Bekijk het origineel

Het lied van de vreemdeling XII. Zijn verdrukking

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het lied van de vreemdeling XII. Zijn verdrukking

5 minuten leestijd

“Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik”

Wie door het wonder van boven vreemdeling hier beneden is geworden, zal al meer vreemdeling worden. Men kan roemen in zijn geloof, in zijn bekering, in de zaligheid die aanstaande is, terwijl men vreemdeling is van de beoefening van het vreemdelingschap. De Heere leert het om al meer vreemdeling hier en nu te worden. Daar zijn de wijze lessen van de Heere voor nodig. Door scha en schande heen. Waarlijk - het vreemdelingschap wordt niet op één dag geleerd. Daar is heel het leven voor nodig. Gods kinderen zijn nog niet gearriveerd. Dat is straks als ze thuis, in het vaderland zullen komen. Dan leggen zij het vreemdelingschap af.

In het lied van de vreemdeling wordt ook gesproken van dwalen. “Ik dwaalde”, zo horen we de dichter van Psalm 119 zeggen.

Dwalen doet iedereen. Ik citeer een tekst uit Jesaja 53: “wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg”. Dwalende schapen dat is ons aller beeld. Daarmee wordt de gevaarlijke situatie, waarin we ons bevinden, getekend. Er zijn de ravijnen; er zijn de dalen van de schaduw des doods; er is ‘t wild gedierte dat niets in ‘t woên ontziet. Schapen kunnen niet op zichzelf passen. Ze zijn zo eigenwijs. Bovendien - ze missen de kracht om zich te verweren; ze zijn weerloos. Daarom - dwalende schapen verkeren waarlijk in doodsgevaar.

Nu kunt u denken: wie schaap geworden is van de goede Herder, die dwaalt nooit meer af. U denkt verkeerd. Was het maar waar dat ze nooit meer afdwalen. De ondervinding van de psalmist is anders. Hij was weer weggedwaald.

Het woord dat weergegeven wordt met dwalen, bedoelt aan te geven onopzettelijke zonde, zonde die bedreven wordt uit onkunde, uit onwetendheid. De dichter bedoelt niet met het gebruik van dat woord zijn zonde, zijn afdwalen te vergoelijken. Hij spreekt ermee uit hoe onkundig en onwetend hij nog is. Hij kan zonde doen, terwijl hij niet weet dat het zonde is.

Er zijn kerkmensen die het precies weten wat zonde is en wat het niet is. We horen hen spreken: o dat mag best, dat is geen zonde, ja vroeger zag men dat als zonde, maar wij zijn niet ouderwets, we leven nu in onze tijd. Dat zijn mensen die Gods geboden verengen, terwijl Gods gebod zeer wijd is. Er liggen op het terrein van de zonde zoveel voetangels en klemmen. Wie waarlijk vreemdeling is, leert dat zien. Die wordt beducht voor de listen van satan en voor de zondige aard die er nog altijd is.

‘t Kan zo maar weer zijn de Herder verlaten, het dwaalspoor opgegaan. Laat de Heere Zijn kind op het dwaalspoor gaan? O neen! Hoor maar wat de dichter zegt: “ik werd verdrukt”. Dus de verdrukking was niet zo maar. Die stond in verband met zijn afdwalen. Omdat hij was afgedoold daarom was de Heere gekomen met verdrukking.

Wat die verdrukking geweest is wordt niet gezegd. Dat is ook niet zo belangrijk. De Heere heeft Zijn middelen om terug te brengen. Zes zaken vallen op. Ze zijn voor ons uitermate belangrijk.

Allereerst: God weet het juiste middel te hanteren om van de afdwaling te genezen.

Ten tweede: het weten van de dichter dat de verdrukking geen toeval was, maar vanwege zijn afdwalen. Hij heeft gezien het verband tussen oorzaak en gevolg.

Ten derde: het noemen van Gods gerichten over hem als rechtvaardig. Geen opstand, geen verwijten, geen waaroms (vers 75a).

Ten vierde: het buigen onder de roede, zelfs het kussen van de roede, ‘t Is mij goed verdrukt te zijn geweest (vers 71).

Ten vijfde: de dichter ziet zijn verdrukking niet als straf op zijn afdwalen, maar enkel als liefdekastijding om weder te brengen.

Ten zesde: hij weet dat de Heere hem uit getrouwheid verdrukt heeft (vers 75b).Nu denk ik eerst aan onbe-keerden. Zou de Heere u zo maar laten gaan het eeuwig verderf tegemoet? Hij laat de storm opsteken in uw leven. Er komt moeite, lijden, verdrukking. Met als enig doel dat u zoudt wederkeren tot Hem. Wat is het erg als we door de slaande hand van de Heere niet heen-getuchtigd worden tot Hem. Misschien zit u midden in de verdrukking. O dat we nu verstaan Gods bedoeling. Een iegelijk zoon, die Hij aanneemt, geselt Hij; een ieder die Hij liefheeft, kastijdt Hij. Opdat vreemdelingen genezen zouden worden van hun afdwalen. Hij, de Heere, verdrukt uit getrouwheid. Vanwege Zijn trouw verdrukt, opdat vreemdelingen thuiskomen. In het vaderland zijn geen verdrukkingen meer nodig, omdat daar geen afdwalen meer is. Nog één zaak. Soms wordt gezegd: de dichter zei pas na de druk: ‘t is goed voor mij verdrukt te zijn geweest, niet toen hij er middenin zat. U hebt gelijk. Maar ik zeg u: de Heere kan het ook zo wonderlijk goed maken in de druk. Dan: wanneer ik mag zien op Jezus Christus, Die voor mij in de grootste verdrukking is geweest!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1991

Bewaar het pand | 10 Pagina's

Het lied van de vreemdeling XII. Zijn verdrukking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1991

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken