Bekijk het origineel

Nederlandse Geloofsbelijdenis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nederlandse Geloofsbelijdenis

14 minuten leestijd

31.

Het geloof geen verdienste

Op een bijzondere wijze heeft artikel 22 tot nu toe de rechtvaardigmaking door het geloof vertolkt. We zijn er al twee keer mee bezig geweest. Geen grond tot vrijspraak bij het gericht van God is er in iets van de mens, zelfs niet in iets van de vrome christen. De werken der liefde, die vrucht zijn van de gemeenschap met Christus, kunnen geen voldoening brengen om voor God te bestaan. Het is alles door de verdienste van Christus. Het is alleen door het geloof. Alle eigen room wordt afgesneden. Gerechtvaardigd door het geloof zonder de werken der Wet! Dat was het laatste, dat we de vorige keer in onze belijdenis hoorden getuigen.

Zouden we niet verwachten dat er nu een punt gezet kan worden achter de belijdenis van de enige grond van de rechtvaardigmaking? Nu is er wel genoeg gezegd! Tóch., artikel 22 gaat nog door. We voelen daarin de drang om alles af te snijden wat ook maar enigszins het belijden van die enige grond ondermijnt.

Het geloof sprak in de verhouding tot de rechtvaardigmaking. Nu dreigt het gevaar, dat dit geloof als een verdienste gezien of genomen wordt. We kunnen het nog anders zeggen: dat het geloof als een soort prestatie wordt beschouwd, die tegenover Gods gericht in rekening gebracht kan worden.

Het gaat hier niet om een denkbeeldig gevaar. Het was er in de tijd der reformatie in de Roomse boeteleer- en praktijk. Het kwam na de opstelling van de Nederlandse Geloofsbelijdenis in de Remonstrantse beschouwing, dat de door Christus verworven zaligheid “in zich” de voorwaarde van het geloof heeft. Het hangt van de mens af of hij zalig wordt. Die geloven onderscheiden zich als beter en heiliger. We kunnen ook wel zeggen dat het geloof vandaag door velen zo gezien en gepreekt wordt: de prestatie, die van ons gevraagd wordt tegenóver de verdienste van Christus.

We kunnen daarom dankbaar zijn als het slot van artikel 22 daarvan spreekt: “Doch wij verstaan niet, dat het, om eigenlijk te spreken, het geloof zelf is, dat ons rechtvaardigt; maar het is maar een instrument, waarmee wij Christus, onze rechtvaardigheid, omhelzen. Maar Jezus Christus, ons toerekenende al Zijn verdiensten en zoveel heilige werken, die Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan, is onze rechtvaardigheid; en het geloof is een instrument, dat ons met Hem in de gemeenschap van al Zijn goederen houdt, dewelke de onze geworden zijnde, ons meer dan genoegzaam zijn tot onze vrijspreking van onze zonden”.

Het is weer een rijk gedeelte, dat onze overweging meer dan waard is!

De waarde niet ontkend

Laten we niet denken, dat dit gedeelte de waarde van het geloof niet zouerkennen. Een uitdrukking als dat hetgeloof “maar een instrument” is, zouwellicht sommigen tot die gedachtekunnen brengen. Daar wordt echter dewaardigheid van het geloof tegenoverGod in het gericht ontkend, maar nietde waarde, die God Zelf in Zijn eigenWoord het geloof toekent! Lezen weniet in de 2de brief van Petrus van het“even dierbaar geloof’? Dan gaat hetover het ware geloof, dat kostbaar,waardevol, genoemd wordt omdat hetdeel geeft aan de behoudenis in Christus, aan de eeuwige zaligheid.

Heel Gods Woord spreekt niet alleen van de zaligheid, die God heeft uitgedacht, maar ook van het ware geloofals de weg, waarlangs die zaligheid hetdeel wordt van arme zondaren. Hoewordt bijv. de kracht van dat geloofgetekend in het leven van Abraham,hoe grote wonderen heeft God niet ophet geloof willen schenken. De HeereJezus Christus laat telkens de grotebetekenis, de onmisbaarheid van datgeloof uitkomen. “En die in Hemgelooft, wordt niet veroordeeld, maardie niet gelooft is alrede veroordeeld”. Tot Zijn discipelen zegt Hij: ‘Tndien gijeen geloof hadt als een mosterdzaad,gij zoudt tot deze berg zeggen: ga heenvan hier herwaarts en hij zal heengaanen niets zal u onmogelijk zijn..”. Tot devrouw, die van de vloed van het bloedgenezen was: “dochter uw geloof heeftu behouden, ga heen in vrede en zijtgenezen van deze kwaal..”. Het is nietmoeilijk om het aantal voorbeelden,die de waarde van het ware geloof uitlaten komen, met velen uit te breiden. Onze belijdenis zou trouwens integenspraak met zichzelf komen als hetook maar iets af zou doen van dewaarde van het geloof. We hebben hetal aan het begin van dit artikel gehoord,dat door het oprecht geloof, dat deHeilige Geest werkt, de kennis van deverborgenheid der verlossing verkregen wordt. In dit opzicht spreekt deNederlandse Geloofsbelijdenis nietanders dan de Heidelbergse Catechismus in Zondag 7 vr. en ant. 20,waar dit geloof als de beslissende zaakbeleden wordt voor het al-of-niet zaligworden. Alleen degenen “die Hem dooreen waar geloof worden ingelijfd en alZijn weldaden aannemen” wordenzalig.

Het oprechte geloof onmisbaar tot de zaligheid! Niettemin ligt er in hetgeloof geen grond om voor God en Zijngericht te bestaan. Het geloof is nietverdienstelijk. Daar gaat het hier om. Dan zou aan het geloof toegekendworden, wat alleen aan Christus toebehoort. Dan zou het werk en de verdienste van de enige Zaligmaker verdonkerd worden.

Instrument

Tot 2 maal toe wordt hier het ware geloof instrument genoemd. Het geloofrechtvaardigt niet in de “eigenlijke”zin; het is instrument, waarmee“Christus, onze rechtvaardigheid,omhelsd wordt” en dat “ons met Hemin de gemeenschap met al Zijn goederen houdt”.

De uitdrukking “instrument” als aanduiding van het persoonlijke geloof heeft bij sommigen vragen opgeroepen. We zullen dit in de eenvoudige zinmoeten verstaan. Het gaat erom tebelijden dat het geloof, als het gaat omde grond van de rechtvaardigmaking,niet anders dan middel is. Zo wil onzebelijdenis alle gedachten afsnijden aanhet geloof als een deugd, een werk, eenprestatie die meetelt in het gericht voorGod.

Wie dit gedeelte goed leest en verstaat, ontdekt hier vooral dat het in strijd ismet de aard van het levend geloof omaan dat geloof enige waardigheidtegenover Gods gericht toe te kennen. Het is de natuur van het geloof, dat hetChristus omhelst als de gerechtigheid,die voor God kan bestaan. In Hemalleen ligt de schat, die de ontdektezondaar nodig heeft. Hier gelden dewoorden van Luther, die zoveel strijdgekend heeft eer hij tot het volle lichtvan de gerechtigheid in Christus doorWoord en Geest gebracht werd: “Hetgeloof rechtvaardigt dus, omdat hetdeze schat nml. Christus aangrijpt enbezit. Christus door het geloof gegrepen en in het hart wonend, is de Christelijke gerechtigheid, waarom God onsrechtvaardig rekent en het eeuwigeleven schenkt”. En hier mag ik ookaanhalen wat de bekende verklaringvan Amoldus Rotterdam schrijft: “ishet geloof nu alleen een middel vanonze vereniging met Christus, ‘t geenons deel doet hebben aan al Zijn verdiensten, dan volgt dat ons geloof degrond of oorzaak van onze rechtvaardigheid voor God niet kan zijn”. Het strijdt dus duidelijk tegen hetgeloof zélf om er enige waardigheidaan te verbinden. Het geloof wordt ookwel vergeleken bij de ledige hand vaneen bedelaar. Als nu die bedelaar inzijn ledige hand een grote gift van eenrijk man krijgt, zal hij zich dan beroemen op die hand? Het antwoord zaleenvoudig zijn: hij zal zich verblijdenin de grote som, die hij ontvangen heeften de gever roemen, van wie hij hetheeft gekregen.

En dan: komt dit niet uit in het leven van ieder, die de beoefening van hetware geloof in dit opzicht kent? Wie inwaarheid doorleeft niet in Gods gerichtte kunnen bestaan en door eengeschonken geloof in Christus de enigegerechtigheid ten leven omhelzen mag:zal die dus roemen in zijn gelóóf? Devraag stellen is hier het antwoordgeven: er blijft maar één ding over nml.het wonder dat God in Christusgerechtigheid tegen de schuld heeftbereid!

... al Zijn verdiensten en zoveel heilige werken....

Het zal goed zijn nog even op een bepaalde manier van uitdrukken teletten aan het eind van artikel 22. Hetgaat om de omschrijving van degehoorzaamheid van Christus, waardoor Hij de rechtvaardigheid van deZijnen is. Er wordt dan niet alleen vande verdiensten van Christus gesproken,maar van “al Zijn verdiensten en zoveelheilige werken, die Hij voor ons en inonze plaats heeft gedaan..”.

Er is veel strijd geweest over de woorden: “en zoveel heilige werken”. We gaan daar niet breed op in. Het isgenoeg te weten, dat meerderen dezewoorden liever weggelaten zagen. Hetzou genoeg zijn als er staat: “al Zijnverdiensten”. Het is echter een goedezaak, dat deze woorden tot de dag vanvandaag zijn blijven staan.

Laten we niet denken dat het hier alleen om een woordenspel gaat. Hier komtde gehoorzaamheid van Christus in devolle zin uit. Zijn lijdelijke gehoorzaamheid in het dragen van de straf, devloek der Wet, zoals die uitgekomen isin zijn bitter lijden en sterven. Zijndadelijke gehoorzaamheid in het voldoen van de eisen der Wet.

Die gehoorzaamheid in de volle zin

onze rechtvaardigheid, omhelzen. Maar Jezus Christus, ons toerekenendeal Zijn verdiensten en zoveel heiligewerken, die Hij voor ons en in onzeplaats heeft gedaan, is onze rechtvaardigheid; en het geloof is eeninstrument, dat ons met Hem in degemeenschap van al Zijn goederenhoudt, dewelke de onze gewordenzijnde, ons meer dan genoegzaam zijntot onze vrijspreking van onzezonden”.

Het is weer een rijk gedeelte, dat onze overweging meer dan waard is!

De waarde niet ontkend

Laten we niet denken, dat dit gedeelte de waarde van het geloof niet zou erkennen. Een uitdrukking als dat het geloof “maar een instrument” is, zou wellicht sommigen tot die gedachte kunnen brengen. Daar wordt echter de waardigheid van het geloof tegenover God in het gericht ontkend, maar niet de waarde, die God Zelf in Zijn eigen Woord het geloof toekent! Lezen we niet in de 2de brief van Petrus van het “even dierbaar geloof’? Dan gaat het over het ware geloof, dat kostbaar, waarde vol, genoemd wordt omdat het deel geeft aan de behoudenis in Christus, aan de eeuwige zaligheid.

Heel Gods Woord spreekt niet alleen van de zaligheid, die God heeft uitgedacht, maar ook van het ware geloof als de weg, waarlangs die zaligheid het deel wordt van arme zondaren. Hoe wordt bijv. de kracht van dat geloof getekend in het leven van Abraham, hoe grote wonderen heeft God niet op het geloof willen schenken. De Heere Jezus Christus laat telkens de grote betekenis, de onmisbaarheid van dat geloof uitkomen. “En die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft is alrede veroordeeld”. Tot Zijn discipelen zegt Hij: ‘Tndien gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot deze berg zeggen: ga heen van hier herwaarts en hij zal heengaan en niets zal u onmogelijk zijn..”. Tot de vrouw, die van de vloed van het bloed genezen was: “dochter uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede en zijt genezen van deze kwaal..”. Het is niet moeilijk om het aantal voorbeelden, die de waarde van het ware geloof uit laten komen, met velen uit te breiden.

Onze belijdenis zou trouwens in tegenspraak met zichzelf komen als het ook maar iets af zou doen van de waarde van het geloof. We hebben het al aan het begin van dit artikel gehoord, dat door het oprecht geloof, dat de Heilige Geest werkt, de kennis van de verborgenheid der verlossing verkregen wordt. In dit opzicht spreekt de Nederlandse Geloofsbelijdenis niet anders dan de Heidelbergse Catechismus in Zondag 7 vr. en ant. 20, waar dit geloof als de beslissende zaak beleden wordt voor het al-of-niet zalig worden. Alleen degenen “die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen” worden zalig.

Het oprechte geloof onmisbaar tot de zaligheid! Niettemin ligt er in het geloof geen grond om voor God en Zijn gericht te bestaan. Het geloof is niet verdienstelijk. Daar gaat het hier om. Dan zou aan het geloof toegekend worden, wat alleen aan Christus toebehoort. Dan zou het werk en de verdienste van de enige Zaligmaker verdonkerd worden.

Instrument

Tot 2 maal toe wordt hier het ware geloof instrument genoemd. Het geloof rechtvaardigt niet in de “eigenlijke” zin; het is instrument, waarmee “Christus, onze rechtvaardigheid, omhelsd wordt” en dat “ons met Hem in de gemeenschap met al Zijn goederen houdt”.

De uitdrukking “instrument” als aanduiding van het persoonlijke geloof heeft bij sommigen vragen opgeroepen. We zullen dit in de eenvoudige zin moeten verstaan. Het gaat erom te belijden dat het geloof, als het gaat om de grond van de rechtvaardigmaking, niet anders dan middel is. Zo wil onze belijdenis alle gedachten afsnijden aan het geloof als een deugd, een werk, een prestatie die meetelt in het gericht voor God.

Wie dit gedeelte goed leest en verstaat, ontdekt hier vooral dat het in strijd is met de aard van het levend geloof om aan dat geloof enige waardigheid tegenover Gods gericht toe te kennen. Het is de natuur van het geloof, dat het Christus omhelst als de gerechtigheid, die voor God kan bestaan. In Hem alleen ligt de schat, die de ontdekte zondaar nodig heeft. Hier gelden de woorden van Luther, die zoveel strijd gekend heeft eer hij tot het volle licht van de gerechtigheid in Christus door Woord en Geest gebracht werd: “Het geloof rechtvaardigt dus, omdat het deze schat nml. Christus aangrijpt en bezit. Christus door het geloof gegrepen en in het hart wonend, is de Christelijke gerechtigheid, waarom God ons rechtvaardig rekent en het eeuwige leven schenkt”. En hier mag ik ook aanhalen wat de bekende verklaring van Amoldus Rotterdam schrijft: “is het geloof nu alleen een middel van onze vereniging met Christus, ‘t geen ons deel doet hebben aan al Zijn verdiensten, dan volgt dat ons geloof de grond of oorzaak van onze rechtvaardigheid voor God niet kan zijn”.

Het strijdt dus duidelijk tegen het geloof zélf om er enige waardigheid aan te verbinden. Het geloof wordt ook wel vergeleken bij de ledige hand van een bedelaar. Als nu die bedelaar in zijn ledige hand een grote gift van een rijk man krijgt, zal hij zich dan beroemen op die hand? Het antwoord zal eenvoudig zijn: hij zal zich verblijden in de grote som, die hij ontvangen heeft en de gever roemen, van wie hij het heeft gekregen.

En dan: komt dit niet uit in het leven van ieder, die de beoefening van het ware geloof in dit opzicht kent? Wie in waarheid doorleeft niet in Gods gericht te kunnen bestaan en door een geschonken geloof in Christus de enige gerechtigheid ten leven omhelzen mag: zal die dus roemen in zijn gelóóf? De vraag stellen is hier het antwoord geven: er blijft maar één ding over nml. het wonder dat God in Christus gerechtigheid tegen de schuld heeft bereid!

... al Zijn verdiensten en zoveel heilige werken....

Het zal goed zijn nog even op een bepaalde manier van uitdrukken te letten aan het eind van artikel 22. Het gaat om de omschrijving van de gehoorzaamheid van Christus, waardoor Hij de rechtvaardigheid van de Zijnen is. Er wordt dan niet alleen van de verdiensten van Christus gesproken, maar van “al Zijn verdiensten en zoveel heilige werken, die Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan..”.

Er is veel strijd geweest over de woorden: “en zoveel heilige werken”. We gaan daar niet breed op in. Het is genoeg te weten, dat meerderen deze woorden liever weggelaten zagen. Het zou genoeg zijn als er staat: “al Zijn verdiensten”. Het is echter een goede zaak, dat deze woorden tot de dag van vandaag zijn blijven staan.

Laten we niet denken dat het hier alleen om een woordenspel gaat. Hier komt de gehoorzaamheid van Christus in de volle zin uit. Zijn lijdelijke gehoorzaamheid in het dragen van de straf, de vloek der Wet, zoals die uitgekomen is in zijn bitter lijden en sterven. Zijn dadelijke gehoorzaamheid in het voldoen van de eisen der Wet.

Die gehoorzaamheid in de volle zin moest Hij volbrengen voor en in plaats van de Zijnen. Zij zijn in zichzelf niet anders dan arme zondaren, schuldig tegenover God, waard om in het gericht voor eeuwig verdoemd te worden. Zij kunnen alleen rechtvaardig voor God zijn door het voldoen van de schuld én de gehoorzaamheid aan de Wet. Ieder, die daarachter komt in eigen beleving moet het uitroepen: van eigen zijde eeuwig onmogelijk! Wat een nameloos groot wonder, dat nu in Christus een Borg gegeven is, Die alle gehoorzaamheid volbracht heeft. De straf, die ons de vrede aanbrengt was op Hem. Hij heeft de wil des Vaders gedaan tot het laatste toe.

In deze Christus is zo de rechtvaardigheid van arme zondaren. In Hem is geen tekort om rechtvaardig voor God te doen zijn.

In Zijn verdiensten en Zijn heilige werken ligt de grond, die niet bedriegt. Zo is er een volle mogelijkheid, bij God vandaan, voor de grootste der zondaren. Zo is er uitzicht voor die onder God en Zijn recht in waarheid leren buigen. Door de gehoorzaamheid van deze Ene worden velen tot rechtvaardigen gesteld. In die Christus heeft God Zijn eer gekregen en wordt de schuldige zondaar uit vrije genade behouden.

Zijn het voor ons persoonlijk geen vreemde zaken?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1992

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Nederlandse Geloofsbelijdenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1992

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken