Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Oudvaders ten onrechte van chiliasme beticht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Oudvaders ten onrechte van chiliasme beticht

7 minuten leestijd

3.

Het algemeen gevoelen van de kerk in de 17e eeuw

Daar de oudvaders deel uitmaakten van de kerk, in de kerk stonden, in de kerk mochten arbeiden, hun geschriften in de kerk lieten uitgaan, is het een goede zaak na te gaan wat nu eigenlijk het gevoelen was van de kerk in de 17e eeuw aangaande het chiliasme. Als hiernaast het gevoelen wordt gelegd van de mannen van de Nadere Reformatie en het gevoelen van de chiliasten en het blijkt dat de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie dichter staan bij het algemene gevoelen der kerk uit hun tijd dan bij het gevoelen van de chiliasten uit hun tijd, is daarmee aangetoond dat de oudvaders ten onrechte van chiliasme beticht worden.

I. De belijdenisgeschriften. Om het standpunt ten aanzien van de kerk in de 17e eeuw ten aanzien van het chiliasme te leren kennen is het een goede zaak na te gaan wat de belijdenisgeschriften zeggen. Hoewel het chiliasme van tijd tot tijd de kop opstak, heeft de kerk zich in haar belijdenisgeschriften altijd ervan gedistantieerd. In de apostolische geloofsbelijdenis, in de geloofsbelijdenis van Nicea en ook in die van Athanasius, treffen wij geen bewoordingen aan die ruimte geven aan het chiliasme. Terzijde merken wij op dat in de europese belijdenisgeschriften van de kerk in de 16e en in de 17e eeuw geen ruimte wordt gelaten voor het chiliasme wanneer er over de toekomstverwachting wordt gesproken. Wel komen we de bestrijding van het chiliasme in deze belijdenisgeschriften tegen.

Wat de Nederlandse kerk betreft valt te denken aan de Heidelberger Catechismus. In zondag 19 wordt geschreven over de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en dedoden. Er is hier geen aanleiding om tedenken aan twee wederkomsten. Dewederkomst wordt verwacht “in alledroefenis en vervolging”. De kerk zalin de wereld verdrukking hebben, tot inde eindtijd toe.

Er wordt duidelijk over een wederkomst geschreven. We denken ook aan zondag 22 waar het gaat over de opstanding des vieses. Ook hier sprake van één opstanding en geen twee opstandingen. In art. 37 van de Ned. Geloofsbelijdenis wordt geschreven over het laatste oordeel. In dat verband wordt gesteld dat de tijd van dit laatste oordeel alle creaturen onbekend is. Het valt dus niet te berekenen. Er is een algemeen zich afzetten tegen het gevoelen van de Wederdopers, die het Koninkrijk Gods op aarde gestalte wilden geven.

II. De kanttekeningen. Niet alleen de belijdenisgeschriften zijn nuttig om het standpunt van de kerk in de 17e eeuw te leren kennen aangaande het chiliasme, het is ook een goede zak de kanttekeningen op de Statenvertaling dienaangaande te raadplegen.

De kanttekeningen op het Oude Testament geven bij de profetische geschriften allereerst een letterlijke verklaring, door de kanttekeningen “lichamelijk” genoemd, die betrekking heeft op de situatie waarin Israel zich toen bevond. In de nabije toekomst zou de terugkeer uit de ballingschap plaatsvinden. Maar men blijft zelden bij deze verklaring staan. Daarna wordt de betekenis voor de verdere toekomst aangeduid. Soms hoort men er oog voor te hebben dat er ook in de toekomst beloften liggen voor de Joden en verwacht een bekering “met hopen: of “in menigte”. Bijna altijd betrekt men de beloften, gelijk ook de evangelisten en apostelen doen, op de gehele Nieuw-Testamentische kerk, bestaande uit Joden en heidenen. In het algemeen gesproken dus niet een onmiddellijk vergeestelijken van de profetieën. Ook deze beschuldiging wordt weleens geuit, zonder dat dit uitvoerig en grondig is onderzocht. Er wordt in het algemeen niet voorbijgegaan aan de betekenis voor het Joodse volk in de tijd van de profeet en ook in de toekomst. Vervolgens wordt doorgaans de aandacht gericht op de Nieuw-Testamentische bedoeling, waarbij Joden en heidenen in een kerk verenigd zullen worden. Er valt bijvoorbeeld te denken aan kantt. 71 op Daniël 9:24.

Daar lezen we ondermeer: “... Wanneer niet alleen de Joden maar ook Zijn ganse volk uit de macht des duivels en der eeuwige verdoemenis door de Messias zal verlost worden”.

Wat de kanttekeningen op het Nieuwe Testament betreft vinden wij herhaaldelijk dat de eerste, de letterlijke of schaduwachtige betekenis voorbij is en blijken de Oud-Testamentische beloften ook geestelijke betekenis te hebben voor de kerk. Zo wordt de belofte van Jeremia 31:31-34 in Hebr. 8:8-11 zonder meer toegepast op de Nieuw-Testamentische gemeente. De vergeestelijking van de beloften en hun toepassing op de christelijke gemeente is niet het werk van de vertalers, maar van de Bijbelschrijvers zelf.

Na onderzoek van de kanttekeningen concludeert Meeuse op blz. 33: “Samenvattend kunnen we dus opmerken, dat duidelijk een bekering van veel Joden wordt verwacht, maar geen nationale bekering”.

Ook de kanttekeningen bij het boek Openbaringen krijgen aandacht van Meeuse. In kantt. 4 op Openb. 6:2 lezen wij duidelijk dat de kerk altijd zwarigheden en vertroostingen zal ondervinden. In de kanttekeningen op het boek Openbaringen vinden wij ook terug dat het rijk van de antichrist niet eerder te niet gedaan zal worden dan bij de komst van Christus ten oordeel. Het is opmerkelijk dat de duizend jaren van Openbaring 20 door de kanttekenaren historisch worden verklaard. De voorkeur gaat uit naar een letterlijk nemen van het getal duizend. Er wordt wel ruimte gelaten voor een bloeitijd voor de kerk onder de vierde fiool.

III. Vooraanstaande theologen. Het is ook goed erbij stil te staan dat vooraanstaande theologen uit de 17e eeuw het chiliasme veroordeeld hebben. Ook daaruit leren wij het gevoelen van de kerk van de 17e eeuw kennen. Fran- ciscus Junius, hoogleraar in Leiden omstreeks 1600, is dezelfde opvattingen als de kanttekenaren toegedaan. Hij stelt dat de kerk uit Joden en heidenen verzameld wordt.

In het handboek van de dogmatiek waaruit in de 17e eeuw werd onderwezen (de Synopsis Purioris The- ologiae van 1624) wordt geen enkele ruimte gelaten voor het chiliasme. Andreas Rivetus, die het hoofdstuk “Over de opstanding des vieses en het laatste oordeel” schreef, geeft geen ruimte aan chiliastische gevoelens. Antonius Walaeus, die ook bij het werk van de Statenvertaling betrokken was, en die het hoofdstuk “Over Eeuwig leven en dood en de voleinding der wereld” heeft geschreven, laat de chiliastische gevoelens in het handboek voor de dogmatiek rusten.

Ook Voetius bestreed het chiliasme.

Op blz. 40 concludeert Meeuse aangaande de bestrijders van het chiliasme: “Samenvattend kunnen we van de bestrijders zeggen, dat zij verwierpen:

1. een toekomstig duizendjarig vrederijk waarin geen kruis of vervolging van de kerk zou zijn;

2. een eerste wederkomst en eerste opstanding lang voor het eindoordeel;

3. de beloften van God te beperken tot het volk der Joden en

4. het beperken van de heerschappij van Christus tot een bepaalde duizendjarige kerkstaat op aarde.

Ze geloofden wel in de mogelijkheid dat

1. er een massale bekering van de Joden zou komen, hoewel niet van allen;

2. dat daar een zekere bloeitijd voor de kerk (uit Joden en heidenen) mee gepaard zou gaan, hoewel nooit zonder kruis en vervolging;

3. ze stelden het duizendjarige rijk in het verleden en namen het getal letterlijk.

Deze opvattingen stemmen overeen met wat wij bij de Statenvertalers vonden.”

Dus de bestrijders van het chiliasme in de 17e eeuw verwachtten zelf ook een bloeitijd voor de kerk met een massale bekering onder het Joodse volk. Ook de Statenvertalers lieten ruimte voor deze opvatting. Deze opvatting komt niet in strijd met de belijdenis van de kerk.

Gezien al het bovenstaande is het onjuist het standpunt van de Nadere Reformatie gelijk te stellen met de opvattingen van de “eigenlijke chiliasten”.

Het is een feit dat er binnen de kerk alsook buiten de kerk sprake was van een optimistische toekomstverwachting.

Maar deze twee groepen vormen geen eenheid. Het is niet een beweging geweest. De vertegen-woordigers van de Nadere Reformatie mogen niet op een lijn gesteld worden met de “eigenlijke chiliasten”.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1992

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Oudvaders ten onrechte van chiliasme beticht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1992

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken