Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Nederlandse Geloofsbelijdenis 15.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Nederlandse Geloofsbelijdenis 15.

10 minuten leestijd

Gods Voorzienigheid

In Artikel 13 wordt gesproken van Gods Voorzienigheid: “Van de Voorzienigheid Gods en de regering aller dingen”. Het zou vreemd zijn, als onze belijdenis daaraan voorbij zou gaan. Ursinus, één van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus, schrijft in het Schatboek, de bekende verklaring van dit leerboek: ”..daar is nauwelijks een deel van de hemelse leer, dat zo naarstig en dikwijls ingeprent wordt, als de leer van de Voorzienigheid Gods”. We zullen begrijpen, dat met dit “ingeprent” bedoeld wordt: in Gods Woord. Veel bladzijden uit de Heilige Schrift getuigen immers van dit wonderlijke handelen Gods, Zijn Voorzienigheid.

Van jongs aan hebben we op de catechisatie of onder de prediking gehoord, dat het woord voorzienigheid als zodanig niet in de Bijbel te vinden is. Eveneens werd verteld, dat er wel een aanwijzing is in Genesis 22, als Abraham tot Isaac zegt: “God zal Zich-Zelf een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon”: De zaak, waarom het gaat wordt echter door héél de Bijbel heen gevonden.

Allereerst kunnen we denken aan bepaalde woorden en uitdrukkingen, die bepaalde facetten van Gods Voorzienigheid weergeven. Zo vinden we in Psalm 33 het zien des Heeren: “De Heere schouwt uit de hemel en ziet alle mensenkinderen” (13) en “Ziet, des Heeren oog is over degenen, die Hem vrezen..”. In Psalm 147 wordt Gods Voorzienigheid uitgebreid bezongen: “Die de hemelen met wolken bedekt. Die de aarde regen bereidt. Die het gras op de bergen doet uitspruiten. Die het vee zijn voeder geeft, aan de jongen raven, als zij roepen” (8 en 9). In andere Psalmen lezen we van het regeren van God (Psalm 93) of van het bewaren door God (Psalm 121).

Dan: Gods Voorzienigheid wordt ons levend uitgebeeld in de geschiedenissen van de Bijbelheiligen. We behoeven maar herinnerd te worden aan het leven van Jozef, van David, van Jona. Telkens komen de wondere wegen van Gods leiding uit.

Tenslotte: ook in het Nieuwe Testament wordt Gods Voorzienigheid geopenbaard. De Heere Jezus Zelf spreekt in de bergrede van Gods zorg voor de Zijnen en het vertrouwen daarop. We kennen wel de eenvoudige beelden in Mattheus 6, die zo sprekend zijn. In de brieven van de Apostelen wordt ook tot fundering en troost van de kerk des Heeren getuigd van Gods Voorzienigheid. Eén voorbeeld moge ons genoeg zijn: Efeze 1:11 “Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil”.

Gods Woord geeft zo wel reden om Gods Voorzienigheid te belijden. Het geeft ook bijzonder aan dat het in het belijden niet om een afstandelijke zaak gaat. maar een die midden in de praktijk van het leven des geloofs staat!

Niets zonder Zijn ordinantie

De belijdenis van Gods Voorzienigheid begint met de aansluiting aan die van het werk van Gods schepping: “Wij geloven dat die goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had deze niet heeft laten varen noch aan het geval of de fortuin heeft overgelaten, maar ze naar Zijn heilige wil alzo stiert en regeert, dat in deze wereld niets geschiedt zonder Gods ordinantie”.

God heeft alles geschapen. Dat is niet het einde. Het betekent ook niet dat God in het geschapene een zekere kracht heeft gelegd, waardoor het gebeuren zich verder buiten Hem om voltrekt. Hij blijft in Zijn almacht alles onderhouden en regeren. Niet alleen het leven van alle schepselen, bijzonder van de mensen, maar ook heel het gebeuren in deze wereld. Velen zeggen het anders. Zij benadrukken óf de afstand tussen God en Zijn schepping - Epicurus c.q. de zgn. Deïsten - of laten God in Zijn schepping opgaan - de zgn. Pantheïsten. In het eerste geval zou God Zich niet meer met de schepping bemoeien. Alles verloopt volgens het toeval. In het tweede geval zijn God en de wereld één, is de verantwoordelijkheid weggenomen, het noodlot regeert mens en wereld.

Het gaat hier maar niet om een algemene bepaling, dat er een God is. Die Zich met alles bemoeit. Zelfs heidense filosofen hebben dat soms zo gesteld. Het is hier de belijdenis van het christelijk geloof, waardoor God erkent wordt, Die alles onderhoudt en regeert. Hij is zelfs in alle bewegingen van de schepselen. In de geloofsleer zijn we gewoon om van de “eerste oorzaak” te spreken in de voorzienige God. Alles is in Zijn Hand. Zijn wil kan zich geen schepsel noch roeren noch bewegen. Hij gaat elk schepsel te boven en doet alles naar Zijn souvereine wil.

Zo gebeurt alles “naar Zijn ordinantie”. We hebben dan te denken aan: ordening, rangschikking. Reeds hier, bij het begin van artikel 13, spreekt het geloof. Dat wordt niet bewaard tot het einde waar de troost in Gods Voorzienigheid wordt uitgewerkt. Geen macht ter wereld regelt de dingen, geen toeval of noodlot bepaalt het gebeuren. God, die goede God, Die hier door het geloot gezien en gekend wordt, heeft alles in Zijn Goddelijke Handen!

Geen auteur van de zonde

Als hier beleden wordt, dat niets geschiedt builen Gods ordening, hoe is het dan met de zonde? Dé zonde kán dan toch niet buiten Gods Voorzienigheid staan. Hoe levensgroot is dan het gevaar, dat de schuld op God wordt gewenteld en Hij tot auteur van de zonde wordt gemaakt! Het is niet te ontkennen, dat sommigen zo in de praktijk leven. Schuldgéven is het eerste, wat we uit onszelf doen. Schuldnémen niet. Vaak wordt een overtreding op de omstandigheden afgewentcld. Eigenlijk is dat Gód de schuld geven. Die alles in Zijn Hand heeft.

Onze belijdenis heeft op deze zaak gerekend. Het is geen probleem van vandaag. Alle eeuwen door sinds onze val is de mens zo geweest. We horen het hier: “..hoewel nochtans God noch de auteur is, noch schuld heeft van de zonde, die er geschiedt. Want Zijn macht en goedheid is zo onbegrijpelijk, dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk. Zijn werk beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en goddelozen onrechtvaardiglijk handelen”.

We zullen ons moeten wachten voor goedkope zgn. oplossingen. Zo wordt wel eens gezegd, dat God de zonde wél toelaat maar niét wil. Calvijn noemt dit terecht een uitvlucht, die door Gods eigen Woord weersproken wordt. God laat niets toe buiten Zijn wil. Duidelijk zegt hier de belijdenis, dat God “zeer wel en rechtvaardiglijk Zijn werk beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en goddelozen onrechtvaardiglijk handelen”.

De mens zondigt en blijft daarvoor ten volle verantwoordelijk. God is niet de bewerker van het kwaad. De broeders van Jozef hebben in hun verdorvenheid de zonde tegen hun broeder gekozen en gedaan. Jozef zegt het tot hen, als vader Jacob gestorven is “Gij lieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht..”. Niettemin was er in het doen van hen Góds raad. Het is niet buiten Zijn wil. Hij gebruikt het kwaad om Zijn wil ten uitvoer te brengen. Hij gebruikte in het gebeuren rond Jozef deze zonde tot hun heil.

We kunnen dit niet begrijpen. Zeker kunnen we niet van elke zonde zeggen, hoe en waartoe God deze precies gebruikt. Dan staan we voor het onbegrijpelijke handelen Gods.

Leer jongeren van Christus

Het is een tekenende uitdrukking, die in verband met de onbegrijpelijke wegen van Gods Voorzienigheid hier gebruikt wordt. Die wegen kunnen er op allerlei manier zijn. Er zijn aanvechtingen voor het geloof in het handelen van de voorzienige God. Gods Woord spreekt er op meer dan één plaats van en Gods kinderen weten er in hun leven van, zij het dat de één er meer mee in aanmerking komt dan de ánder.

De openbaring van de zonde, die niet buiten Gods wil is, kan er één van zijn. Zien we het niet in onze tijd? Hoe kan het leven in het hart, als de zonde zich in steeds bruter vorm manifesteert: hoe kan God het gedogen? Het lijden in eigen leven of in het leven van anderen geeft er ook oorzaak toe. Tegenover zulke aanvechtingen passen geen schijnvrome woorden, als er nog woorden gezegd moeten worden. Zij komen nogal eens van hen, die nóch het levend geloof nóch de aanvechting kennen.

Hier wordt geen stoïcijnse gelatenheid gepredikt. Tussen de regels van onze belijdenis lees je de strijd. Het gaat hier over het “aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbied” van de ’rechtvaardige oordelen Gods, die ons verborgen zijn”. Aanbidden betekent eigen kleinheid en nietigheid te kennen tegenover die God, Die rechtvaardig is en wijs in al Zijn wegen. Dat is geen vrucht van eigen akker. Daar is geen kind van God zomaar. Het is genade in het leven van de leerjongeren Christi! Zij krijgen onderwijs uil het Woord. Zij krijgen genade uit Hem, Die zo nameloos en onpeilbaar diep geleden heeft voor anderen, die niet anders in zichzelf zijn dan opstandelingen ook tegen al het doen van God in hun leven. Leerjongeren van Christus leren de onbegrijpelijke wegen overgeven aan de Heere, ook als het doel van die wegen voor hen duister is.

Dan is er buigen onder Gods Woord. Naar dat Woord weten zij het, dat God die wegen doet gaan tot verheerlijking van Zijn Naam en tot heil van hun leven. Calvijn, die zelf ervan wist een leerjongen van Christus te zijn, schrijft het tegen het eind van de hoofdstukken in de Institutie over Gods Voorzienigheid: “want onze wijsheid moet niet anders zijn dan een met ootmoedige leerzaamheid omhelzen, en dan wel zonder één enkele uitzondering, van al wat in de Schriften geleerd wordt”.

Troost

Troost is er in de rechte beleving van de belijdenis, dat God alle dingen in Zijn Hand heeft. Er wordt aan het eind van artikel 13 ruim aandacht aan gegeven. Hier is aansluiting aan het andere leerboek uit de tijd der reformatie, de Heidelbergse Catechismus. In Zondag 10 wordt de troost in de belijdenis van Gods Voorzienigheid ook rijk en onderwijzend uitgewerkt. Opvallend is het daarbij, dat de tekst van de Nederlandse Geloofsbelijdenis veronderstelt de vijandschap en vervolging om des geloofs wil. De woorden “houdende alle schepselen onder Zijn heerschappij” en “wetende, dat Hij de duivelen in de toom houdt en al onze vijanden” zullen daar ongetwijfeld op bedoelen. Niettemin geldt het voor al de moeitevolle omstandigheden, die in het leven van de Zijnen worden gekend.

Er is een onuitsprekelijke troost, dat niets bij geval gebeurt “maar door de beschikking onzes goe-dertierenen hemelsen Vaders, Die voor ons waakt met een vaderlijke zorg”. Het gaat hier om de troost om Christus’ wil. Het levend geloof mag om Zijnentwil God als Vader kennen. Dat is niet vanzelfsprekend, zoals velen er op een goedkope manier over spreken. Het is een onuitsprekelijk wonder voor een verloren zondaar in zichzelf, dat er in Christus een weg geopend is tot het Vaderhart Gods. Alleen de gerechtigheid van het bloed van de enige Borg en Middelaar doet daar door de toepassing van de Heilige Geest in delen. En dat onuitsprekelijk wonder is oorzaak van de onuitsprekelijke troost in de grootste tegenheden. Vergeet het niet hoe dit laatste gedeelte begint. “Deze lering geeft ons een onuitsprekelijke troost, als wij door haar geleerd worden..”. Ook voor Gods kinderen geldt het dat ze er telkens door geléérd worden. Het is de weg waarlangs de troost gekend wordt voor eigen leven. Dan is er sterkte uit die onuitsprekelijk diepe bron van de goedertieren God en Vader. Dan wordt het geloof langs de weg van lijden en strijden geoefend in de kennis van die God. Dan maakt God Zijn Woord waar, dat degenen die God liefhebben alle dingen mede werken ten goede.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1990

Bewaar het pand | 4 Pagina's

Nederlandse Geloofsbelijdenis 15.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1990

Bewaar het pand | 4 Pagina's

PDF Bekijken