Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

John Owen over de “Inwonende zonde”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

John Owen over de “Inwonende zonde”

11 minuten leestijd

3.

In een vorige aflevering vroegen we aandacht voor de levensgeschiedenis van John Owen. We hebben gezien hoe na een periode van geestelijke strijd het licht van Gods genade doorbrak in zijn hart. Korte tijd daarna kwamen zijn eerste boeken van de pers en werd hij predikant in de engelse staatskerk. Zijn eerste gemeente was Fordham en daarna diende hij de kerk van Coggeshall. Een merkwaardige bijzonderheid is, dat hij in laatstgenoemde plaats naast de anglicaanse kerk ook een gemeente diende die op congregationalistische leest geschoeid was!

Prediking en politiek

Voor Engeland waren deze jaren in politiek en maatschappelijk opzicht uiterst bewogen en roerig. Het was de tijd van de burgeroorlogen, waarin de éne crisis nauwelijks voorbij was, of de volgende kondigde zich al aan. In deze periode zou de invloed van John Owen veel verder gaan reiken dan die van predikant in betrekkelijk kleine plaatsen als Fordham en Coggeshall. Het beginpunt van Owens bredere bekendheid is eigenlijk het feit dat hij - nog maar 30 jaar oud - een uitnodiging ontving om een preek te houden voor het engelse parlement. Sinds een aantal jaren waren de puriteinse afgevaardigden in het lagerhuis steeds talrijker geworden en vooral door hun toedoen was in 1643 het besluit genomen om iedere laatste woensdag van de maand een vastendag te houden. Op elk van deze dagen ging een bekend predikant in het Huis van Afgevaardigden voor in een dienst des Woords en der gebeden. Op de vastendag van 29 april 1646 was Owen gevraagd om deze dienst in het parlement te leiden. Zijn tekst was Hand 16:9: De roep van de macedonische man die smeekt: “Kom over en help ons!” Owen benadrukte in deze preek dat God het parlement gezegend had in zijn strijd tegen de koning en diens slechte raadgevers. Tegelijk voelde hij zich verplicht de vergadering te waarschuwen om deze van God gegeven gelegenheid te benutten door het evangelie van Christus overal te laten prediken. Als dat niet zou gebeuren zou het land opnieuw terugkeren tot de diepe geestelijke duisternis waarin het vroeger verzonken was geweest!

In deze preek zinspeelde Owen zijdelings op het conflict tussen koning en parlement dat in deze periode onvoorstelbare afmetingen had aangenomen. De spanningen bereikten hun hoogtepunt toen in 1648 de ’Tweede Burgeroorlog” ontbrandde, waarin de troepen van de konings-gezinden en het parlementsleger tegenover elkaar stonden. Ook het gebied waar Owen woonde had te lijden onder het oorlogsgeweld. Koningsgezinde troepen hadden namelijk hun toevlucht gezocht in de nabijgelegen stad Colchester. Spoedig nadat dit gebeurd was trokken de par-lementstroepen onder leiding van generaal Fairfax het dorp Coggeshall binnen om van daaruit de stad te belegeren. Aan de plaatselijke predikant, John Owen, werd verzocht aan de troepen die rond Colchester lagen het Woord van God te bedienen. Het gevolg was dat hij nauw betrokken raakte bij het hele oorlogsgebeuren en vriendschap sloot met verschillende hoge officieren van het parlementsleger. Eén van deze bevriende officieren was Henry Ireton, de schoonzoon van Oliver Cromwell. Weinig kon Owen toen vermoeden dat hij - mede door deze contacten - binnen korte tijd geroepen zou worden als legerpredikant met de troepen mee te trekken van de éne veldslag naar de andere...

De dood van de koning

Aan het einde van dat jaar 1648 volgden de gebeurtenissen elkaar snel op: Koning Karei I gaf zich over; Het parlement liet hem gevangen nemen en maakte alles gereed voor een snel gerechtelijk proces. Het hooggerechtshof dat speciaal voor die gelegenheid benoemd was sprak uit dat de koning schuldig was aan hoogverraad omdat hij de oorlog begonnen was tegen het parlement en het koninkrijk. Het vonnis luidde: De doodstraf! Op woensdag 30 januari 1649 vond de terechtstelling van de koning plaats, ook al stemde een groot deel van het volk met dit zware vonnis niet in. Omdat Karei I op deze laatste woensdag van januari ter dood gebracht zou worden, was de maandelijkse vastendag uitgesteld naar de donderdag. Onder deze aangrijpende en kritieke omstandigheden werd een beroep gedaan op twee vooraanstaande predikers om het Woord te bedienen in het parlement. Eén van hen was John Owen, die bij deze gelegenheid sprak over Jeremia 15:19 en 20. Uit de preek zoals die later is uitgegeven blijkt dat Owen zich nogal terughoudend uitdrukt als het gaat over de terdoodveroordeling van de koning. Hij wilde onder deze omstandigheden slechts het Woord laten spreken. Vanuit zijn tekst wees hij erop dat God met Zijn oordelen over Engeland gekomen was, precies zoals Hij in de dagen van Jeremia Zijn gerichten had voltrokken aan Juda. Naar Owens overtuiging werden Gods oordelen in zijn dagen zichtbaar in de burgeroorlogen en in het doodvonnis dat aan de koning was voltrokken. Om Gods gunst voor de toekomst te verkrijgen zou bekering nodig zijn, wederkeer tot God! Dat betekende dat zij die Engeland regeerden alle sporen van afgoderij en bijgeloof uit het land zouden moeten verwijderen en van harte de ware godsdienst die gegrond is op de Schrift zouden moeten bevorderen! Al is Owen in deze preek terughoudend in zijn oordeel over de wijze waarop Karei I berecht en gevonnist was, dat betekent niet dat hij echte kritiek had op de handelswijze van het parlement. In dat geval zou hij zeker niet zijn gevraagd om op déze vastendag in het Huis van Afgevaardigden het Woord te bedienen. Bovendien wordt uit zijn geschriften telkens weer duidelijk dat Owen ervan overtuigd was dat Gods ongenoegen rustte op het koninklijk huis van de Stuarts, omdat zij bijgeloof en machtsmisbruik hadden bevorderd. Tegen deze achtergrond zag hij de voltrekking van het doodvonnis aan Karei I als een rechtvaardig oordeel van God. Overigens werd binnen de kring van de puriteinen over de terechtstelling van de koning niet gelijk gedacht. Sommige puriteinse predikers stonden veel kritischer tegenover het parlement dan John Owen!

Uit het bovenstaande is duidelijk welke belangrijke plaats de nog jonge predikant van Coggeshall in de leidende kringen van Engeland had verworven. Dat blijkt ook hieruit dat hij een kleine drie maanden later weer in Londen was om voor het Huis van Afgevaardigden te spreken. Ditmaal was zijn tekst Hebreeën 12:27, waar gezegd wordt dat God nog éénmaal de hemel en de aarde zal bewegen, opdat het vergankelijke zal verdwijnen, maar “het onbeweeglijke” zal blijven bestaan. Owen paste dit toe op de geweldige omwentelingen die in zijn tijd plaatsvonden. Hij zag deze gebeurtenissen als tekenen dat de laatste dagen waren aangebroken en dat de gerichten van God over de wereld gingen. In dit tijdsgewricht zag hij een grote roeping weggelegd voor volk en parlement van Engeland...! Onder degenen die deze rede hoorden bevond zich ook Oliver Cromwell, die toen al grote invloed had als lid van het parlement en generaal van het leger. Owens woorden lieten niet na een diepe indruk op hem te maken.

Veldprediker bij Cromwell

Cromwell en Owen ontmoetten elkaar voor het eerst op de dag nadat de laatste zijn preek voor het parlement gehouden had. Owen wilde op die dag een bezoek brengen aan generaal Fairfax die hij tijdens het beleg van Colchester had leren kennen. Terwijl een huisknecht hem bij de generaal aandiende, kwam Cromwell vergezeld door een aantal officieren het vertrek binnen waar Owen wachtte. Toen hij de prediker zag naar wie hij de dag tevoren met zoveel instemming had geluisterd, liep Cromwell naar hem toe, legde zijn hand op zijn schouder en zei: “Mijnheer, u bent de man met wie ik graag zou willen kennismaken”. Owen antwoordde met karakteristieke bescheidenheid: “Dat zal meer tot mijn voordeel zijn dan tot het uwe!” “Dat zullen we spoedig zien”, merkte Cromwell op, waarna hij hem naar buiten leidde voor een wandeling in de tuin. Daar vertrouwde hij Owen toe dat hij voornemens was om tegen het rooms-katholieke Ierland op te trekken dat trouw gebleven was aan het engelse koningshuis en weigerde om zich aan het gezag van het parlement te onderwerpen. Het was zijn dringende wens dat de predikant van Coggeshall hem op die veldtocht zou vergezellen als veldprediker en ook om een onderzoek in te stellen hoe de opleiding tot predikant aan de universiteit van Dublin verbeterd zou kunnen worden. Owen aarzelde en spoedig bleek dat ook zijn gemeente hem niet wilde laten gaan. Toen maakte Cromwell zijn wens tot een bevel! Er bleef voor Owen weinig anders over dan te gehoorzamen. En zo trok Owen met de twaalfduizend soldaten van Cromwells leger naar het opstandige Ierland.

Owen heeft de veldtocht maar zeer ten dele meegemaakt. Zo was hij niet anwezig bij de inname van Drogheda en het vreselijke bloedbad dat Cromwells soldaten daar aanrichtten. Toch moet de bloedige veldtocht tegen Ierland de veldprediker tot in het diepst van zijn ziel hebben aangegrepen. Toen hij namelijk na zijn terugkeer uit Ierland op de vastendag van 1650 in het Huis van Afgevaardigden preekte, zei hij onder meer:


Hoe komt het dat Jezus Christus in Ierland slechts aanwezig is als een Leeuw die al Zijn klederen besmeurt met het bloed van Zijn vijanden? Hoe komt het dat er niemand is die Hem aanbiedt aan Zijn vrienden, als het Lam besprenkeld met Zijn eigen bloed?


Hij liet weten dat het zijn diepst verlangen was dat


De Ieren zich mogen verheugen in het bezit van Ierland “totdat de maan niet meer zij” (Vgl. Ps. 72:7), zodat Jezus Christus de harten van de Ieren in bezit mag nemen... Ik wenste wel dat er op dit ogenblik één prediker van het evangelie was voor iedere ommuurde stad in Ierland die in het bezit is van de Engelsen. Het land treurt en het volk gaat tegronde door gebrek aan kennis... De tranen en het roepen van de inwoners van Dublin om de openbaringen van Christus staan mij steeds voor ogen...


Vermoedelijk mede onder de invloed van dit vurig pleidooi besloot het parlement maatregelen te treffen de universiteit van Dublin te maken tot een centrum van christelijke wetenschap. Daarbij was de bedoeling allereerst dat jonge mannen hier een opleiding konden ontvangen tot het ambt van dienaar van het Woord. Het parlement besloot ook zes ervaren predikanten naar Ierland te zenden om daar het evangelie van vrije genade te verkondigen. Het bleek echter moeilijk om geschikte vrijwilligers te vinden...

Schotland

Korte tijd nadat de veldtocht tegen Ierland in een overwinning was geëindigd, besloot het Huis van Afgevaardigden dat het leger zich gereed diende te maken voor een invasie in Schotland. In het parlement bestond namelijk de vrees dat de Schotten - die het koninklijk huis van Stuart trouw gebleven waren - Engeland zouden binnenvallen om het koningschap te herstellen en de jonge zoon van Karei I op de troon te zetten. Cromwell werd benoemd tot opperbevelhebber van de strijdkrachten die naar het noorden trokken. Ook ditmaal was John Owen een van de beide veldpredikers die het leger vergezelden. De invasie in Schotland was voor Cromwell opnieuw een ware triomftocht: Hij versloeg de schotse troepen in beslissende veldslagen. Hierdoor werd niet alleen de kracht van het schotse leger gebroken, maar ook kwamen verschillende delen van Schotland tijdelijk onder Cromwells invloed. Zo ontstond de mogelijkheid voor John Owen om in kerken in dit gebied te preken. Verschillende malen heeft hij in deze periode dan ook in oude schotse kerken het Woord bediend, vooral in de stad Edinburgh. Ook nam hij verschillende keren deel aan openbare twistgesprekken met schotse predikanten en theologen. Daarbij ging het er met name om de kerkelijke leiders in Schotland te overtuigen hoe gevaarlijk het was om het koninklijk huis van de Stuarts te steunen. Bovendien waren er eindeloze - en vaak oeverloze - debatten over het wezen van de kerk, waarbij Owen als congregationalist tegenover de schotse predikanten stond die een presbyteriaanse opvatting huldigden. Terwijl de strijd in Schotland nog voortduurde, reisde Owen weer terug naar de omgeving van Londen, waar zijn toekomstige werkkring zou liggen.

De periode waarin hij als veldprediker gediend heeft, heeft echter in verschillende opzichten sporen in zijn leven nagelaten. Eén daarvan is dat Owen in zijn geschriften met enige voorliefde beelden gebruikte die ontleend zijn aan het leven van soldaten en het oorlogsgebeuren. We zullen dat met name ook aantreffen in zijn werk over de “inwonende zonde”.

(wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1991

Bewaar het pand | 1 Pagina's

John Owen over de “Inwonende zonde”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1991

Bewaar het pand | 1 Pagina's

PDF Bekijken