Bekijk het origineel

Voor de jeugd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor de jeugd

Nehemia 106

9 minuten leestijd

“Voorts woonden de oversten des volks te Jeruzalem; maar de overigen des volks wierpen loten, om uit tien één uit te brengen, die in de heilige stad Jeruzalem zou wonen, en negen delen in de andere steden.

Beste jongelui!

Over de hoofdstukken 9 en 10 is heel wat geschreven. Ik meen er achttien artikelen aan te hebben gewijd. Alles wat in die hoofdstukken is beschreven zou je kunnen vergelijken met het verloop van een kerkdienst. Daar waren veel mensen samengekomen op dat plein bij de waterpoort te Jeruzalem. Men heeft daar voor God belijdenis gedaan van de schuld die er bij het volk van oude tijden af, was. Men heeft ook daar offers gebracht, die heenwezen naar dat ene Offer dat gebracht zou worden en dat nu gebracht is door de Heere Jezus Christus op de kruisheuvel Golgotha. Men heeft ook dankbaarheid beloofd en betoond door de dankoffers die men bracht tot onderhoud van de dienst des Heeren. Al deze dingen geven in grote lijnen weer datgeen wat er vandaag tijdens een kerkdienst nog plaats dient te hebben.

We hebben de toepassingen gemaakt, in de loop dat die ook ter harte zijn genomen. Toepasselijk preken is in onze gelederen altijd nog een gewaardeerde zaak. Een dominee die niet toepasselijk preekt, wordt al gauw aan de kant geschoven, van de nodige afkeuringen vergezeld. Doch of hetgeen toegepast wordt, wat als zodanig wordt aanbevolen, kan men als een vraag laten staan. “Een ieder onderzoeke zichzelf”. Dat is ook een geliefkoosde uitdrukking die bij een toepasselijke preek hoort. Doch of het ook beoefend wordt, is al weer een vraag, die een ieder voor zichzelf zal dienen te beantwoorden. Want de meeste toepassingen worden altijd voor een ander gereserveerd. “Die en die kon het vanmorgen wel in zijn zak steken”. Dat is niet altijd een uitgesproken gedachte, doch wel een gedachte die huist in het hart van menige hoorder. Men houdt dan, om dezelfde beeldspraak te blijven hanteren, zijn eigen zak gesloten. “Het is voor mij niet”. Zou dat mogelijk de oorzaak kunnen zijn, dat er zo Weinig verandert in het kerkelijke leven? Ik geloof het stellig! Denk er op alle manier maar eens over na!

Als de kerk uitgaat en de zondag voorbij is, dan neemt het leven weer zijn gewone gang. De klok staat nooit stil. Dat zegt ons het veel voorkomende woord in het boek Nehemia “voorts”. Ook de hierboven afgeschreven tekst begint er mee. “Voorts....” Het leven gaat verder. We moeten weer gaan werken. Ieder heeft zo zijn eigen werk. Kerk en werk lijken op de klank af wel wat op elkaar. Zij hebben ook in de praktijk veel met elkaar te maken. God heeft het zelf gesteld dat we zes dagen moeten werken en dan volgt er een rustdag, die bijzonder gewijd moet zijn aan de Heere en Zijn dienst. Doch de werkdagen die daar op volgen moeten ook overeenkomstig de wil des Heeren worden doorgebracht, en dan is een ieder geroepen om zijn arbeid in het dagelijkse leven zo getrouw te verrichten als de engelen in de hemel dat doen. De engelen in de hemel passen vaardig op de mond des Heeren. Alles wat Hij gebiedt, doet men gewillig en getrouw. Of zij door ons als een voorbeeld worden gezien, is ook een te betwijfelen zaak. Daarom des te meer een zaak om over na te denken, omdat God er niet alleen op tóe ziet hoe we ons op Zijn dag gedragen in de kerk, maar ook hoe we ons in de week gedragen op ons werk. “Werk is ook Godsdienst”, heeft eens iemand terecht gezegd.

Het woordje “voorts” brengt ons van het theologische op het sociale vlak. Een hele overgang. De muur van Jeruzalem was herbouwd. Een gigantisch werk, wat men in 52 dagen geklaard had. “Eendracht maak macht”. Dat was bij de herbouw wel duidelijk uitgekomen. Iedereen deed er aan mee om de heilige stad weer door de muur omringd te krijgen. Ik geloof dat zij ten deze voor de kerk anno 1990 wel een voorbeeld zijn. Want de eendracht die op het kerkelijke terrein wordt nagejaagd, is er nog lang niet. Twist en tweedracht zoveel te meer. En dat is niet tot Gods eer. Waar ligt de schuld? Die ligt altijd bij de ander, natuurlijk. Men zegt wel dat we allemaal in de schuld moeten komen. En dat is waar. Doch dat is een zaak die zich niet laat commanderen. Hier moet de Heere aan te pas komen. Dit sluit de verantwoordelijkheid niet uit natuurlijk. We lopen altijd gevaar om op één van de twee klippen te verzeilen. De ene klip is de menselijke aktiviteit en de andere is de dode lijdelijkheid. De weg daartussen is geen derde weg, zoals dat wel eens genoemd wordt. Want er zijn maar twee wegen. Zeker weten. Doch de weg tussen de menselijke aktiviteit en de dode lijdelijkheid is wel de moeilijkste weg. Het is de menselijk onmogelijke weg. Wie deze weg betreden mag, ervaart dat datgene wat bij mensen onmogelijk is, mogelijk is bij God. Hebben jullie dat al ervaren? Want dat wordt beleefd hoor!

De muren waren wel herbouwd. “De stad nu was wijd van ruimte en groot, doch des volks was weinig daarbinnen, en de huizen waren niet gebouwd”. Neh. 7 : 4. Die tekst zijn we al eerder tegengekomen. Doch het is goed hem hier nog eens te herhalen. Want het geeft de situatie te kennen, zoals die was na de herbouw. Een herbouwde stad, met weinig inwoners en nog ongebouwde huizen. Dus veel te dun bevolkt. Hoe kwam dat toch? Verschillende oorzaken kunnen daar voor worden aangewezen. Want degenen die teruggekeerd waren uit de ballingschap, kwamen bij een verwoeste stad. Het is bij voorbaat niet aantrekkelijk om daar dan regelrecht maar te gaan wonen. Daarbij kwam dat de mensen ook moesten eten. En het nodige daartoe was in de stad niet voor het grijpen. Het wonen buiten de stad, op het platteland, was veel aantrekkelijker. Doch nu de muren herbouwd waren, moest daar verandering in komen. De stad moest dichter bevolkt worden. Daar gaat het eigenlijk over in Nehemia 11. De oversten des volks woonden te Jeruzalem... Die gaven een goed voorbeeld. Dat is altijd belangrijk wanneer de voorgangers van het volk ook voorbeelden voor het volk zijn. Daar mankeert doorgaans ook nog al eens iets aan. Of moet ik zeggen: Veel! O zeker, het ontbreekt daargaans niet aan “voorbeeldige woorden”. Doch de voorbeeldige daden, zie je, daar hapert het meestal. Zeggen hoe het moet, dat komt veel voor.

Doch voordoen hoe het moet, is meestal een zeldzame zaak.

Dat elke voorganger dit ter harte mocht nemen. In de kerk en ook op het werk.

Om de stad bewoond te krijgen ging men loten werpen. Eén op de tien moest zich binnen de muren gaan vestigen van de “heilige stad”. De andere negen van de tien moesten in de andere steden zich vestigen. Het goede voorbeeld van de voorgangers deed ook goed volgen. Want er waren er ook die vrijwillig binnen de muren van de stad gingen wonen. Zij werden daarvoor door het volk gezegend. Met die vrijwilligers was men blij.

Nu ga ik hier geen bepaald leerstuk indragen. Hoewel hetgeen beschreven is, wel veel lering tot inhoud heeft. Want het valt op dat Jeruzalem hier de “heilige stad” genoemd wordt. Dat lijkt mij niet voor niets alzo geschreven. Want het woord “heilig” wijst altijd op iets aparts. Jeruzalem was bij uitstek, en dat is het aparte, de Godsstad. Het was de tempelstad. Dat had in het O.T. grote betekenis. Want in die stad met name, wilde de HEERE Zich openbaren in de tempel, het symbool van Gods genaderijke tegenwoordigheid. Door alles wat in de tempel gebeurde, mits gelovig verstaan, kon Jeruzalem haar naam eer aandoen. Want jullie zullen het wel weten dat “Jeruzalem”, “stad van de vrede” betekent. Alleen door het geloof in God en Zijn Zoon, Die afgebeeld werd door de offers, kon men vrede met God hebben. In dezelfde zin, zoals Paulus daar later over geschreven heeft in Rom. 5 : 1 en 2. “Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus; door Welken wij ook de toeleiding hebben, door het geloof, tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods”.

Het herbouwde Jeruzalem een heilige stad. Dat is nog niet het Nieuwe Jeruzalem dat Boven is. Wat de Heilige Stad bij uitnemendheid is. Het aardse Jeruzalem, is zelfs na de her-bouwing onvolkomen geweest. Het was nog menigmaal een bron van onrust en onheiligheid. Dat is het zelfs tot op deze dag toe. Geef er maar acht op. Doch in het Nieuwe Jeruzalem zal alles door de vrede eeuwig bloeien. Daar is geen oorlog meer. Daar is geen onrust meer. Daar kan men nooit meer uit verdreven worden. Daar wordt de rust geschonken. Eeuwige rust. Zalige rust. Dat is dé rust, die er overblijft voor het volk van God. Dan kan men niet meer zondigen. Daar woont de duivel niet. Die is voor eeuwig uitgeworpen. Daar zijn ook de gevolgen van de zonde voor goed verdwenen. Daar zal men altijd met de HEERE zijn. Wat zal dat zalig zijn! Kan het jullie niet tot jaloersheid verwekken? De bevolking van het Nieuwe Jeruzalem is een heilige bevolking, in de Heilige Stad. Daar leeft men alleen tot eer van een Drieënig, driemaal Heilig God.

Jullie aller vriend,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

Voor de jeugd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1990

Bewaar het pand | 6 Pagina's

PDF Bekijken