Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

lk heb lief

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

lk heb lief

8 minuten leestijd

Psalm 116:1-5

Psalm 116 is een overbekende en graag gezongen Psalm. Wie heeft in zijn kinderjaren een of meerdere verzen uit deze Psalm niet geleerd. Velen van Gods kinderen hebben in deze Psalm hun hart verklaard gezien. Er zijn er zelfs met de woorden van deze dichter op de lippen de eeuwigheid ingegaan.

Wie de dichter van deze Psalm geweest is, valt niet te zeggen evenmin de omstandigheden waaronder hij verkeerd heeft. Toch kunnen we uit deze Psalm afleiden, dat de dichter geen gemakkelijk leven geleid heeft. Toch begint hij deze Psalm met “ik heb lief”. Voordat hij iets anders gezegd of naar voren gebracht heeft, spreekt hij zijn liefde tot God uit. Dat staat bij hem bovenaan. Niet dat hij niet van beproevingen en strijd weet. Dat zien we in het vervolg van de Psalm maar al te zeer. Of dat ziekten of tegenspoeden geweest zijn, weten we niet. Hij had een moeilijk leven achter de rug, maar toch mag hij boven deze Psalm schrijven: “ik heb lief”. In ieder geval is hij langs de rand van de afgrond gegaan. Maar bij alles wat hem overkomen is en nog overkomen kan, is dit staande gebleven: “God heb ik lief”.

Mag u dat ook zeggen, dat de liefde Gods uw hard vervult? Dan maar geen oppervlakkige liefde, maar liefde die door Gods Geest in uw hart is uitgestort. Als alles voor de wind gaat en er voorspoed is, dan is het nog niet zo moeilijk te zingen “God heb ik lief”. Maar nu als de moeiten en de zorgen zich voordoen; als de tegenslagen en beproevingen komen. Kunnen we het dan nog zeggen: “ik heb lief”. Dan blijkt het helemaal niet zo vanzelfsprekend, dat een mens God lief heeft. Van nature zijn we geen lief hebbers van God, maar haters van God en liefhebbers van onszelf. Van huis uit gaat ons hart uit naar de dingen van deze wereld en niet naar de dingen van Gods koninkrijk. Het leeft in ons aller hart: “Wijkt van ons, want aan de kennis Uwer wegen heb ik geen lust”.

Maar het is bij de dichter anders geworden. Hij geeft ook de reden aan, waarom hij God lief heeft. Nee, hij had God niet lief, omdat Hij hem geholpen heeft. Het is geen baatzuchtige liefde, omdat hij er voordeel van heeft. Nee, de Heere heeft Zich in Zijn leven als een genadig en gaarne vergevend God betoond. In de nood van zijn leven heeft hij tot God geroepen en de Heere heeft hem verhoord. Hij noemt Hem hier bij Zijn verbondsnaam, HEERE met hoofdletters. Hij is die God Die in het prille begin van Zijn leven Zich met hem ingelaten heeft. Hij kan die weldaad niet op, dat een heilig en rechtvaardig God op zo’n ellendig en schuldig mensenkind heeft willen neerzien.

O nee, die liefde ging niet van hem uit. Hij heeft de Heere niet gezocht, maar de Heere zocht hem. Hij was niet de eerste, maar de Heere heeft naar Hem gevraagd. De dichter moet het erkennen: ik heb lief, omdat Hij mij eerst heeft lief gehad. Die liefde is wederliefde tot God. De liefde Gods heeft het hart van de dichter verbroken.

Hebt u daar ook weet van? De Heere kwam ook in het prille begin van uw leven tot u. Hij verbond Zich aan u met zijn beloften en toezeggingen. En sinds dat ogenblik heeft de Heere niet anders gedaan dan u achterna gewandeld. In de prediking, in het onderwijs dat u ontving, in al de levensleidingen klonk het tot u: “Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart!” Heeft dat uw hart verbroken? Of zijn het nog de aardse schatten en rijkdommen die uw hart bekoren. Leeft en werkt u daar nog voor. Is dat uw hoogste begeren nog om rijk te worden in deze wereld. O, wat bent u dan nog arm, nameloos arm. De wereld gaat voorbij en al haar begeerlijkheden en als u niet meer hebt dan dat, dan bent u voor eeuwig verloren.

Of is dat al de nood van uw leven geworden? Ik ben God kwijt. U kunt het met het goed van deze wereld niet meer doen. U hebt God nodig. Dan kunnen de dingen van deze wereld uw arme ziel niet meer vervullen. Dan gaan we onze eigen kleinheid en onwaardigheid zien. Dat is nu juist het kenmerk van de eenvoudigen, waarvan de dichter spreekt. Zij hebben een Helper nodig. Zij zijn aangewezen op de hulp en de genade van een Ander, van de Ander, nl. Jezus Christus.

De dichter kent een nood in zijn leven. “De banden des doods hadden mij omvangen, angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis”. Dat kunnen natuurlijke omstandigheden zijn. Maar de dichter kan het ook geestelijk moeilijk hebben. De zonden die hem drukken, de dood die hem op de hielen zit. De wet beschuldigt hem, zijn geweten klaagt hem aan en satan wijst hem op zijn vuile klederen. Het wordt nood in iemands leven, wanneer hij zich gesteld ziet voor de alziende en de alwetende God, die te rein en te heilig is van ogen is dan dat Hij de zonde zou kunnen gedogen, kunnen we niet anders verwachten dan voor eeuwig te zullen omkomen.

Dan blijft er maar een weg over en dat is: roepen naar omhoog. “Och Heere, ach wierd mijn ziel door U gered”. Hij riep de Naam des Heeren aan. De God die trouw is en nooit faalt in Zijn beloften.

Een Heere, Die een schuldige zondaar in Zijn Zoon Jezus Christus genade wil bewijzen. De zonden moeten maar drukken en de dood moet ons maar op de hielen zitten. Dan worden we smekelingen aan de troon der genade. We kunnen geen rechten meer laten gelden. “Het is recht, Heere, als U mij voor eeuwig zoudt wegstoten, maar Heere wees genadig!” We kunnen dan niet anders dan een beroep doen op Gods barmhartigheid.

En heeft de dichter antwoord gekregen? Is zijn gebed verhoord? De dichter zingt: “De Heere hoort mijn stem, mijn smekingen, want Hij neigt Zijn oor tot mij”. Dacht u, dat de Heere zo’n bidder kan laten staan? Als daar een zondaar uit de diepte roept tot God, dan kan de Heere Zijn oren niet afwenden, maar dan moet Hij genadig zijn. Wat een wonder, dat hij dan bij God milde handen en vriendelijke ogen vindt. De Heere is rechtvaardig en Hij vergeeft de ongerechtigheden mijner ziel”. O zeker, Hij is rechtvaardig. Hij doet niets van Zijn rechtvaardigheid af. De Heere gaat aan de zonde niet voorbij. Maar Hij is ook barmhartig.

Hoe kan dat nu? Hoe kan de Heere de zonde van deze smekeling vergeven? Hoe kan Hij aan de zonde van zo’n albederver voorbijgaan? Wel, omdat er Een geweest, die ook in de benauwdheden geweest is. Hij moest ook zeggen: “De banden des doods hadden Mij omvangen en de angsten der hel hadden Mij getroffen; Ik vond benauwdheid en droefenis”. Toen Hij het uitriep was het in de volle zin van het woord. Het was de Heere Jezus Christus, de zondeloze Zoon van God. Hij moest zeggen: “Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe. Maar toen Hij riep, was er geen antwoord. Hij is weggezonken in de diepte van de Godsverlating, opdat er antwoord zou zijn, als voor degenen die tot God roepen. Hij van God verlaten, opdat wij nimmermeer van Hem verlaten zouden worden.

Kunt u het de dichter nazeggen: “ik heb lief”. Staat dat boven uw levensgeschiedenis geschreven? Mag u het ondanks alles zeggen: dat ik God lief heb, leeft op de bodem van mijn hart. Ik ontdek nog zoveel liefdeloosheid; zoveel wat niet beantwoordt aan God heilige wil. Mijn hart kan zo koud, zo ongevoelig zijn, dat ik me wel eens afvraag: “Heb ik wel waarlijk lief? Geeft dat smart in uw leven? Moet u zich menigmaal aanklagen zo weinig van die liefde in uw hart te vinden? Toch hoeft u niet te wanhopen. Want onze zaligheid hangt niet af van onze liefde tot de Heere, maar van Zijn liefde tot ons. Daarom kan een gevallen Petrus weer in genade aangenomen worden. Als u dan weer mag zien op die Christus, Die Zich doodgeliefd heeft aan het kruis op Golgotha, wordt de begeerte hernieuwd om het de dichter na te zingen: “Toch, ondanks alles,

God heb ik lief, want die getrouwe Heer’

Hoort naar mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen.

Samenvatting openingswoord middagsamenkomst Ontmoetingsdag.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1992

Bewaar het pand | 12 Pagina's

lk heb lief

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1992

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken