Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het lied van de vreemdeling: V. Zijn getuigen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het lied van de vreemdeling: V. Zijn getuigen

5 minuten leestijd

“Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen”

De vreemdeling - de zanger van Psalm 119 - blijft niet in zijn woning, hij kruipt niet weg. Hij gaat naar buiten. In zijn lied zegt hij dat hij zal spreken.

De wedergeborene bidt en zingt dus niet alleen, hij spreekt ook. Hij verlaat zijn bidvertrek, de beslotenheid van zijn huis om te spreken daarbuiten.

Nu is het waar dat er onderscheid is tussen zeggen en doen. Er zijn veel goede voornemens die nooit volbracht worden. We zeggen weleens dat de weg naar de hel daarmee geplaveid is. Bij de dichter is dat anders.

Waar spreekt hij van? Van Gods getuigenissen. Dus van dat wat God gesproken en betuigd heeft. Dat is: geen andere góden voor Mijn aangezicht hebben, geen eigenwillige godsdienst bedrijven, Zijn Naam niet anders dan met eerbied gebruiken, de rustdag houden, alle gezag eerbiedigen, geen doodslag, geen wrok, geen haat, binnen en buiten het huwelijk rein leven, niet stelen, niet liegen, niet zondig begeren.

Hier is weer Gods profeet, die Gods Naam belijdt op alle terreinen van het leven. Zo lief heeft hij de Heere, en daarom zo liefheeft hij Gods geboden. Zijn leven is geworden een sprekend, een getuigend leven. Uit zijn mond klinkt het profetisch getuigenis: alzo heeft de Heere geboden, alzo staat er geschreven.

Nu ja, zegt u, tegenover een straatveger misschien, een die ver onder je staat.

Neen, neen, de dichter spreekt zelfs van koningen. Dat zijn zij die niet onder ons staan maar boven ons. Zij die niet aan ons onderworpen zijn maar wij aan hen. Die ons om zo te zeggen kunnen maken of breken.

U ziet hem staan voor de vorsten van het land, en u hoort hem spreken: Majesteit, de Heere onze God heeft ons geboden.... Wie Zijn geboden houdt, vindt daarin grote loon, maar de overtreders ervan zullen Gods geduchte wraak ervaren.

Is hier een soort supermacht? O neen - een mens als wij. Hij zegt: ik zal mij niet schamen. Dat betekent: hij zou zich kunnen schamen. Waarom schaamt hij zich dan niet? Wel - hij getuigt in de kracht Gods. Van zichzelf zwak van moed en klein van kracht. Vol mensenvrees. Doch al zijn moed en kracht en sterkte ontvangt hij van zijn God. Zo valt valse schaamte; zo verdwijnt mensenvrees. Wilt u het geheim helemaal weten? Wel - omdat hij zijn God meer liefheeft dan.... zichzelf. Hier is de vrucht van herstellende genade in het leven van een mensenkind dat door de val in Adam zichzelf zo mateloos liefheeft.

Zijn ook wij als de zanger van Psalm 119 sprekende, getuigende mensen geworden? Er is wat te spreken en te getuigen!

O neen - ik bedoel niet vanuit de hoogte. Dat leert Gods Geest wel af. Ik word de wetsovertreder. Ik word de voornaamste der zondaren. Ik heb al Gods geboden zwaar en menigmaal overtreden. Zo kan ik op de ander niet meer neerzien. Zo ga ik er vlak naast staan.

Zou ik kunnen zwijgen van die grote Wetsvolbrenger Jezus Christus? Van Hem Die alle gehoorzaamheid voor mij heeft volbracht? Zodat God mij aanziet alsof ik zelf Zijn heilige wet heb gehouden. Zou ik kunnen zwijgen van Hem Die vanwege Zijn onuitsprekelijke liefde de straf op de overtredingen van de wet heeft overgenomen? Van Hem Die het rechtvaardig oordeel op Zich heeft genomen om mij ervan te bevrijden? Van dat wonder, van dat eeuwige wonder kan ik niet zwijgen. Mij de grootste der zondaren is barmhartigheid geschied! Hoort toe wat God mij deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn ziel!

Spreken van die grote liefde, spreken van die Middelaar, die Borg en Zaligmaker. ‘t Kan niet anders. Eerder zullen de stenen spreken dan dat Gods kinderen, de begenadigden, zouden zwijgen. Ik herhaal: er is wat te spreken en te getuigen!

We keren terug tot de tekst. Die spreekt van Gods getuigenissen. Maar dan zeg ik weer: er is wat te spreken en te getuigen! In de gezinnen, in de kerk en daarbuiten. Wat worden Gods geboden met voeten getreden!

Vaders, moeders, opa’s en oma’s spreekt u? Ja maar - ik wil geen konflikt, geen ruzie. Straks komen mijn kinderen en kleinkinderen niet meer. Hebt u uzelf meer lief dan de Heere? Dat zou geen best teken zijn.

Ambtsdragers spreekt u? Dat samenwonen, die nijd, die twist, het nietheiligen van de rustdag, het zichonttrekken aan het ambtelijk opzicht, het goed-praten van allerlei zonden. U durft niet? Hebt u uzelf liever dan de Heere?

Rondom ons, op ons werk, op school, in heel ons vaderland. Wat een overtredingen van Gods heilige wet! Welk een wonder dat God nog niet ten gerichte is gekomen!

Spreken we, getuigen we? U zegt: ‘t heeft toch geen zin. Echter - wie vreemdeling is geworden die begint te leven naar Gods getuigenissen en begint te spreken van die getuigenissen.

Zelfs voor koningen!

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 21 augustus 1991

Bewaar het pand | 1 Pagina's

Het lied van de vreemdeling: V. Zijn getuigen

Bekijk de hele uitgave van woensdag 21 augustus 1991

Bewaar het pand | 1 Pagina's

PDF Bekijken