Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Opwekking

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Opwekking

9 minuten leestijd

4.

In hoofdstuk 6 komt aan de orde: het gebed om opwekking.

Er is een reden te over om te smeken om een geestelijke opwekking. Zonder gebed kunnen we geen zegen verwachten. Ons gebed dient doortrokken te zijn van zelfonderzoek. Het gaat er om, dat we het van Gòd verwachten. In zulk bidden wordt God verheerlijkt en de bidder vernederd. De Heere wil in de weg van het gebed overvloedig zegen schenken. Wel verhoort God vaak op andere wijze dan wij zouden denken: veelal door onmogelijkheden heen. De Schrift geeft veel voorbeelden dat de Heere werkelijk acht geeft op het gebed, o.a. het gebed van Hanna om een zoon, het gebed van Salomo om de heiliging van de tempel, het gebed van Hizkia tijdens de belegering van Jeruzalem, enz. Ook nú mogen we op het gebed grote dingen verwachten!

Het gebed is een vrucht van godsvrucht, maar de inhoud van het gebed zal ook voortdurend op godsvrucht gericht moeten zijn. Het is dringend nodig om te leven in de gemeenschap met Christus en om al meer Gods-kennis en zelfkennis te krijgen: dàn zullen wij mannen Gods zijn, waarin God kan wonen en waardoor Hij kan werken. Een godvruchtig leven is een leven waarbij we alle vertrouwen op onszelf opgeven en we leren wandelen door de Heilige Geest, in oprechte toewijding aan God. Wanneer we maar aan de Wijnstok Christus verbonden blijven, dan zullen we als ranken veel vrucht voortbrengen!

Schrijver brengt in dit verband “de doop met de Heilige Geest” ter sprake. Hij stelt deze gelijk met de verzegeling van de Geest, waarover o.a. in Efeze 1:13 gesproken wordt. Deze verzegeling is - aldus de schrijver - onderscheiden van wedergeboorte, bekering en geloof. Het is het Goddelijk zegel op Zijn eigen werk; dit geeft een ongekende zekerheid over de aanneming van een kind van God en een ongekende blijdschap in God. Dit zegel is de Heilige Geest Zelf. Deze verzegeling wordt door Van Vlastuin als een aparte weldaad beschouwd, die in een zeer diepe ervaring van de gemeenschap met God en van de liefde van God tot uitdrukking komt (zie de beschrijvingen daarvan op pag. 196 en 197). Een weldaad die dus niet zonder meer aan het geloof inherent is. Kenmerkend voor een opwekking is, dat de Geest in rijke mate uitgestort wordt en dat velen met de Heilige Geest verzegeld worden.

Ook het bidden in gebedskringen krijgt de aandacht van Van Vlastuin. In de Schrift lezen we van persoonlijke, maar ook van gezamenlijke gebeden. Het samenkomen om met elkaar te bidden is niet onbijbels. Als er bij een aantal mensen gebedsdrang leeft, waarom zouden zij dan niet bijeenkomen en bidden m.n. om opwekking? Goede leiding hierbij is onontbeerlijk. Laten we bij dit alles niet vergeten dat bidden en werken bijeen horen. Laten we trouw op onze posten zijn en zo de zaak van Gods koninkrijk bevorderen! En laten we, wat onze gebeden betreft, beseffen dat Gods zaak een belangrijker rol behoort te spelen dan onze persoonlijke belangen. Wie God boven alles lief-krijgt, krijgt immers ook Gods zaak op deze aarde lief! Daarom is voorbede zo belangrijk! En ... er is zo véél om voor te bidden!

Wanneer we bidden om opwekking, leren we ook uitzien naar de verhoring van het gebed. Soms mogen we - dichtbij of ver weg - iets zien van Gods werk, en dat geeft hernieuwde hoop. Is er wellicht een wolkje als eens mans hand? Het voortdurend gebed om opwekking maakt uitziende. En het geeft bij de verhoring dankbaarheid.

Met het vorengaande heb ik getracht zo duidelijk mogelijk een indruk te geven van het boek van Van Vlastuin. Het komt me voor, dat er veel goeds van te zeggen valt. De schrijver is merkbaar gegrépen door zijn onderwerp. Er spreekt warmte, bewogenheid, ernst uit het boek “Opwekking”. En nog steeds is er bij Van Vlastuin bezinning op de zaken die hij in dit boek aan de orde stelt, getuige het feit dat hij onlangs in De Waarheidsvriend drie artikelen schreef onder het opschrift: “Een reveil nu?” Het antwoord dat hij op deze vraag geeft luidt - zoals te verwachten viel - bevestigend.

Het woord “opwekking” heeft in onze oren veelal een verdachte klank. Dit zal stellig niet zonder reden zijn, omdat het in de praktijk vaak verbonden wordt met samenkomsten waar men eenzijdig op het gevóel van de hoorders inspeelt en op hen een appèl doet om “te kiezen voor Jezus”. Dit remonstrantse geestesklimaat kan en mag het onze niet zijn. Maar hiermee mogen we alle spreken over en elk verlangen naar opwekking niet afkeuren - verre vandien! Van Vlastuin laat duidelijk zien dat het woord “opwekking” gebruikt kan worden als aanduiding van een zeer bijbelse en Geestelijkse zaak (hoofdletter G!). Niemand zal er m.i. om heen kunnen dat er in onze tijd veel gemis aan Geestesbediening in de kerk is. Maar de vraag is of dit als “lot” ervaren wordt of als “schuld” beleefd (en beleden) wordt. Waar dit laatste het geval is, komen mensen in de nood voor de Heere en daar leren zij tot Hem roepen dat Hij met Zijn Geest de hof van Zijn kerk doorwaait. Daar mogen gróte dingen van Hem verwacht worden, ja daar is Hij reeds bezig te werken. Me dunkt dat Van Vlastuin ons een spiegel voorhoudt en dat wij er góed aan doen om in deze spiegel te kijken. Er gaat een sterk appèl uit van zijn boek. Het is een zaak van belang dat we zijn boodschap op ons laten inwerken en dat we er onder de zegen van de Heere geestelijke winst mee doen.

Dit betekent niet dat er geen plaats voor vragen of kritische notities overblijft. Hier en daar vind ik de schrijver wel erg breedsprakig. Maar ook wat het inhoudelijke betreft, meen ik enkele opmerkingen te moeten maken. Er zijn ook nü nog rijke beloften van heil; dat ben ik met de schrijver hartelijk eens. En dat we dat heil met verlangen van de Heere mogen (en moeten) afsmeken, is zonder meer juist. Maar moeten we hierbij niet aan de Heere overlaten waar en wannéér Hij Zijn beloften op aarde vervult? Dit accent heb ik te veel gemist. En zijn er geen beloften (zoals Jes. 11:9) die pas ná deze bedeling hun volle vervulling krijgen? Voor mijn besef beweert de schrijver soms net te véél. Bovendien vraag ik me af of we niet zó eenzijdig gericht kunnen zijn op een te verwachten opwekking dat wij te weinig oog hebben voor de vóórtgang van Gods werk, ook nü. In dit verband meen ik dat Van Vlastuin te generaliserend is wanneer hij schrijft (pag. 64 en 65): “Wij missen de tegenwoordigheid van God Zelf. Wij missen Zijn Geest in Zijn krachtige en onweerstaanbare werkingen. Wij ervaren de tegenwoordigheid van God niet meer”. Men kan m.i. intens verontrust zijn over de geestelijke situatie in het kerkelijk leven zònder dat men déze uit-spraiken voor z’n rekening neemt. Laten we niet veronachtzamen wat de Heere - ondanks veel vervlakking en donkerheid - nog dóet onder de bediening van Zijn Woord. Laten wij niet zó eenzijdig op het “bijzondere” gespitst zijn, dat we het “gewone” onbedoeld over het hoofd zouden zien!

Dat de werkelijkheid van Pinksteren ook nú ervaren kan worden, lijkt me onbetwistbaar juist, maar dit mag ons de ogen niet doen sluiten voor het feit dat Pinksteren als heilsfeit een éénmalig gebeuren is - gelukkig met doorwerking en üitwerking totdat de laatste der uitverkorenen zal zijn toegebracht.

De aandacht die de schrijver geeft aan Israël is zo mogelijk nog aktueler dan bij verschijning van het boek, al zal het laatste woord over dit onderwerp nog wel niet gesproken zijn. Ook al gelooft men hartelijk dat God Israël niet afgeschreven heeft en dat Hij bijzondere bemoeienissen met dit volk blijft houden, dan kan men toch nog wel vragen overhouden op punten waar Van Vlastuin met grote stelligheid spreekt.

Wat de aandacht van de schrijver voor de kerkelijke verdeeldheid betreft: terecht schrijft hij dat verdeeldheid en scheuring onbijbels is (pag. 51). Jammer dat hij in het vervolg van zijn betoog deze uitspraak weer afzwakt voor mijn besef. Wanneer hij schrijft over het drievoudig snoer “God, Nederland en Oranje” (op pag. 56), blijkt alleen de Ned. Herv. Kerk hier binnen de gezichtskring te liggen. Een gedeelte dat mijn bijzondere aandacht kreeg was dat over de verzegeling van de Geest. Laat ik vooropstellen dat de schrijver in dit verband rijke dingen zegt over de bevindelijke gangen van de Heere met Zijn volk. Toch blijft het voor mij zéér de vraag of de verzegeling met de Heilige Geest als een afzonderlijke daad van God moet worden gezien náást de wedergeboorte en het geloof. Het is me bekend dat deze opvatting in de gereformeerd-bevindelijke traditie een diep spoor getrokken heeft (o.a. wijlen Ds. I. Kievit) en ook nü verdedigers vindt, zij het met variatie in de uitwerking. Maar op exegetische gronden wordt dit standpunt veelal sterk aangevochten, o.a. door Dr. L. Floor, éérst in zijn boek “De doop met de Heilige Geest” en laatstelijk in zijn boek “Persoon en werk van de Heilige Geest”. Hij schrijft: “Verzegelen is nu, dat de Heilige Geest aan onze kant vast maakt wat van Gods kant reeds onwankelbaar vast is”. De Heilige Geest brengt ons - aldus Floor - tot het inzicht in het heilswerk van Christus èn tot de aanvaarding daarvan. Letterlijk schrijft hij: “Zo is de verzegeling met de Heilige Geest een ervaren werkelijkheid. Het is niet een afzonderlijke tweede daad van de Geest. Maar wel doorloopt het in de ervaring stadia in het mensenleven” (“Persoon en werk van de Heilige Geest”, pag. 60). Bij deze opvatting van Floor e.a. blijft er dus wel degelijk plaats voor een “heilsordelijke zijde” van de verzegeling met de Geest. Men zou toch verwachten dat Van Vlastuin op z’n minst aandacht zou schenken aan deze visie, ook al zou hij haar niet delen.

Een fout van stilistische aard trof ik aan op de pagina’s 28 en 126, waar de uitdrukking “niet in het minst” voorkomt, terwijl bedoeld wordt: “niet het minst”. Zodoende staat er het tegendeel van wat de schrijver bedoelt. Op pagina 86 staat: “aandringend aandringt”, het eerste woord zal moeten zijn: “indringend”. Openbaring 17:22 moet zijn 22:17 (pag. 159).

Al deze opmerkingen nemen niet weg dat ik van een waardevol boek spreek, dat ons aan het dénken zet en ons bovenal tot ootmoedig smeekgebed wil brengen, opdat Gods Geest wereldwijd - ook in ons vaderland - moge werken en doorwerken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1991

Bewaar het pand | 10 Pagina's

Opwekking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1991

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken