Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

John Owen over de “inwonende zonde”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

John Owen over de “inwonende zonde”

9 minuten leestijd

7.

In het vorige artikel zijn we begonnen met een weergave van wat Owen geschreven heeft over de natuur, of de aard van de inwonende zonde. Naar zijn gedachte heeft deze zonde drie kenmerken die we als volgt hebben aangeduid: De onontkoombare wetmatigheid, de ongrijpbare geslepenheid en de onuitblusbare vijandschap. De vorige keer hebben we het eerste aspect besproken. We hebben gezien dat de inwonende zonde iets is dat altijd aanwezig is in het leven van Gods kinderen. Zij heerst daar als een wet die een volkomen gehoorzaamheid wil afdwingen. En juist dan dringt deze wet het meest nadrukkelijk haar gezag op, als de gelovigen dichtbij God en Zijn Woord willen leven. In dit artikel willen we aandacht vragen voor de beide andere onderdelen van de aard van de inwonende zonde.

De ongrijpbare geslepenheid

Van het dwingend, wetmatig karakter van de inwonende zonde verplaatst Owen onze aandacht naar het terrein waar de voortdurende strijd tussen vlees en Geest gevoerd wordt. Dat terrein is het hart. Owen legde uit dat het woord “hart” in de Schrift verschillende betekenissen kan hebben, maar dat hij het hier wil gebruiken voor de ziel in haar geheel: “Het verstand, de wil, de emoties, het geweten - dat alles tezamen wordt het hart genoemd”. Nu is het hart de plaats waar de inwonende zonde zich genesteld en verschanst heeft. Vandaar ook dat zij juist op deze plaats bestreden moet worden. Het is dan ook van grote betekenis dit terrein waar de inwonende zonde zich ophoudt te onderzoeken. De sterkte van een vijand in oorlogstijd ligt namelijk niet alleen in het aantal soldaten en de kracht die zij kunnen ontwikkelen, maar ook in de onneembare forten waar hij zich kan verschansen. Nu kunnen van de vesting waar de inwonende zonde heerst - het hart dus - twee dingen gezegd worden: Zij is ondoorgrondelijk en zij is bedrieglijk.

Wat het ondoorgrondelijke betreft: Niemand van ons kan de verborgen kloven en schuilhoeken van zijn eigen hart doorgronden. Ook Gods kinderen kennen zichzelf slechts ten dele. Alleen de Heere weet ten volle wat zich in de diepten van ons hart afspeelt. En juist in die verborgen plaatsen verbergt de inwonende zonde zich of trekt zij zich na de strijd terug. Owen zegt daarvan:


“Wij strijden met een vijand wiens verborgen kracht we niet kunnen blootleggen en die we ook niet kunnen volgen als hij zich terugtrekt. Daarom gebeurt het dikwijls wanneer wij overtuigd raken dat de zonde een beslissende nederlaag heeft geleden, dat na enige tijd blijkt dat zij slechts uit het gezicht verdwenen is”.


Zij heeft namelijk “onderaardse” schuilhoeken in ons ondoorgrondelijk hart waar zij zich kan verbergen en zich ook aan onze achtervolging onttrekt. Daarom kan het gebeuren dat ons hart zichzelf geruststelt met de gedachte dat alles nu goed is omdat de zonde verslagen of zelfs verdwenen lijkt. Ondertussen zien we niet dat zij veilig en wel is weggescholen in haar verborgen wijkplaats, vanwaar zij op het onverwachtst haar aanvallen opnieuw kan beginnen.

Hier komt nog bij dat het hart ook bedrieglijk is. Die bedrieglijkheid komt vooral daarin uit dat het hart door de zonde onstandvastig geworden is en steeds weer in een andere richting wordt gestuwd. We zouden kunnen zeggen dat het een vat vol tegenstrijdigheden geworden is: In ons binnenste klinken allerlei tegenstrijdige stemmen die gehóórd willen worden. Het verraderlijke daarbij is dat ons hart de neiging heeft om af te gaan op wat op het eerste gehoor wel goed klinkt, maar toch helemaal verkeerd is. Het bedrieglijke hart wordt namelijk heel gemakkelijk bedrogen!

Tegen deze achtergrond laat Owen een dubbele waarschuwing horen: Gods kinderen mogen zolang ze hier op aarde zijn nooit denken dat de strijd tegen de inwonende zonde over is. Onbedachtzaamheid heeft veel kwaad gesticht, vooral op momenten dat de zonde zich terugtrok en verslagen leek.


“Veel overwinnaars zijn te gronde gericht door hun zorgeloosheid na een overwinning en velen hebben geestelijke wonden opgelopen nadat zij grote successen op deze vijand hadden geboekt”.


Owen wijst in dit verband op David, die langdurig tegen het kwaad gestreden had, maar in een moment van onbedachtzaamheid toch door de zonde verrast werd en weerloos bleek. Zo kan het nog steeds voorkomen dat oprechte christenen bij het ouder worden in de strijd tegen de zonde verslappen. Dan zal de weggescholen zonde zéker de kop opsteken en met nieuwe kracht tot de aanval overgaan. De keerzijde van deze waarschuwing tegen zorgeloosheid is een dringende oproep tot voortdurend waakzaamheid. Owen onderstreept de noodzaak daarvan vooral door te wijzen op het ongrijpbare en geslepen karakter van de vijand:


“Een vijand die met open vizier vecht en met geweld op ons afkomt geeft altijd énige verademing. Je weet waar je hem kunt verwachten en wat hij aan het doen is, zodat je soms rustig en zonder vrees kunt slapen. Maar tegen vijanden wier handelwijze bepaald wordt door bedrog en verraad zal niets anders veiligheid bieden dan voortdurende waakzaamheid. Het is onmogelijk dat we hierin té bezorgd, té aarzelend, té achterdochtig of té waakzaam zijn. Het hart heeft duizenden listen en leugens en als we ook maar het minst in onze waakzaamheid verslappen, zullen we zeker bij verrassing overvallen worden”.


Dat is volgens Owen dan ook de reden waarom de Schrift zo vaak en zo indringend roept om waakzaam te zijn!

De onuitblusbare vijandschap

In het licht van bovenstaande opmerkingen komt Owen nu tot hét eigenlijke kenmerk van de inwonende zonde. Haar diepste wezen ziet hij namelijk als vijandschap tegen God. Hiervoor verwijst hij naar de bekende woorden uit Romeinen 8:7: “Het bedenken des vieses is vijandschap tegen God”. Bij deze tekst kan de vraag boven komen: Waarom staat er eigenlijk vijandschap? Er wordt hier -zo legt Owen uit - maar niet over een vijand gesproken, want in dat geval zou verzoening met God mogelijk zijn en vrede gesloten kunnen worden. Vijanden kunnen immers de vijandelijkheden staken en zich met elkaar verzoenen. Maar dat is voor de vijandschap onmogelijk. Zij is nu eenmaal naar haar aard onverzoenlijk en zal nooit één enkele vredesvoorwaarde aanvaarden. Als zij dat wel zou doen zou zij geen vijandschap meer zijn! Paulus laat dit verschil tussen “vijand” en “vijandschap” ook op andere plaatsen duidelijk zien. Aan de éne kant schrijft hij: “Wij die vijanden zijn, zijn met God verzoend” (Rom. 5:10). Deze verzoening van de grootste vijanden is mogelijk door het bloed van Christus. Maar als de apostel over vijandschap spreekt, kan hij het woord verzoening niet gebruiken. Vijandschap kan namelijk alleen maar uit de weg geruimd worden als zij volledig te gronde gericht wordt. Daarom wordt van de Heere Jezus Christus gezegd dat Hij “de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt heeft” (Ef. 2:15). We moeten daarom maar niet proberen met dit inwonende verzet een soort vredesaccoord te sluiten. Zij kan alleen overwonnen worden als zij door de kracht van Christus vernietigd wordt!

Daarbij wordt grote nadruk gelegd op de geweldige macht die deze vijandschap uitoefent. “De doding van de zonde vermindert wel de kracht van de zonde, maar niet haar werkelijke aard. Genade verandert wel de natuur van de mens, maar niets kan de natuur van de zonde veranderen”. En de natuur van de inwonende zonde bestaat nu juist in deze machtige vijandschap die heel het werk van God in ons leven zoekt te vernietigen. In dit verband maakt Owen de vergelijking met een onverzadigbaar vuur:


“Als iemand in tijd van oorlog aan de plunderende vijanden een gedeelte van zijn goederen afstaat, kunnen zij daar genoegen mee nemen. Maar de vijandschap moet alles hebben....je kunt namelijk met het vuur niet gaan onderhandelen dat het maar een gedeelte van je huis in de as legt; je hebt geen andere mogelijkheid dan het te doven”.


Dit onverzadigbare vuur van de vijandschap vergezelt Gods kinderen bovendien heel hun leven. Ze raken het nooit helemaal kwijt omdat het steeds weer opvlamt.

Kenmerkend voor deze vijandschap is daarbij ook nog dat zij een alomvattend karakter heeft. Owen zegt daarvan dat zij een “totale” vijandschap is tegen alles van God en in de gehele ziel. De inwonende zonde verzet zich namelijk tegen alles wat met God en Zijn dienst te maken heeft. Zij richt zich tegen “God als Wetgever, als de Heilige, als de Auteur van het evangelie en God als de Auteur van de weg der zaligheid door genade en niet door de werken”.

Zij verzet zich niet alleen tegen Zijn heiligheid en recht maar ook tegen Zijn genade en Zijn beloften. Er is daarom niets dat bij de Heere en Zijn dienst behoort, waartegen deze vijandschap niet wakker geroepen wordt! Het is zelfs zo dat hoe meer iets tot eer van God is en hoe nauwer het verbonden is met Zijn dienst, des te heftiger het verzet daartegen opbruist.

De inwonende zonde komt bovendien voor in de gehele ziel. Dat betekent dat er geen enkel gebied in ons binnenste is dat vrij is van deze wet der zonde. “Wanneer Christus met Zijn geestelijke kracht tot de ziel komt om die te overwinnen en tot Zijn eigendom te maken, heeft Hij geen rustige landingsplaats. Hij kan nergens vaste voet aan de grond krijgen of Hij moet ervoor strijden en het veroveren. Niet slechts de geest, één van de gevoelens, of de wil, neen àlles heeft voor Hem de deuren gesloten”. En al wordt in het hart waar Christus Zijn intrek heeft genomen de kracht van de zonde gebroken, zij blijft er altijd én overal aanwezig. De wet der zonde woont in onze geest, onze wil en onze gevoelens: Overal zal zich het verzet tegen Hem openbaren!

In het licht van deze onthullende beschouwingen over de aard van de inwonende zonde kunnen we niet anders zeggen dan dat het met de zonde in het leven van Gods kinderen beslist niet meevalt.

Zij is immers niet anders dan de totale vijandschap tegen alles van God in de gehele ziel!

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1991

Bewaar het pand | 10 Pagina's

John Owen over de “inwonende zonde”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1991

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken