Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voor de jeugd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Nehemia 125

Daar was in de dagen van Nehemia veel te doen onder het volk. Dat heeft de geschiedenis, voor zover wij die overdacht hebben, wel geleerd. Het waren vooral de vrouwen die er een rol in speelden. Vrouwen kunnen heel lief zijn. Wie een goede vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden. Zo staat het ook in de bijbel. Vrouwen kunnen als een middel in Gods hand, mannen voor veel kwaad bewaren. Het wordt nogal eens gezegd van een man, als het met hem geheel verkeerd gegaan is: Had hij nu maar een goede vrouw gehad, dan had het zo ver niet gekomen. De vrouw is wel eens vergeleken bij het roer van een schip. Het kleine roer weet het schip te wenden, waarheen de begeerte van de stuurman het wil hebben. Het is in verband met de vrouwen natuurlijk maar een beeld. Doch het is wel een sprekend beeld. Dus, om te beginnen, van de vrouwen niet al te veel kwaad zeggen en nog minder denken. Want er zijn inderdaad goede, Godvrezende vrouwen. Lieve vrouwen, van wie de namen met eerbied in de bijbel staan opgetekend. In Spreuken 31:10-31 wordt met veel lof over de deugdzame huisvrouw gesproken. Ik kan dat hier niet gaan verhalen, want dan gaan we afdwalen. En dat wil ik niet. Het is echter wel de moeite waard om genoemd hoofdstuk eens na te lezen. Vroeger merkte prof. V.d. Schuit wel een op, in onze studententijd: “Vrienden, kijk uit wat voor een vrouw je neemt, want het is een engel of een duivel”.

Dat is wel heel zwart-wit gezegd. Toch geloof ik dat dit professorale woord nog waard is, om door onze jonge vrienden in acht genomen te worden.

Zijn er dus goede vrouwen, vrouwen kunnen ook heel gevaarlijk zijn. De bijbel laat ons daaromtrent niet in het onzekere. Adam werd door Eva verleid. Je kent de geschiedenis. Salomo, we hebben het de vorige keer over hem gehad, is door zijn vrouwen verleid geworden. Hij kwam door al die heidense vrouwen, mooie vrouwen, die hij lief had, tot hele lelijke dingen. Hij werd er door tot afgoderij verleid. En dat is op zichzelf al niet alleen een grote zonde, doch nog des te meer, daar afgodendienst in de bijbel staat opgetekend als geestelijke hoererij.

Omtrent het hebben van vreemde vrouwen is Nehemia, kras opgetreden. En nu staat er in vers 28: “Ook was er één van de kinderen van Jojada, de zoon van Eljasib de Hogepriester....”. Dat woordje “ook” is veelzeggend. Want het kwam onder het gewone volk veel voor. Doch daar bleef het niet bij. Het kwam ook voor in de priesterstand. En dan nog wel op een heel ergerlijke wijze. Dit leert ons, om te beginnen, dat zelfs iemand die in de dienst van God staat, nergens te goed voor is. Hij is een mens van gelijke beweging gelijk alle anderen.

Om het heel duidelijk te zeggen: Wat een gemeentelid kan overkomen, daar is een voorganger bij voorbaat niet van uitgesloten. Hij dient wel dubbel op te letten, omdat er op voorgangers nog meer gelet wordt, dan op gewone mensen, opdat de naam van God, in Wiens dienst zij zich bevinden, om hunnentwil niet gelasterd worde.

Er wordt in vers 28 over Eljasib de Hogepriester gesproken. We komen die naam ook tegen in Neh. 3:10. Daar wordt hij genoemd onder de bouwers van de muur. Die Eljasib is dus een man van eer en aanzien geweest, die ook wist zijn handen uit de mouwen te steken. Dat kan van alle voorgangers niet gezegd worden. Doch ter zake, omtrent Eljasib staat het met eer vermeld. Nu zijn er schriftverklaarders die menen, dat de hier genoemde Eljasib in die tijd overleden was. Dat is natuurlijk heel goed mogelijk. Want Nehemia heeft 12 jaren lang zijn reformatorische arbeid verricht. En in 12 jaren kan er veel gebeuren. Hogepriesters zijn tenslotte ook sterfelijk.

Aangenomen dat hij er niet meer geweest is, dan neemt men aan dat zijn zoon Jojada zijn plaats heeft ingenomen, en dus de Hogepriester was. Hoe ook, een zoon van deze Jojada was getrouwd met een dochter van Sanballat, de Horoniet. En wie dat geweest is, daar is in het verleden al het een en ander over gezegd. Hij was één van de grootste vijanden van Nehemia en van de wederopbouw van Jeruzalems muren. Hij was dus een vijand van God en Zijn volk. Hij moet in die tijd, volgens ongewijde schrijvers, Stadhouder geweest zijn van Samaria, de hoofdstad van het 10 stammenrijk. Het kan raar lopen in het leven. Zo is het nu. Zo was het toen ook. Een kleinzoon van Eljasib, een zoon van Jojada, de opvolger van Eljasib, getrouwd met de dochter van zo’n vijand. Erger is haast niet mogelijk. Het is ook lijnrecht in strijd met het woord van God, daar het priesters verboden was om met iemand te trouwen die niet tot het eigen volk behoorde. Lev. 21:6-16 zegt dat duidelijk. Hij had door zijn handelwijze het priesterschap ontheiligd, niet alleen vanwege het feit dat zij een vreemde vrouw was, doch nog te meer, omdat zij van zulk een bedenkelijke afkomst was.

Ontzag Nehemia het volk niet, deze priester heeft hij ook niet ontzien. Er werd, zo zou je het ook kunnen zeggen, niet alleen over tucht gesproken, doch er werd ook tucht geoefend. Deze zoon van Jojada schijnt ook nog geprotesteerd te hebben. Want tucht begint met vermanen. Hij had die vrouw zonder meer moeten verlaten. En daar hij dit niet schijnt gewild te hebben “jaagde ik hem van mij weg”. Zo staat het er heel eenvoudig. Hij werd weggejaagd: “Vooruit, weg jij!”

Hij werd dus uit zijn ambt ontzet. Hij werd in de ban gedaan.

Dat is natuurlijk geen kleine zaak. Niet alleen als dit gewone leden geldt, doch het spreekt nog meer wanneer het de “eersten van het volk” geldt. Want daar moet deze schoonzoon van Sanballat toch onder gerekend worden.

Flavius Josefus, een bekende joodse geschiedschrijver, weet te vertellen dat deze kleinzoon van Eljasib, Manasse heette. Na de ontzetting uit zijn ambt is hij, aldus Flavius Josefus, naar zijn schoonvader Sanballat gegaan, die voor hem een tempel heeft gebouwd op de berg Gerizim. Daar heeft hij zijn priesterambt onwettig en in strijd met Gods geboden voortgezet. Hij moet veel volgelingen hebben gehad. De Samaritaanse vrouw is er één van geweest. We komen haar tegen in Joh. 4, in gesprek met de Heere Jezus. Daar komt de vraag aan de orde waar men nu eigenlijk God moet aanbidden: Te Jeruzalem, zoals dit voorgeschreven was in het O.T.; of op de berg Gerizim, zoals de Samaritanen het hun volgelingen wilden doen geloven.

Wat het priesterschap van deze Manasse betreft, kunnen we het verhaal laten voor wat het is. Ónmogelijk is het niet. Het kwaad is niet gemakkelijk uit te roeien. Ongelijk wordt moeilijk erkend. Zeker als het kerkelijke personen betreft.

Want het komt ook nu nog voor, niet zelden zelfs, dat men om één of ander wangedrag uit het ambt wordt ontzet. Doch dan gaat men er een tempel naast bouwen. Met andere woorden, men sticht weer een nieuwe kerk, en presenteert zichzelf als de “ware”. En er zijn altijd weer mensen, die er vlot achteraan gaan, en er veel geld voor geven. Het worden nog bloeiende zaken. Je zoudt ze “Samaritanen nieuwe stijl” kunnen noemen.

Door het wegjagen van deze kleinzoon van Eljasib, die dus ook de schoonzoon van Sanballat de Horoniet is geweest, werd de priesterstand wel gezuiverd.

Gods dienst is een heilige dienst. En degenen die daar in werkzaam zijn moeten een schriftuurlijk, Gode welbehagelijk leven leiden.

Bij alles wat in het N.T. veranderd is, is dit principe toch gebleven. De voorschriften van het N.T. door Paulus beschreven, omtrent het gedrag van de ambtsdragers, liegen er niet om.

Ik zou dit artikel willen beëindigen met hetgeen Jezus tegen die Samaritaanse vrouw heeft gezegd.

Want op het terrein van het huwelijksleven had zij ook geen blank register. Gelukkig ging de deur van het koninkrijk Gods voor haar niet op het nachtslot. De Heere Jezus zeide tegen haar: “Vrouw, geloof Mij, de ure komt, wanneer gijlieden noch op dezen berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gijlieden aanbidt wat gij niet weet; wij aanbidden wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden; maar de ure komt en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbidden, God is een Geest en die Hem aanbidden moeten Hem aanbidden in geest en waarheid”, Joh. 4:21-24. Daar komt het tenslotte op aan. Wij leven nu in die ure. Waar je ook bent, en wie je ook bent. “Wie Hem aanroept in de nood; die vindt Zijn gunst oneindig groot!”

Ik zal nu maar zeggen D.V. tot zaterdag in Kampen. Ik hoop dat de “arena” vol wordt. Zie ons vorige stuk over Kampen. Ik kreeg daar een zeer meelevende reaktie op uit het noorden des lands. De hartelijke groeten van

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 21 augustus 1991

Bewaar het pand | 1 Pagina's

Voor de jeugd

Bekijk de hele uitgave van woensdag 21 augustus 1991

Bewaar het pand | 1 Pagina's

PDF Bekijken