Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het lied van de vreemdeling: IV. Zijn metgezellen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het lied van de vreemdeling: IV. Zijn metgezellen

5 minuten leestijd

”“Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.””

”“Zeg mij wie uw vrienden zijn, en ik zal zeggen wie u bent.”” Nu zeg het eens, wie zijn uw vrienden? Stokt nu uw stem, weet u het niet? De dichter van Psalm 119 weet het wel, weet het heel duidelijk. Hij is niet halfslachtig. Hij wijst ze zonder meer aan.

De zanger van de Psalm heeft eerst gesproken van vijanden, van vervolgers, van smaadheid en verachting. Hij zegt in zijn lied: de hovaardigen hebben mij bovenmate zeer bespot.

Wij zijn geneigd om ons te verbazen, een kind van God heeft toch geen vijanden? In wie Christus woont en werkt, wie het beeld van Christus gelijk wordt, dient in liefde, geen kwaad voor kwaad vergeldt, oog heeft voor de nood van de medemens en vooral voor zijn eeuwig heil, bewogen en gunnend is, die wordt toch door ieder gerespekteerd? Echter, alle antidiscriminatiewetten ten spijt, ’’t is wel zo. De dichter heeft het aan den lijve ondervonden.

Hij die door wedergeboorte vreemdeling hier beneden is geworden, is aan Gods kant gezet, en krijgt daardoor al wat anti-God en anti-Christus is als vanzelf tegenover zich. De overste van de Gode-vijandige wereld zorgt daar wel voor. De scheur die het mensdom verdeelt, gaat zich openbaren.

Een jongen, een meisje eerst dikbevriend met wereldse vrienden, samen de wereld dienend. Het wonder van hartvemieuwende genade. Lust gekregen om de Heere te vrezen en te dienen. Onherroepelijk - er komt een breuk, er valt scheiding, ’’t Kan niet meer samen. Wie toch wil vasthouden, wie het niet aanvaardt, is Mijns niet waardig. Dat heeft de Heere Jezus Zelf gezegd.

De vrienden van vroeger worden spotters, verachters, ja vijanden. Dit kan zijn binnen het huwelijk tussen man en vrouw. Dit kan zijn tussen ouders en kinderen, en andersom. Dit kan zijn in de familie, op school, op ’’t werk. ’’t kan zelfs zo, dat ik in een hel terecht kom! Is Gods kind nu moederziel alleen op de wereld? O neen. Allereerst dit: zo God voor ons is, wie en wat zal dan tegen zijn? God tegen te hebben dat is verschrikkelijk. Tegen in mijn leven, tegen op mijn sterfbed, en straks eeuwig tegen en daarom eeuwig rampzalig. God voor te hebben dat is alles, dat is de grootste rijkdom, het hoogste geluk. In de tweede plaats: de Heere geeft nieuwe moeders, nieuwe vaders, nieuwe kinderen, een nieuwe familie. Hij plaatst in een geestelijk gezin. We raken dus niet alleen kwijt, we krijgen ook terug.

Iemand zei eens: ik kan met niemand praten, men begrijpt mij niet. Nu - wie vreemdeling geworden is, wordt ook niet meer begrepen. Evenwel - de Heere geeft anderen die wel verstaan. Of het zou kunnen zijn dat we begeren dat wij verheerlijkt en aanbeden worden. De oude zuurdesem kan het deeg nog doortrekken. Ons ik wil domineren.

De zanger van Psalm 119 heeft metgezellen, vrienden waarmee hij hartelijk verbonden is. Wie dat zijn? Wel -twee dingen worden van hen gezegd. Zij zijn het die de Heere vrezen én die Gods bevelen onderhouden.

De vreze des Heeren gaat voorop, en daaruit vloeit voort, is er onlosmakelijk mee verbonden het onderhouden van Gods geboden. Die twee zijn niet te scheiden. We kunnen zeggen: ik voel mij thuis bij Gods volk; ik ga graag naar gezelschappen en ik hoor graag spreken over geestelijke zaken, waarlijk - zij zijn mijn hartevrienden. Echter - indien we niet leven naar het Goddelijk bevel dan spiegelen we onszelf iets moois voor, dan zijn we ten diepste geen vrienden.

De dichter vreest de Heere. Er is heilig, kinderlijk ontzag, eerbied, en dit geeft als vrucht het onderhouden van Gods bevelen. Die bevelen doen is zijn lust en vermaak geworden. Zo openbaart zich het werk van de Heilige Geest in het leven van een mens.

Allen in wier leven dat werk is, die zijn zijn metgezellen. Met die is hij verbonden, met die is hij één, is hij eensgeestes, die zijn zijn vrienden.

Wie zijn onze vrienden? Willen wij schipperen? Die oude vriendschap toch aanhouden? Laten wij de wereldse kennissen toch over de vloer blijven komen? Maar is dan voor u niet al hun gepraat hol, leeg, ijdel? U werpt tegen: ik kan een middel in Gods hand voor hen zijn. Ja maar als u gaat spreken omdat u spreken geleerd hebt, ik denk, dat de vriendschap spoedig verbroken wordt. Meedoen met de gesprekken die zonder wezenlijke inhoud zijn? Och wat kan het dan leeg zijn in mijn hart als ik mijn knieëbuig aan het einde van de dag!

Laten we veel denken aan dat woord van de Heere Jezus: wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig!

Ons antwoord op de vraag: wie zijn onze vrienden?, is beslissend voor nu en straks. Zalig, indien we met het hart zingen: ““Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van allen, die Uw naam ootmoedig vrezen, En leven naar Uw Goddelijk bevel.””

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1991

Bewaar het pand | 10 Pagina's

Het lied van de vreemdeling: IV. Zijn metgezellen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1991

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken