Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

John Owen over de “Inwonende zonde”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

John Owen over de “Inwonende zonde”

11 minuten leestijd

12.

In het vorige artikel hebben we gezien dat Owen sterk benadrukt dat de inwonende zonde een door en door bedrieglijk karakter heeft. Op allerlei slinkse manieren probeert zij Gods kinderen van het rechte spoor af te voeren. In nauwe aansluiting aan enkele woorden uit het begin van de brief van Jakobus laat Owen zien dat de bedrieglijkheid van de inwonende zonde meestal langs het volgende patroon te werk gaat: Allereerst probeert zij de menselijke geest te verleiden. Vervolgens zoekt ze het gevoelsleven zo te verstrikken, dat dit geheel onder haar invloed komt. Op die manier kan de zonde zich uiteindelijk ook in de wil nestelen. Dat betekent dat de wil wordt overgehaald om de zonde te gehoorzamen. Het gevolg is dat de hele levenswandel van de gelovigen in een verkeerde richting gebogen wordt. Als er door de genade van God geen verandering in deze toestand zou komen, zouden zij verblind op deze duistere weg blijven doorgaan. In dit artikel willen we vooral luisteren naar wat Owen te zeggen heeft over het eerste van deze drie aspecten, namelijk dat de inwonende zonde erop uit is om de menselijke geest te bedriegen.

De taak van de geest

In het vorige artikel is ons al opgevallen dat Owen aan de geest of het verstand een grote plaats toekent. Naar zijn overtuiging geeft de geest leiding aan ons hele innerlijke leven en zijn de wil en het gevoelsleven daaraan ondergeschikt. Onze geest vormt namelijk over allerlei dingen een oordeel, maakt keuzes en neemt beslissingen. Daarom wordt de geest wel het oog van de ziel genoemd: Zonder het licht dat door dit oog naar binnen valt en de juiste richting wijst zouden onze wil en onze gevoelens stuurloos rondzwalken in de donkere woestijn van dit leven. Het is dan ook de taak van de geest om voor het geestelijk welzijn van onze ziel te zorgen en ervoor te waken dat zij geen schade lijdt.

Op welke manier vervult de geest deze taak in het leven van Gods kinderen? Wel, zegt Owen, juist met onze verstandelijke vermogens dienen zij er voortdurend op toe te zien dat hun hele hart bereid is tot eer van God te leven en al Zijn geboden te gehoorzamen. Dat houdt tegelijk ook in dat zij vervuld dienen te zijn met waakzaamheid tegen alles wat tot de zonde verleidt en in het bijzonder tegen de zonde zelf.

De uitholling van het zondebesef

Precies op deze punten probeert de inwonende zonde het verstand te bedriegen. Zij doet dat vooral door het heldere, bijbelse zondebesef te vertroebelen en door verkeerde voorstellingen te geven van Gods goedheid en genade. We gaan nu eerst vrij uitvoerig in op de vertroebeling van het zondebesef. De verkeerde voorstellingen van Gods genade komen aan het slot van dit artikel aan de orde.

Owen begint met het grote belang van een grondig, bijbels zondebesef te onderstrepen. Hij is ervan overtuigd dat een dergelijk besef onlosmakelijk aan het ware geloof verbonden is en heilzaam is voor een gezond geestelijk leven. Wanneer wij namelijk inzien hoe verschrikkelijk het is tegen God te zondigen, vernedert dat ons en maakt het ons ootmoedig. En er is geen kleed dat ons, zondige mensen, beter past dan het kleed van de ootmoed (Vgl. 1 Petr. 5:5). Hoe we aan dit kleed komen en het bewaren? Op deze vraag antwoordt Owen: “Niet anders dan door een voortdurend en diep besef van het erge, het afschuwelijke en het gevaarlijke van de zonde”.

Zo’n oprecht zondebesef leert ons overigens niet alleen ootmoedig te zijn, het bewéért ook voor de zonde. In dit verband verwijst Owen naar een bekend gedeelte uit de geschiedenis van Jozef. Waarom bezweek hij niet voor de verleiding van de vrouw van Potifar? Was dat niet omdat hij diep doordrongen was van de ernst van deze zonde? Dat blijkt uit zijn eigen woorden: “Hoe zou ik zo’n groot kwaad doen, en zondigen tegen God!” (Gen. 39:9). Want als we beseffen hoe erg de zonde is, zullen we ook wijken van het kwade.

Tegen dit heilzame besef richt de inwonende zonde haar bedrieglijke aanvallen: “Zij spant zich in om de geest af te voeren van het diepe besef van het afschuwelijke, walgelijke en gevaarlijke van de zonde”. Op alle mogelijke manieren probeert zij ons wijs te maken dat het met de zonde eigenlijk wel meevalt; het is niet zo erg als we vroeger misschien dachten. Daarom moeten we er ook maar niet zoveel aandacht aan schenken en wat gemakkelijker gaan leven. En zo dreigt geleidelijk het besef weg te ebben wat de zonde nu eigenlijk is in de ogen van God!

Nu probeert de inwonende zonde op allerlei manieren dit doel te bereiken. Toch zijn het twee middelen waarvan zij zich bij voorkeur bedient. In de eerste plaats zoekt ze Gods kinderen te verleiden dat zij misbruik gaan maken van de genade van God. Vervolgens is zij erop uit het zondebesef beperkt te houden tot wat oppervlakkige gevoelens.

Goedkope gedachten van de genade

De Schrift leert heel duidelijk dat wij alleen door Gods genade van de ontzaglijke kwaal van de zonde verlost kunnen worden. Genade is Gods grote geneesmiddel. Maar die genade wordt wél geschonken met een bepaald doel: “Want de zaligmakende genade Gods is verschenen.... en onderwijst ons.... dat wij godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld” (Titus 2:11 en 12). Als God genadig ons de zonden vergeeft moet dat dus leiden tot een leven in de vreze des Heeren. Daar zet de inwonende zonde nu het breekijzer in: Zij maakt de genade goedkoop door haar los te maken van een heilig leven. Zij suggereert dat de vergeving van zonde betekent, dat we ons voortaan om de zonde helemaal niet meer behoeven te bekommeren. Dat is zoveel als Christus Zijn genade laten aanbieden en de duivel daaruit de conclusie laten trekken, zegt Owen heel scherp. Het gaat hier immers om dezelfde verzoeking waartegen Paulus zo heftig waarschuwde, toen hij schreef: “Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre!” (Rom. 6:1).

Hoe iemand tot deze verkeerde voorstelling komt? Wel, een kind van God is er diep van overtuigd, dat hij vanwege de zonde iets in hem woont steeds weer genade nodig heeft. Maar wanneer hij telkens weer de toevlucht neemt tot de Heere om barmhartigheid te verkrijgen, kan er, zo zegt Owen, een zekere gewenning optreden. De genade lijkt niet zo kostbaar meer als vroeger. De glans is eraf en het wonder is eruit verdwenen! De oorzaak kan ook ergens anders liggen: We kunnen al te gemakkelijk een beroep doen op de genade en de vergeving van zonden. Zeker, God wfl de zonde van de Zijnen genadig vergeven. Maar laten we ervoor oppassen, als de inwonende zonde ons deze evangelieboodschap influistert....! Want zij zal dat altijd doen met de bedoeling ons tot de zonde aan te zetten, of om de zonde te vergoelijken. En dan wordt de balsem van het evangelie vermengd met vergif en dat kan niet anders dan schadelijk zijn. Deze oppervlakkige opvatting over de genade van God kan tenslotte ook voortkomen uit een verkeerd gebruik van de christelijke vrijheid. Deze vrijheid is immers niet hetzelfde als volslagen ongebondenheid of wetteloosheid. Mensen die dat denken geven naar Owens mening de christelijke vrijheid veel meer ruimte dan de Heere doet in Zijn Woord. Want daar betekent vrijheid toch óók gebondenheid aan Zijn heilige wet. Dat laatste beschouwen de “vrijheidsdrijvers” als een wettisch juk dat voor de ware gelovigen overbodig geworden zou zijn. Daarom waarschuwt Owen ertegen, dat waar de zonde pleit voor meer ruimte en zegt dat een ernstig en nauwgezet leven naar de geboden niet nodig is, de genade van God verduisterd wordt!

Als we een zuivere, bijbelse opvatting hebben over de genade van God, dan zullen we nooit lichtvaardig over de zonde denken. We zullen dan juist een voortdurende afkeer van de zonde hebben en ons erover verootmoedigen. Dit is volgens Owen de toetssteen, of we echt genade ontvangen hebben en werkelijk delen in het licht van het evangelie:


“Als het een voortdurend besef van zonde met zich meebrengt en ons hart om die reden nederig, ootmoedig en verbroken houdt -Als het ons leert de vergeving die we uit genade ontvingen met tranen nat te maken en onze zonden te verfoeien ook al zijn ze vergeven - Als het ons leert scherp op onze hoede te zijn voor de verwoestende kracht van de boze, terwijl we er toch zeker van zijn dat hij ons nooit te gronde zal richten, - Dót komt van God, van boven en van de Geest der genade. Maar als het de mensen in stilte en haast onmerkbaar los en oppervlakkig maakt in hun gedachten over de zonde, dan is het onecht, ik-gericht en vals”.


Drijven op het gevoel

Nu zijn het niet alleen goedkope opvattingen over de genade waardoor het zondebesef oppervlakkig blijft. Het krijgt ook geen diepte wanneer het alleen in onze gevoelens blijft steken. Naar Owens overtuiging ontstaat het besef van zonde namelijk meestal in onze gevoelens. We ervaren dan heel nadrukkelijk, dat we de Heere hebben vertoornd en Hem verdriet hebben aangedaan. Dat kan met diepe emoties gepaard gaan. Uiteraard wil Owen daar geen kwaad woord van zeggen. Alleen legt hij er wel de vinger bij dat ons gevoelsleven sterk aan veranderingen onderhevig is. Zelfs intense emoties kunnen opdrogen. Heel duidelijk is dat te zien bij mensen die een tijd lang diep overtuigd lijken te zijn van hun zonde. Hoeveel verdriet kunnen zij niet hebben over het kwade dat zij deden. Ze nemen zich ook in alle eerst voor om anders te gaan leven. Toch komt het nooit verder dan deze gevoelens die uiteindelijk weer verdwijnen. Daarom is het van grote betekenis dat het zondebesef niet in het gevoel blijft steken, maar zó verdiept wordt dat ook het verstand, de wil, ja heel het hart erbij betrokken zijn. Nu is juist op dit punt de inwonende zonde erop uit om kwaad te stichten. Zij probeert Gods kinderen wijs te maken dat het niet nodig is om ook het verstand en het hart te oefenen in een grondig besef van zonde. Het is genoeg als zij hun zonden “voelen”. Maar wanneer die gevoelens opdrogen, is het gevaar levensgroot dat zij hard, ongevoelig en hoogmoedig worden. De reden? Hun zondebesef kreeg niet genoeg diepte; het bleef teveel steken aan de oppervlakte van hun gevoelsleven en legde niet genoeg beslag op het binnenste van hun hart.

Genade duldt geen mededingers

Tot nu toe ging het eigenlijk alleen nog maar over de wijze waarop de inwonende zonde het verstand bedriegt door het zondebesef te vertroebelen. Zij kan het verstand echter ook verstrikken door verkeerde voorstellingen op te roepen van de goedheid en de genade van God. Owen gaat daar maar kort op in. Terloops heeft hij daar immers al het één en ander over gezegd, met name toen het ging over de goedkope opvattingen die wij kunnen hebben van de genade. Waar hij nu nog apart op wijst is het feit dat de genade het hele hart opeist.

Zij duldt het niet dat wij God dienen én de wereld! Niemand kan immers twee heren dienen? Ook hier verzet de inwonende zonde zich tegen de genade en probeert onze geest te verleiden door aandacht te vragen voor vele andere dingen. Dat behoeft niet direkt iets zondigs te zijn; Het kunnen ook dingen zijn die te maken hebben met onze plaats en taak in het leven van alle dag. Nu is het duidelijk dat wij aan ons werk alle aandacht dienen te geven. Maar tegelijkertijd is het gevaar levensgroot dat de zorgen van dit leven ons zo in beslag nemen dat het ons hart afvoert van de Heere en van Zijn dienst. Dan worden al die zorgen en bezigheden krachtige mededingers van de genade! Indringend waarschuwt Owen hiertegen en wijst erop dat de gelijkenis van de koninklijke bruiloft laat zien dat velen de uitnodiging afwezen niet zozeer vanwege een bepaalde zonde, maar omdat ze té druk waren met de belangrijke en minder belangrijke dingen van dit leven. Dat duldt de genade niet. Zij wil heersen in heel het hart. En daarom is waakzaamheid geboden.

Wanneer we dit alles overwegen, blijft de vraag wel dringen: Hoe kunnen we onze geest beschermen voor deze listige verleidingen van de inwonende zonde; Is het mogelijk om ons hele hart zo volkomen te richten op de genade van God? Ook over deze dingen heeft Owen heel wat te zeggen. Dat moet echter blijven liggen tot een volgend artikel.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1991

Bewaar het pand | 10 Pagina's

John Owen over de “Inwonende zonde”

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1991

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken