” Ach, zulk een belijdenis kan de onbekeerde met de lippen, met zijn verstand opzeggen, maar het is de Geest des Heeren Heeren alleen, die in het hart grijpt, hetzelve vermorzelende door den geweldigen hamer der wet, om hetzelve wederom te vernieuwen naar het beeld des Onzienlijken. Het is de Geest des Heeren Heeren, die met het scherp tweesnijdend zwaard des Woords het hart doorboort, doorwondt en doorsnijdt, om het vervolgens te genezen met den balsem uit Gilead. Het is de levendmakende Geest van Christus, die leven blaast in den dooden zondaar, anders blijft hij dood, al gebeurden er aan hem ook wonderen. Heil hem, die het erkent, gevoelt, belijdt en biddende wordt gemaakt: “Heere, onderzoek en beproef mij; zie hoe ik het voor U meen. Bekeer mij, o God, zoo word ik bekeerd, genees mij, zoo ben ik genezen! Ik maak U mijn zonden bekend en verberg voor U mijn overtredingen niet.” Waarlijk, wien het wezenlijk ernst wordt, tot den Heere te komen als een arm zondaar, als een bedelaar, die zijn naaktheid voor het alziend oog niet bedekt, bij dien komt een oprechte droefheid naar God, een ongeveinsd treuren over de zonde, een wezenlijke erkenning van volslagen armoede en krachteloosheid, een levendig besef van te liggen onder den recht-matigen vloek en toorn Gods, onder de macht des Satans, onder de eeuwige verdoemenis, een honger, ja - dat ik mij zoo eens uitdrukke: een geeuwhonger en dorst naar de gerechtigheid, en daar komt vreugde, vrede, rijkdom en kracht, zegen en genade, eeuwige verlossing en zaligheid. Men hoort er zich zalig spreken en wordt verzadigd met genade voor genade uit de volheid van Christus, den Geneesmeester en Heiland van zondaren en niet van rechtvaardigen, en men erkent er de opperheerschappij, van Hem, Die, zoo Hij er eenigen, zoo Hij ons behoudt en zaligmaakt, dit doet naar Zijn barmhartigheid en vrijmachtig welbehagen in Christus Jezus, in Wien al de volheid der Godheid, des levens en der gerechtigheid voor een armen zondaar woont.

Het is tot zulk een heerlijk einde, lieve moeder, dat ik met u en voor u bid, wat gij mij schrijft: dat gij bidt, dat de Heere u Zijnen Heiligen Geest schenke en in genade aanneme. O, welk een vreugde zou het voor mij zijn, zoo de Heere u, die mij gebaard heeft, wederbaarde door Zijn H. Geest en vernieuwde naar het evenbeeld van Jezus! Hebt gij dit, dan komt het overige van Hem met overvloed. De Vader der lichten, van Wien alle goede gaven af- en nederdalen, geve u Hem te kennen in waarheid en gerechtigheid, Die Zich wil openbaren als een Man der weduwen en Vader der weezen en als een rijke Vergelder dengenen, die Zijn aangezicht zoeken in oprechtheid. Amen.

Zo schrijft dr. H.F. Kohlbrugge aan zijn moeder. Deze brief is overgenomen uit de bundel, getiteld: Door Zijne wonden is ons genezing geworden, kortgeleden opnieuw verschenen bij uitgeverij J. J. Groen en Zoon te Leiden. Zie de recensie, die mogelijk in dit nummer is opgenomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Aan moeder

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken