Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De wenende Borg

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De wenende Borg

8 minuten leestijd

En toen Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar.

Het is de laatste maal dat Christus op de eerste dag der week naar het huis van Zijn Vader zal gaan in Jeruzalem. Jeruzalem is de stad Gods. Ze is door de aanwezigheid van het huis van God een verlustiging voor de kerk op aarde. Heel de kerk vindt om de offerdienst in haar reden om zich over haar te verblijden. Daar hebben schuldbelijdende zondaren in het huis Gods hun zaligheid gevonden voor tijd en eeuwigheid. En het huis des Heeren werd geheiligd door de komst van Christus tot het Zijne. Daar werd Hij voorgesteld. Als twaalfjarige heeft Hij van zich doen spreken. Daar heeft hij vele redevoeringen gehouden. Daar zou Hij de dood verslinden tot overwinning. Vanaf die schoongelegen plaats zou Hij opvaren. Jeruzalem zou de poort des hemels zijn. Vandaar zou Hij Zijn gevangenen medenemen ten hemel in. De heerlijkheid van het aardse Jeruzalem is om Jezus wil een afbeelding van het hemelse Jeruzalem dat boven is.

We zouden verwachten dat daar veel van het volk van God woont. Daar zou de Heere Jezus een welgevallen in hen vinden. Maar: Jezus weende over haar!

We lezen niet in de Bijbel dat de Heere Jezus ooit uitbundig gelachen heeft. Wanneer Hij blij was lezen we wel dat Hij Zich verheugde in de geest. We lezen dat zachtmoedigheid en liefde de uitdrukkking van Zijn innerlijke wezen waren. De lijdende Knecht des Heeren zou niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch

Zijn stem op de straat laten horen. Hij zou tot het hart spreken. Niet door kracht noch door geweld. Zo is Hij het land doorgegaan. Goeddoende en met innerlijke ontferming bewogen. Een enkele maal lezen we ook dat Hij zachtjes Zich uitte. Heel zachtjes weende Hij bij het graf van Lazarus. Zijn innerlijke gemoedsgesteldheid kon men vooral opmaken vanwege de tranen die toen uit Zijn bedroefde ogen stroomden.

Maar nu weende de Heere Jezus niet zachtjes. Nu weende Hij met zulk een klagelijk zuchten dat ieder ook kon horen waarom Hij bedroefd was.

Bij dit wenen moeten we niet alleen denken aan Zijn menselijke natuur. Niet alleen de smart om de aanstaande scheiding van het aardse veroorzaakte een begrijpelijk leed. Misschien moet u op dit moment ook al het aardse gaan loslaten. Nee, niet de smart om het moeten missen van alles wat op aarde zo lief is deed de meeste pijn. Het is de smart om de innerlijke verdorvenheid die het leed veroorzaakt. En hoewel de Godheid niet kan lijden, peilt hier toch de goddelijke natuur van de Zoon van God het wezen van de zonden. Het zijn immers de zonden die scheiding maken tussen de Heere en de ziel. En hoewel de Godheid niet kan wenen over zonden, van God de Vader lezen we ook dat het Hem smartte aan Zijn hart, dat de mens zijn weg verdorven had. En van God de Heilige Geest wordt gezegd dat het mogelijk is Hem te bedroeven. In Christus zijn de twee naturen ongedeeld en ongescheiden. Jezus weent, als mens maar ook als God de Zoon. Dat maakt het des te ernstiger!

Jezus weent over de inwoners van de stad.

De Heere beminde deze stad boven alle andere woningen. In Zijn kinderjaren had Hij er al van gezongen: “Hoe lieflijk zijn Uw woningen o Heere der heirscharen. Mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heeren; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God”.

Maar nu was Hij tot het Zijne gekomen, maar de Zijnen hadden Hem niet aangenomen. Zo anders had verwacht mogen worden van de inwoners van Jeruzalem. Zo dicht hadden zij bij het heil gewoond. Zo vaak hadden zij Zijn prediking gehoord.

Zo iemand nog dorst naar de wateren van deze wereld, die kome tot Mij. Straks zal Hij zeggen: weent niet over Mij, maar over uzelf en over uw kinderen.

Heel Zijn kostbare arbeid zou zeker ten goede komen aan heel Zijn uitverkoren kerk, maar niet aan Jeruzalem. Zij zijn voorbijgegaan aan Zijn Koninklijke, Profetische en Priesterlijke bediening. Voor hen is al dat lokken en nodigen tevergeefs. Dat doet zijn tranen vloeien in bittere droefheid.

Over hoeveel plaatsen en kerken is de Heere al bedroefd geweest?

Het is een groot voorrecht om onder de zuivere bediening van het Evangelie te leven. Een groot voorrecht is het als de Borg in de tekenen van Zijn zondaarsliefde staat onder het volk. Een groot voorrecht als de wet onder ons schittert. Maar als dat alles niets uitwerkt, als dat ons hart niet vertedert, dan is dat erg voor ons zelf, maar ook voor Hem. Dat is de smart voor de lijdende Verlosser. Wanneer dat Zijn toom opwekt dan is dat erg, maar wanneer dat Zijn smart opwekt, dan is dat erger. Dat moet ons door het hart snijden.

Die tranen van de lijdende Borg zullen eens onze tranen te rijkelijker doen vloeien en onze smart vergroten, als wij op zo grote zaligheid geen acht geven en het bloed van het Nieuwe Testament onrein achten.

We lezen in hoofdstuk 13 dat de wenende Borg geklaagd heeft dat Jeruzalem de profeten gedood en gestenigd had, die tot haar gezonden waren.

De stad was hoog bevoorrecht. Er hadden mannen gestaan, die het Woord Gods verkondigd hadden. Maar voor de prediking van de wet waren ze ongevoelig geweest en het evangelie had geen indruk op hen gemaakt.

De profeten waren gedood en gestenigd. Die tot hun zaligheid waren uitgezonden werden verworpen.

O Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik u willen bijeenvergaren, maar gij hebt niet gewild.

Het is enkel reddende liefde die de Heere hier biedt. Hoort Hem nodigen: Komt allen tot Mij. Mijn juk is zacht, Mijn last is licht. Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.

Zij zullen nooit kunnen zeggen dat ze het nooit geweten hebben. Maar gij hebt niet gewild. De Heere zegt niet: Ik heb niet gewild. Hij zegt niet: gij hebt niet gekund. Maar: Gij hebt niet gewild. Gij hebt niet het recht Gods verstoten, maar de liefde Gods. Daarom weende Jezus over haar.

Hebt u al om de Heere Jezus geweend, dat Hij om u moet wenen?

U bent niet te verontschuldigen als u onder de opzoekende liefde van de Heere Jezus verloren moet gaan. Onder tranen heeft de Heere Jezus en hebben Zijn knechten u genodigd.

Als de Heere Jezus over en om ons moet wenen, dan staat er wat te wachten! De stad Gods, zo verhoogd, zal diep vernederd worden. Deze stad heeft eenmaal haar koning David onttroond, nu zal ze de grote Davidszoon van Zijn kroon beroven en een doornenkroon op Zijn hoofd plaatsen. Dat zal haar val zijn. Want als haar Koning valt, dan valt ook het Koninkrijk. Het voorhangsel zal scheuren: de eer zal worden weggevoerd. De heerlijkheid zal van de tempel wijken, de stad zal ontmanteld worden, tot een puinhoop worden. U kent de geschiedenis: de belegering voor Jeruzalem door Rome, dat door Jeruzalem te hulp was geroepen tegen Gods Gezalfde Hogepriester Jezus. Waar men het heil bij gezocht heeft, zal nu onheil brengen.

Maar toch ligt hier ook een belofte! Hier is nog niet sprake van het heilig lachen als het verderf hen werkelijk gaat overkomen. Hier zijn nog Borgtochtelijke tranen.

Jeruzalem is rechtmatig gestraft. Maar de Borgtochtelijke tranen werken toch dit uit dat de barmhartigheid van de medelijdende Borg roemt tegen het welverdiende oordeel. Aan Jeruzalem is recht gedaan, maar ook aan de tranen van de Borg. Hij heeft niet tevergeefs geweend! God de Heere zal merken op het gebed van de verdrukte, die gans ontbloot is.

Op de verwerping van het heil volgt ook nu nog de straf. Wie de genade Gods veracht, zal licht geacht worden. Hoe zullen wij ontvlieden indien wij op zo’n grote zaligheid geen acht geven. Zie uw plaats zal u woest gelaten worden. De voorbeelden zijn er uit de Schrift en de geschiedenis aan te wijzen dat de vloek Gods hen aantastte die Hem verworpen hebben.

Maar anderzijds zullen de tranen van Gods knechten, of liever de tranen van de Knecht des Heeren, Zijn lieve Zoon die achter hen staat, niet ijdel zijn. Soms nog jaren na hun verscheiden zal God merken op hun klachten en de weeklacht van de kerk zal veranderen in een blijde rei!

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1991

Bewaar het pand | 18 Pagina's

De wenende Borg

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1991

Bewaar het pand | 18 Pagina's

PDF Bekijken