Bekijk het origineel

De troost der verkiezing

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De troost der verkiezing

9 minuten leestijd

7.

(naar aanleiding van het gelijknamige boek van ds. L. Vroegindeweij)

Deze verkiezing is een onveranderlijke voornemen Gods door hetwelk Hij vóór de grondlegging der wereld een zekere menigte van mensen - niet beter of waardiger zijnde dan anderen in de (al)gemene ellende met anderen liggende - uit het gehele menselijk geslacht, van de eerste rechtheid door hun eigen schuld vervallen in de zonde en het verderf, naar het vrije welbehagen Zijns willens tot de zaligheid louter uit genade uitverkoren heeft in Christus Dewelke Hij ook van eeuwigheid tot een Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen en tot een fundament der zaligheid gesteld heeft.

Met deze klassiek geworden woorden omschrijven de Leerregels van Dordt in hoofdstuk I, de zevende paragraaf, het wonder van de genadige uitverkiezing. In dit artikel willen we nog een keer nadenken over enkele aspecten van Gods besluit tot verkiezing van zondaren.

Voornemen

Onze vaderen spraken in dit verband over een voornemen van God, een voornemen dat dateert van vóór de grondlegging van de wereld. Daarmee hanteerden zij een begrip dat rechtstreeks in Gods Woord terug te vinden is. Zo schreef de apostel Paulus aan Timotheüs: “Die ons heeft zalig gemaakt en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken maar naar Zijn eigen voornemen en genade die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen” (2 Tim. 1:9). Paulus wilde zijn geestelijke zoon bemoedigen. Timotheüs moest er eens aan denken hoe de HEERE hem zalig gemaakt had. Dat God zalig maakt, betekent dat Hij de zaligheid voor de zijnen verwerft en toepast. Tot dat zalig maken behoort de roeping en die roeping is een krachtdadige, een effectieve roeping, een heilige en overbrekelijke roeping. Deze zaligmakende roeping is gekomen tot bepaalde personen. Naar welke maatstaf zijn zij uitgelezen? Niet naar de maatstaf van hun werken maar naar de maatstaf van Gods eigen voornemen. Elders spreekt de apostel van “het eeuwig voornemen” (Ef. 3:11). Dus vóór de aanvang der tijden; vóórdat iemand doen er enige invloed op kon uitoefenen dat zijn gena hem redden zou. De grondslag van de zaligmakende genade is gelegd in de eeuwigheid, vóór de tijden der eeuwen. En daar ligt ze vast, Timotheüs.

In de jaren dat ds. Vroegindeweij zijn artikelen schrijft, maar niet minder heden, wordt in kringen waar men nog wel gereformeerd wil heten en dus het leerstuk van de verkiezing niet wil ontkennen, nogal eens nadruk gelegd op (wat men dan noemt) de actualiteit van de verkiezing. Verkiezing als daad! Niet toen maar nu. Niet zozeer in de eeuwigheid maar in de tijd. Ds. Vroegindeweij gaat op deze stellingen breed in. Hij ontkent niet - en terecht - dat de openbaring van Gods verkiezing het karakter heeft van een Goddelijke daad.

Denk aan Noach, aan Abram, en ook aan het volk Israel. Maar onweerlegbaar is de Schrift in het getuigenis dat de verkiezing allereerst een voornemen was en eerst daarna een daad van roeping en afzondering.

Waarom leggen wij zo 'n nadruk op dat besluit en dat voornemen Gods? Om dat de Heilige Schrift dat ook doet. En dan is er nog iets. Waarom wordt de verkiezing in het besluit Gods zo fel bestreden? Omdat men bij de verkiezing als daad alleen meer ruimte denkt te hebben voor de mens. De mens moet enigszins kunnen meebeslissen. Maar hij beslist niet mee. Het is niet uit de werken, het is naar en uit genade. (...) Zalig wordt niet het ganse Israel maar een overblijfsel naar de verkiezing der genade. God verkiest dien die Hij wil. Het werk, de deugd, het gebed van de mens levert niet het minste motief.

Onvoorwaardelijk

Dat brengt ons bij nog een ander begrip: Gods welbehagen. De Leerregels spreken immers niet alleen over het “voornemen” als zodanig; ze dalen dieper af als zij de oorzaak, de grond daarvan gaan noemen. In de aangehaalde paragraaf 7 van hoofdstuk I klinkt het al, maar temeer in paragraaf 10. Daar stellen zij: “De oorzaak van deze genadige verkiezing is eniglijk het welbehagen Gods...”. Eniglijk - dat is: geheel en alleen.

De mannen van Dordt werken deze belijdenis van het welbehagen in tweeërlei zin uit. Allereerst om het onvoorwaardelijk karakter van Gods voornemen te benadrukken. Hoedanigheden of werken van mensen als voorwaarden worden uitgesloten. De HEERE nam zich een volk ten eigendom aan - onvoorwaardelijk, geheel soeverein. Op grond van Zijn eigen welbehagen. Daar is Rebekka; zij is zwanger van twee zonen. Die zonen hebben nergens enig bewustzijn van. Dat staat vast. Daar is ook geen onderscheid. Zij hebben dezelfde vader en dezelfde moeder. Zij worden op eenzelfde dag geboren. Maar ook vóórdien heeft God reeds bepaald hoe de één Hem zal dienen en de ander ver van Hem zal leven. God heeft Ezau gehaat en hem laten wandelen in zijn eigen wegen. Jacob echter heeft Hij liefgehad en naar Zich toe getrokken. Dat Jacob genade ontving, zegt niets over hemzelf, maar alles over Gods welbehagen.

Waar komt het dus vandaan als iemand deel heeft aan de genadige verkiezing? Dat komt uit Gods wil. Waarom heeft God dat gewild? Dat weten wij niet. Daar is niets dat groter is dan Gods wil en welbehagen. Is Gods welbehagen dan niet hetzelfde als willekeur? Neen. Gods wil is altijd wijs en heilig. Nergens komt in de uitvoering van Gods raad en welbehagen willekeur openbaar. God laat niet de één los om de ander dan weer vast te grijpen. God zet Zijn eeuwig voornemen door en eenmaal zal blijken wat een diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods, in al Zijn welbehagen verscholen zat.

In Christus

De zaligheid van Gods kerk is Gods eigen voornemen. Zijn onvoorwaardelijk voornemen. Zijn welbehagen. Het komt helemaal uit God, zonder enige inwerking van de mens. En daarom zal ook niets de uitvoering ervan kunnen verhinderen. Deze roeping en redding rusten immers niet alleen op het voornemen Gods als zodanig, doch ook op de genade van Christus. Dat is het tweede wat genoemd moet worden. Deze kan er immers niet bij gemist worden. Daarom ten diepste kan ze welbehagen genoemd worden. Toen Christus op aarde verscheen, zongen de engelen van Gods welbehagen. Van Gods genade staat dat zij gegeven is in Christus vóór de tijden der eeuwen, zo zagen we. Het welbehagen des HEEREN zal door de hand van Christus gelukkiglijk voortgaan. Omdat Hij Zijn ziel tot een schuldoffer stelde.

Ik begon dit artikel met de weergave van enkele woorden uit hfst. I, par. 7, van de Leerregels. Leest u de tweede helft van dat citaat nog eens: “... uitverkoren in Christus...”. Opdat zij door Hem zouden zalig gemaakt worden, besloot de HEERE ook hen aan Hem te geven, hen krachtig tot Zijn gemeenschap te roepen en te trekken, hen te begiftigen met het ware geloof in Hem, hen te rechtvaardigen, te heiligen en te verheerlijken. Dat is de taal van onze belijdenis: verkiezing op grond van Gods welbehagen in Christus. Ja, alle heilsweldaden zijn in Hem besloten. Ursinus, de mede-opsteller van onze Catechismus, schreef: “De verkiezing is in Christus geschied opdat Hij voor ons zou verdienen de kwijtschelding der zonden, de gerechtigheid en het leven, en ons deze goederen door Zijn voorbidding zou toeëigenen”.

In zijn verhandeling vraagt ds. Vroegindeweij of Christus dan het fundament der verkiezing is. Het antwoord luidt: neen. De Vader is niet door de Zoon of door Zijn verdiensten tot Zijn liefde bewogen. De verkiezende liefde is opgekomen uit de Vader Zelf. Maar ging dan de verkiezing buiten Christus om? Volstrekt niet. Nooit zijn de verkorenen los gedacht van de Borg. Zonder het kruis van Christus zijn ze nimmer als zaligen gedacht. Christus behoort bij de uitverkorenen van vóór de grondlegging der wereld. Zonder het werk van de Zaligmaker zou nimmer een uitverkorene zalig zijn geworden.

Als God verkiest dan is het met Christus tezamen. Daar is wel eerst de liefde van de Vader, maar zelfs die liefde kon de Kerk niet verlossen. God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Hij kan immers de schuldige niet onschuldig houden. Daarom is de verkiezing een verkiezing waarin zondaren met Christus onmiddellijk zijn samengevoegd. Van het begin af is de Kerk met haar Borg en Middelaar één. En tot in eeuwigheid zullen ze dat zijn. Om met Kohlbrugge te spreken: wie alléén zullen het beloofde land binnengaan? Het antwoord: Jozua en Kaleb - Jezus en een hond...

Opdat zondaren door Christus zouden zalig gemaakt worden, besloot de HEERE hen van eeuwigheid aan Hem te geven, zo zegt de belijdenis. En op hun beurt ontvangen in de tijd de uitverkorenen Christus tot hun Middelaar. Dominee Vroegindeweij dienaangaande:

Aan de uitverkorenen is zulk een Middelaar gegeven Die hen brengt tot de Vader. Maar Hij is ook hun Hoofd. Dat wil zeggen: zij zijn met Christus gezet in de hemel. Als de Middelaar hen gevonden heeft, ontvangen zij de Heilige Geest. Dan worden zij door een waar geloof met Christus verenigd. Dan zijn zij één Geest met Hem. Zonder die vereniging komen de goederen die Christus verworven heeft hen niet ten goede. De Geest van Christus woont in hen en zij zijn in Christus. Zij behoren tot het lichaam van Christus. Het is de uitverkiezing niet die zalig maakt: Christus maakt zalig. Hij is het fundament der zaligheid. Het fundament der uitverkiezing is de liefde Gods. Maar de Heere Jezus is het fundament der zaligheid. Eerst de Persoon en dan de weldaden. Daarom moet u, lezer, niet vragen: “Sta ik in het boek der uitverkiezing?” Maar u moet wel vragen: “Ben ik in Christus?” Deze Christus nu wordt ook u aangeboden. Dat is een hartelijke en welgemeende aanbieding.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1992

Bewaar het pand | 10 Pagina's

De troost der verkiezing

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1992

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken