Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De troost der verkiezing

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De troost der verkiezing

8 minuten leestijd

4.

(naar aanleiding van het gelijknamige boek van ds. L. Vroeg-indeweij)

In één van de vorige artikelen somde ik de vijf hoofdpunten van de gereformeerde leer op. Aan de hand daarvan zouden we de driedelige bundel van ds. Vroegindeweij globaal willen doornemen. De “five points of Cal-vinism” zoals ze in het Engels genoemd worden, corresponderen namelijk geheel met de doorgaande lijn in de Dordtse Leerregels. Ik noem ze nog eens met een enkel trefwoord: totale verdorvenheid (1), onvoorwaardelijke verkiezing (2), persoonlijke verzoening (3), onwederstandelijke roeping (4), en volharding der heiligen (5). Nu dus over het eerste punt.

De totale verdorvenheid

Boven hoofdstuk III/IV van de Leerregels staat als opschrift genoteerd “Van des mensen verdorvenheid en bekering tot God en de manier van deze”. De totale verdorvenheid van de mens door zijn diepe val is een kenmerkend en heel gewichtig stuk binnen de reformatorische belijdenis. Met deze verdorvenheid en de daaruit vloeiende toom Gods hebben de Reformatoren geworsteld. Het gevoelen en beleven van de totale schuld en de algehele verdorvenheid maakte voor een man als Luther de vraag steeds klemmender: “hoe krijg ik een genadig God?” De vraag naar een genadig God voor een goddeloos mens was geen theoretische maar één die een centrale plaats had in de werkelijkheid van zijn leven voor Gods aangezicht. Hoe komt een schuldig mensenkind met God verzoend? Of met de smeekbede van de boetvaardige tollenaar: “O God, wees mij de zondaar genadig!”

Door deze bange worsteling is de theologie van de Reformatie gestempeld. De belijdenis van verzoening, rechtvaardiging en bekering heeft als achtergrond de wezenlijke nood van de mens als zondaar. Wij zijn met onze kinderen God kwijt. Moed- en vrijwillig hebben wij ons van Hem vervreemd. Dat is onze zonde en schuld, onze nood en ellende, kortom - onze totale verdorvenheid. Het is geen wonder dat de Leerregels in dit derde hoofdstuk, dat in wezen de toeëigening des heils behandelt, inzet bij schepping en val.

Maar niet alleen voor de belijdenis van de bekering tot God kiezen de Leerregels hun uitgangspunt in de nood en schuld van ‘s mensen bestaan buiten God. Niet slechts hoofdstuk III/IV begint met een tekening van de mens in zijn verdorven bestaan. Lezen we de Leerregels goed, dan moeten we erkennen dat eigenlijk elk hoofdstuk zijn startpunt daarin neemt. Lees bijvoorbeeld de inzet van de Leerregels in het eerste hoofdstuk. “Aangezien alle mensen in Adam gezondigd hebben, en de vloek en de eeuwige dood zijn schuldig geworden....”. De vaderen willen ons in dit hoofdstuk onderwijzen over het stuk van de Goddelijke verkiezing en verwerping. Maar daartoe beginnen zij waar ze moeten beginnen, namelijk bij de zonde en de schuld van de mens. Ze zetten hun onderwijs niet in bij de tweede maar bij de éérste Adam - niet op Golgotha maar in het paradijs - niet in de eeuwigheid maar in de tijd. Alle mensen zijn zondaren, allen staan schuldig, allen zijn strafwaardig.

En lezen we vervolgens het begin van hoofdstuk II dan komen we vergelijkbare uitspraken tegen. “Gods gerechtigheid vereist dat onze zonden met tijdelijk een eeuwige straffen (...) gestraft worden....” Dit tweede hoofdstuk handelt over de dood van Christus en de verlossing van de mens door Hem. Maar de opstellers beginnen ook dit keer in het paradijs - bij de zonde en de rechtvaardige straf daarop. De Heere is barmhartig, jawel!, maar hij is ook ten hoogste rechtvaardig; aan die Goddelijke deugd moet genoegdoening worden geschonken. En waar de opstellers tenslotte in hoofdstuk V willen gaan spreken over de bewaring en de volharding der heiligen beginnen ze wederom - ja inderdaad! - over de zonde te spreken. Nu over het inwonend bederf van Gods volk. Zij zijn weliswaar verlost van de heerschappij en slavernij der zonde, doch “in dit leven niet ganselijk van het vlees en het lichaam der zonde”. Ook na bewezen genade blijven zij, om met de apostel Paulus te spreken, “vleselijk en verkocht onder de zonde”.

Bijbels uitgangspunt

We zien dus dat de Leerregels telkens weer een grondslag leggen voor wat ze willen belijden. Voor wat ze uitspreken namelijk ten aanzien van de uitverkiezing, de verlossing en verzoening, de bekering en volharding. Welke grondslag? Het getuigenis van Gods Woord over de mens. Dat hij goed geschapen is, maar moedwillig van God afgevallen en nu totaal verdorven en geheel onwillig en onmachtig tot het goede. Ja, de Goddelijke vloek en de eeuwige dood schuldig geworden. Dat zijn geen vleiende woorden. Maar het is de realiteit. En om die verschrikkelijke werkelijkheid gaan de Leerregels niet heen.

Dominee Vroegindeweij schroomt niet ook in dezen Schrift en confessie getrouw na te spreken. Hij typeert de inzet van elk hoofdstuk als “een goede grondslag voor hun belijdenis”. Temeer daar op dit punt het grote geschil tussen de remonstranten en de Dordtse vaderen lag. Over de vrijheid van de menselijke wil ging het ten diepste. De eerstgenoemden hebben, aldus ds. Vroegindeweij, nooit geweten hoe groot het gewicht der zonde is. Zij zagen een mens die hijgde naar Gods liefde en die door Gods verwerping uitgesloten werd. Maar de Leerregels zien een vijand van God en Zijn dienst, een mens die hijgt naar de zonde en naar de zelfverheerlijking en de weg naar de hel kiest en die nochtans door Gods wil en kracht gezaligd wordt.

De mens is na zijn diepe val níet in staat met te zondigen. De vrijheid van de mens bestaat hierin dat hij zeer vrijwillig de zonde doet. Zijn vrije wil is vrije zonde geworden. Wij zijn vrij te doen wat wij willen. Doch wij zijn niet vrij te willen wat wij moesten willen. (....) De Heere Jezus heeft gezegd: “Niemand kan tot Mij komen”. Wat is er nodig om tot Christus te komen? Dat wij het willen. Daarom zei de Heere Jezus: “Gij wilt niet!” In de grond is het een niet-kunnen-willen. En dat is een schuldig niet-kunnen. Als er een klein schilfertje van onze eigen wil aan te pas moet komen, blijft ieder mens verloren. (...) Wanneer alle dominees eens goed wisten uit de Schrift en uit de bevinding door de Heilige Geest dat het onmogelijk is dat er ooit een zondaar tot God wil of kan komen, wat zouden zij allen veel ernstiger preken de vrije genade Gods en de noodzakelijkheid van wedergeboorte en bekering.

Maar de Leerregels willen niet anders spreken dan zó. Omdat de Schrift het niet anders leert. Omdat ook de Geest der overtuiging en overbuiging brengt tot de hartelijke erkenning van deze schuldige werkelijkheid. De HEERE werkt immers niet over de schuld heen. In de lijn van de belijdenis behandelt ds. Vroegindeweij in zijn artikelen zijn lezers eerlijk. Hij schetst hun plaats waar ze zich ook in werkelijkheid bevinden. Uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid.

Naar zichzelf toe gebogen

De mensvisie van onze vaderen was niet optimistisch. Was ook in geen enkel opzicht verdoezelend of toegevend. Nee, de vaderen zagen voor zich een hard mens, zoals ieder van nature is. Die harde mens is dood in zonden en misdaden. Hij is een natuurlijk mens die niets verstaat van de dingen die des Geestes Gods zijn. Alleen door een almachtig ingrijpen van Godswege zal hij de werkelijkheid van zijn eigen leven onder ogen gaan zien. De Leerregels spreken over een buigen tot het geloof. Dat is dan een terugbuigen uit de stand waarin de mens door de zondeval gekomen is.

In dit kader herinnert ds. Vroegindeweij aan een uitspraak van Luther. Deze legde er namelijk sterk de nadruk op dat het wezen van de zonde bestaat in het “incurvatus-in-se”; de mens is naar-zichzelf-toe-gebogen. Dat betekent dat bij alles wat hem als begeerlijk voorkomt wil gebruiken tot zijn eigen geluk of wat hij daarvoor houdt. De natuurlijke mens zoekt ook wel God, maar om Hem te gebruiken voor eigen plannen en wensen. De mens kent maar één goed, en dat is hijzelf. Het middelpunt van de schepping is het eigen hart en het eigen geluk. Het is de mens in alles om zichzelf begonnen. Onze Catechismus drukt dat uit door te zeggen dat de mens van nature geneigd is God en zijn naaste te haten.

Om dat waarlijk onder ogen te zien -daarvoor is, zo benadrukt ds. Vroegindeweij, ontdekking nodig. Maar, zo vervolgt hij, dat is nu precies wat er aan de meeste godsdienstige mensen en aan de meeste theologen van deze tijd ontbreekt. Dit namelijk wat door Luther wordt genoemd: de experientia Dei, de ondervinding van God, en de ontdekking door de Geest. De mens kan niet kiezen en niet willen, omdat hij zichzelf wil.

Buiten de verlossende genade van God om zal de mens nooit iets anders willen dan zichzelf. En dat tekent zijn totale verdorvenheid.

(wordt vervolgd)

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1992

Bewaar het pand | 12 Pagina's

De troost der verkiezing

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1992

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken