Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Begrafenis ds. G. Blom

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Begrafenis ds. G. Blom

In de kerk

25 minuten leestijd

Dinsdagmiddag 9 juni 1992 waren er velen naar de Chr. Geref Kerk van Meerkerk gekomen. Uiteraard de leden van de gemeente van Meerkerk, maar ook velen uit andere gemeenten en veel predikanten uit de Chr. Geref. Kerken en ook nog enkele uit andere kerken. Het kerkgebouw kon het aantal aanwezigen niet bevatten, zodat een deel van de ongeveer 500 mensen in de zaal moest meeluisteren. Als eerste spreker beklom ds. H.C. v.d. Ent de kansel.

Gezongen is Ps. 103:8. Gelezen Matth. 28:16-20 en bij de wisseling van spreker is gezongen Ps. 103:9. Tekst Matth. 28:20:


“En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.”


Geliefde familie, gemeente, vrienden en bekenden,

Wij zijn hier met elkander samen gekomen om het stoffelijk overschot van een geliefde vader, broeder en vriend naar de laatste rustplaats heen te brengen.

Hij heeft een zeer hoge leeftijd mogen bereiken. Hij is 86 jaren oud geworden, en tot zijn dood toe in aktieve dienst gebleven, wat als een bijzonderheid kan worden aangemerkt.

Wie was Ds. Gerrit Blom? Wij hebben hem leren kennen in het jaar 1949, zodat we al 43 jaren met elkander om hebben mogen gaan. Hij is onverwacht aan de sterrenhemel van het predikantenfirmament verschenen. Als ik dat zo zeg, is dat een bijbelse uitdrukking, gedacht is aan hetgeen er staat in Dan. 12:3: “En de leraars zullen blinken als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.”

Al is er van nature niemand die goed doet, zo mag toch van hem gezegd worden, menselijk gesproken, dat hij een goede man geweest is voor zijn vrouw en een dito vader voor zijn kinderen. Vierentwintig jaar geleden kwam zijn vrouw door een droevig ongeval om het leven. Al die tijd is hij weduwnaar geweest. Dat is een zaak die alleen begrepen wordt door hen, die eenzelfde pad hebben moeten bewandelen.

Meerdere slagen zijn in de familiekring gekomen, door het verlies van dierbare betrekkingen. Doch al deze dingen zijn door hem op een christelijke manier gedragen. Onze vriend was ook in dat opzicht een evenwichtig mens.

Hebben de kinderen en kleinkinderen en ook achterkleinkinderen veel in hun vader, grootvader en overgrootvader verloren, ditzelfde mag ook gezegd worden van de gemeente Meerkerk. Toen hij van de school kwam, zijn er zeven beroepen op hem uitgebracht. Meerkerk werd de gemeente waaraan hij zich verbonden gevoelde. Hij is er ook zijn gehele leven aan verbonden gebleven, al zijn er gedurende zijn ambtelijke loopbaan meerdere beroepen op hem uitgebracht. Nimmer kreeg hij vrijmoedigheid om van plaats te veranderen. Hij heeft in Meerkerk als een herder en leraar trouw zijn werk verricht. De woorden herder en leraar mogen beiden wel worden onderstreept. Hij had een drang om te werken. Niet om zichzelf te zoeken, maar om het belang van anderen te dienen. Doch God heeft achter al die arbeid in de gemeente onverwacht een punt gezet. Hij is niet meer! Al woont zijn dochter nog in de pastorie, de dominee is er uit. Alles predikt ons de vergankelijkheid van het leven. Er is niets bestendigs hier beneên.

De vrienden die hem hebben gekend en jaren met hem hebben omgegaan, hebben in hem een trouwe vriend gehad. Hij sprak nooit groot over zichzelf. Hij was een bescheiden man. Bescheidenheid is een deugd die hem zijn leven lang gesierd heeft. Hij was een blo(e)m die een goede geur verspreidde. Doch deze bloem is afgesneden, zoals we daar ook van gezongen hebben in Ps. 103:8.


Gelijk het gras is ons kortstondig leven,
Gelijk een bloem, die op het veld verheven,
Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer.
Wanneer de wind zich over ‘t land laat horen,
Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren.
Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.


Zonder de mens te verheerlijken - want wat is de mens en wat is in hem te prijzen - geloof ik toch te mogen zeggen, dat ook wij in hem een goede vriend en broeder hebben verloren, waarvan we geloven mogen dat hij van sterven beter is geworden. Ds. Gerrit Blom was, en is er niet meer. Al zal zijn bestaan en gedachtenis in ere blijven, ook dat zal met de tijd slijten en in de vergetelheid terecht komen.

Wanneer we aan al deze dingen denken, wat is dan het woord van onze tekst rijk. Want het is geen vergankelijk mensenwoord. Doch het is het eeuwigblijvende Godswoord. Alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid des mensen is als een bloem van het gras. Het gras verdort en de bloem valt af, doch het woord van onze God blijft tot in der eeuwigheid.

Het is gesproken door Hem die méér is dan Mozes, meer dan Jona, meer dan welke dienstknecht ook, namelijk de Heere Jezus Christus. Het is gesproken door Hem, toen Hij de dood achter de rug had, en gereed stond om ten hemel opgenomen te worden. Deze gedachte is op zichzelf al rijk. Want hij is borgtochtelijk de dood ingegaan. Hij heeft door Zijn dood, de dood voor al Zijn volk gedood. Zodat een ieder die in de Zoon gelooft, in Hem de dood reeds achter de rug heeft. Want de dood is voor Gods kinderen geen betaling meer voor de zonden, doch een afsterven van de zonde, en een doorgang tot het eeuwige leven. Na de dood is het leven hen bereid. En dan neemt God hen op in Zijne heerlijkheid. Daar mag onze vriend en broeder nu in delen.

En nu treedt Jezus, de Allerhoogste Profeet en Leraar, ons tegen met deze woorden: “En ziet, Ik ben met ulieden, al de dagen, tot de voleinding der wereld. Amen.” En ziet,.... We worden door deze woorden opgewekt af te zien van alles wat tijdelijk en vergankelijk is. Het is echt een troostwoord. Een evangeliewoord. Dat is een blijde boodschap, zeer geschikt om in droeve dagen te overdenken, wanneer dit namelijk in geloof geschieden mag. Laten we dat laatste vooral niet vergeten. Want het Evangelie, ook deze blijde boodschap, wordt alleen krachtig bevonden door het geloof. Het Evangelie is een kracht Gods tot zaligheid, voor een ieder die gelooft.

De Heere heeft dit woord gesproken, weliswaar in de eerste plaats tot Zijn discipelen, die als apostelen de wereld in moesten, om het Evangelie verder de verkondigen. Doch over hun hoofden heen heeft het betrekking op de ganse levende kerk. Want “Ik ben met ulieden al de dagen, tot aan de voleinding der wereld. Amen.” Dat is dus zolang als deze bedeling duurt. De discipelen, die als apostelen de wereld zijn ingegaan, hebben de kracht van deze woorden ervaren. Doch zij zijn er niet meer. Maar het Woord door Jezus gesproken blijft zijn kracht behouden. Doch dan moet er ook nu wel geloof aanwezig zijn, om die kracht te ervaren. En daarom is het zulk een belangrijke vraag, aan het adres van de familie en aan het adres van allen die hier tegenwoordig zijn: “Heb ik nu dat geloof?” Want daar is het zitten in de kerk nog geen bewijs van. Men kan in de kerk zitten en toch dat ware geloof missen. En het is niet onmogelijk dat er in ons midden zijn, die eerlijkheidshalve moeten getuigen dit geloof te missen. Weet dan dat het nog te verkrijgen is. Want er is bij de Heere een eeuwige volheid van genade, waaruit Hij ook met geloof bedelen kan, diegenen die Hem daar need’rig om vragen. De Heere toch betoont Zijn welbehagen, aan hen die need’rig naar Hem vragen.....

Het is niet te verdienen. We kunnen het onszelf ook nooit waardig maken. Doch er is nog wel om te vragen. Laat daarom niet af, hand en oog, op te heffen naar omhoog. Totdat Hij ook u genadig zij. Het is de moeite waard om het te doen.

Men kan ook dat dierbare geloof deelachtig zijn, zonder dat het wordt beoefend. Dan verkeert men in het donker. Dan is er geen uitzicht. Dan houdt de Heere, om wijze redenen, Zijn vriendelijk aangezicht verborgen, opdat men des te vuriger zou gaan verlangen, dat Hij Zijn aangezicht weer in gunst tot u wenden zou.

De gelovigen moeten er zichzelf zo menigmaal van beschuldigen, dat zij het vaak zo gemakkelijk buiten de Heere kunnen stellen. Want er is in de mens van nature niets dat naar de Heere vraagt. Integendeel. Doch als de Heere na een nacht van lijden weer overkomt, dan geeft Hij weer stof tot juichen en verblijden. Dan komt Hij over, omdat Hij tenslotte niet van Zijn volk af kan. Want Hij heeft hen lief met een eeuwige liefde. En daarom zijn en worden de kinderen van Jacob niet verteerd. Dit in te leven geeft dan weer stof om alleen de Heere de eer te geven. “Het is door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen.”

Gelukkig dat de zaligheid van één kant voor eeuwig vast ligt, want anders zou er nooit één zalig worden.

“En ziet, Ik ben met ulieden, al de dagen, tot de voleinding der wereld. Amen.”

Ik ben met ulieden....” Dat is die alles volbrachthebbende Zaligmaker. Ik ben met ulieden! Wat zijn dat voor lieden? Dat zijn mensen die in Adam door God goed geschapen zijn, doch die zich tegen God hebben gekeerd. Zij zijn van kinderen Gods, duivelskinderen geworden. Ontzaggelijke werkelijkheid. Men heeft God tegen zich in het harnas gejaagd. Hij zou hen krachtens hun vrije en moedwillige ongehoorzaamheid, moeten vertrappen in Zijn toorn en hen moeten vertreden in Zijn grimmigheid. Dat hebben zij verdiend. Zij zouden daar eeuwig onder moeten verzinken. God zou eeuwig tegen hen moeten zijn. En nu: “Ziet, Ik met ulieden....” Geef er toch goed acht op en vraag uzelf af hoe dit nu mogelijk is? Want naar recht hebben alle mensen de eeuwige dood verdiend, en nu: Ik ben met ulieden.... Dat is alleen mogelijk, als we op Hem mogen zien, Die deze woorden gesproken heeft. Hoewel Hijzelf God is en eeuwig blijft, heeft Hij mens willen worden. Hij heeft als mens geleefd zonder zonde. Doch Hij is tot zonde gemaakt, omdat al de ongerechtigheden van Zijn volk op Hem zijn aangelopen. Hij is om onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. De straf is op Hem geweest. Die heeft Hij vrijwillig, uit eenzijdige, onbegrijpelijke zondaarsliefde willen ondergaan, opdat God in gunst op hen neer zou kunnen zien. Opdat Jezus tot hen zou kunnen zeggen: “En ziet, Ik ben met ulieden.....” Niet: tegen ulieden! Hij is tegen Zijn Eniggeboren Zoon geweest, opdat Hij met verloren zonen en dochters zou kunnen zijn. Eeuwig wonder van vrije genade.

“Al de dagen.” Dit is niet: zo nu en dan eens! maar al de dagen. Dat zijn blijde dagen, maar ook droeve dagen. Dagen van voorspoed en tegenspoed. Dagen waarin men het goede niet ziet, en ook in dagen waarin men vrij is van verdriet.

“Ik ben met ulieden.” Dat is de eeuwige Zoon van God, Die alle macht heeft in de hemel en ook op de aarde. En als de Heere met ons is, wie of wat kan dan tegen ons zijn? Niets en niemand. De hele hellemacht niet. De gehele wereld niet, zelfs het eigen boze vlees niet. Alle dingen moeten dan zelfs nog medewerken ten goede. Want God doet alle dingen medewerken ten goede, namelijk voor diegenen, die naar Zijn eeuwig voornemen geroepen zijn. Al zou men de marteldood moeten sterven, dan kan men dat nog doen met een blij vooruitzicht, als de kracht van deze woorden van Jezus mag ervaren worden. Het woordeke “Amen” waarmee het Evangelie van Mattheüs besloten wordt, onderstreept alleen maar de waarheid van Jezus’ woorden. “En ziet, Ik ben met ulieden, al de dagen, tot aan de voleinding der wereld. Amen.” Dat is zo lang als deze bedeling duurt. Het zal waar en zeker zijn. Dat is toch te betekenis van het “woordeke Amen”? Het is maar een klein woordje. Het telt slechts vier letters. Doch het heeft een het gehele leven omvattende betekenis. Het is de troost, die Jezus voor Zijn gaan naar de hemel, Zijn kerk heeft nagelaten.

De familie moet zonder vader verder. De gemeente Meerkerk moet zonder dominee verder. Wij moeten zonder onze vriend en broeder verder. Wij gaan allemaal het leven in, door, altijd verder. Totdat het einde daar is. En als dan in geloof de inhoud van deze woorden beleefd mag zijn, dan gaat men aan het eind, verder, de eeuwige rust in. Daar is men verlost voor eeuwig, van de zonden en haar gevolgen. Dan zullen we altoos met de Heere wezen. Dank zij de Heere alleen, die gesproken heeft: “En ziet, Ik ben met ulieden, al de dagen, tot aan de voleinding der wereld.”


Want ‘s HEEREN gunst zal over die Hem vrezen
In eeuwigheid altoos dezelfde wezen......Amen. Ps. 103:9.


Na Ds. v.d. Ent sprak ouderling Scherpenzeel namens kerkeraad en gemeente. Hij schetste de betekenis van ds. Blom voor het gemeentelijke leven gedurende een periode van meer dan 40 jaren. Hij kende zijn gemeente als geen ander. Trouw was hij in prediking en pastoraat. Het betekent voor gemeente en kerkeraad een groot verlies dat ds. Blom er niet meer is. Oud. Scherpenzeel benadrukte dat ds. Blom er weet van had en het door liet klinken in prediking en pastoraat dat er met een mens een wonder moet gebeuren. Hij wenste de familie, de gemeente en de kerkeraad al het nodige toe.

Vervolgens kreeg ds. Slagboom het woord.

Hij sprak naar aanleiding van Lucas 12:37


“Zalig zijn die dienstknechten, welke de heer, als hij komt, zal wakende vinden...”


Wakende vinden

Elf rouwadvertenties op een pagina over dezelfde persoon. We lazen ze in een bekend dagblad na het overlijden van ds. G. Blom. Enerzijds spreekt dit van de waardering voor zijn persoon en arbeid in bredere kring ook buiten eigen gemeente. Anderzijds moeten we zeggen dat, als iemand zo’n brede aandacht voor zichzelf niet verwacht en gewenst zou hebben, dan was het zeker onze overleden vriend en broeder Blom. Hij was dienstknecht des Heeren. Een ware dienstknecht gaat het in de rechte beleving niet om de eer van zichzelf, maar om die van de Heere. Onze tekst spreekt van dienstknechten in het huis van hun heer in die tijd. Ziet, onze broeder was door genade een dienstknecht des Heeren in bijzondere zin geworden. Hij had een plaats gekregen in Gods Huis om Gods Woord te prediken, de boodschap van zonde en genade. Welk een groot wonder was het niet voor hem. Dienstknechten worden niet door mensen gemaakt, maar geboren door het werk van Gods genade. Door God geroepen en bekwaamd tot Zijn dienst. In hetzelfde jaar dat ik aangenomen werd, werd hij het ook. Critische opmerkingen zijn ons bijgebleven over hem, die toen gehoord worden. Zelf wist hij van zichzelf onnut en onbekwaam te zijn. Hoe verrassend heeft de Heere niet gezegend: meer dan 40 jaar mogen dienen.

Dienstknechten zijn geroepen het welzijn van hun heer, van het huis van hun heer te zoeken. Hier gaat het bij de afwezigheid van de heer over het “waken”. Tot waken zijn Gods dienstknechten in onze tijd toch wel bijzonder geroepen. Waken is vooral nodig als er aparte gevaren dreigen. Ds. Blom heeft mogen waken in de prediking en de ambtelijke arbeid in de gemeenten, die hij al die tijd mocht dienen. Hij heeft mogen waken in het blad “Bewaar het Pand”, waaraan hij ruim 26 jaar leiding heeft mogen geven. Het ging niet om het zoeken van een breuk. Het ging om de roepstem van wederkeer tot de prediking van de vrije genade Gods. De veruitwendiging in de prediking, het niet doorlichten van het leven der genade, het te weinig benadrukken van het wonder van zalig worden, hebben op de achtergrond gesproken voor hem en voor anderen om tot oprichting van dit blad te komen.

Heel het doen van de knechten in het huis van hun heer wordt bepaald door de verhouding tussen de heer en zijn dienstknechten. Hun wakend wachten is ten diepste uit hem, hun heer, te verklaren. Rechte dienstknechten waken uit liefde tot hem. Ziet, het waken van onze br. Blom - we mogen het geloven - was vrucht van het genadewerk des Heeren in zijn hart en leven. Hij stond vaak op de achtergrond. Hij zag groot op Gods kinderen. Hij leefde in de vreze des Heeren, klein van zichzelf denkend en voor eigen gewaarwording er vaak buiten levend. Toch mogen we ook van het licht in Gods genade, in het werk en de Persoon van Christus, weten. Zo herinner ik me nog zo levend het gesprek in 1967 na een ingrijpende operatie in het ziekenhuis van Leerdam. Hij sprak van opening - met toepassing en toeeigening voor zichzelf - uit Psalm 32, de Psalm der vergeving...

We mogen het geloven dat hij niet vreemd gebleven is van het geheim van deze gelijkenis namelijk dat deze heer tegelijk knecht heeft willen zijn. Het eind van dit vers laat het zien hoe het zal zijn als de Zijnen mogen delen in de eeuwige heerlijkheid. Hij zal Zich omgorden en hen doen aanzitten... Hij zal hen dienen. Een oosterse heer doet dat in de regel niet. Maar deze gelijkenis gaat boven de regel uit: Hier wordt de heer knecht. Ziet, dat heeft Christus al eerder willen worden; de Knecht aller knechten. Door hem is er de mogelijkheid om te dienen en te waken. Door Hem alleen is er de volharding tot het laatste en worden Gods dienstknechten wakend gevonden.

Zo mogen we hier als kinderen, kleinen achterkleinkinderen, als gemeente, als vrienden samenzijn. Hij mag de strijd te boven zijn, ook eigen gebreken en tekortkomingen. Hij mag nu eeuwig delen in het aanzitten met Hem, aan de grote ronde Tafel van de hemelse Koning. Wij worden geroepen te waken, als familie... als kerken., als vrienden.

Kennen wij door genade de levensbetrekking, die de Heilige Geest vanuit deze Koning werkt in de harten van arme zondaren? Die leren zichzelf kennen in Goddelijk licht, die leren uitgaan naar de Heere, die kunnen alleen gezaligd worden door recht en genade, in en door het werk van deze Knecht aller knechten. De Heere roept tot getrouwheid om te waken. Hij werkt het ook totdat Hij al Zijn dienstknechten binnengehaald zal hebben. Wat een eeuwig wonder dan, als het vervuld wordt, wat we samen zingen Psalm 89:1


“’k Zal eeuwig zingen van Gods
goedertierenheên;
Uw waarheid ‘tallen tijd vermelden
door mijn reen.”


Op het kerkhof

Een zeer grote schaar plaatste zich achter de lijkwagen bij het verlaten van het kerkgebouw. Door de medewerking van de politie verliep alles onderweg zeer ordelijk. Men kon zien dat het een begrafenis was. In kerkelijke kringen is dat ook al anders. Bij begrafenissen valt dit op. Gepaste kleding, stemmigheid zijn twee werkelijkheden die als ouderwets worden gezien. Zwart vindt men “eng”. Alhoewel zwart het rouwkleed is in de Schrift. Welnu hier werd gepaste kleding gezien en meer dan dat. Er mocht van de begrafenis iets “koninklijks” uitgaan. Koninklijks niet vanwege de prestaties van een mens, maar door de wil van de Heere. De Heere geeft genade en eer. In de stoet bevonden zich ambtsdragers van diverse gemeenten en zeer veel predikanten. Vrienden van de overledene. Bij het kerkhof werd de stoet nog groter. Zeer velen waren gekomen om de laatste eer te bewijzen. Op verzoek heeft ds. M.C. Tanis op het kerkhof gesproken. Hij sprak als mede-ambtsbroeder en als vriend.

Ds. Tanis verzocht te zingen Psalm 84: 5 en 6: “O God, Die ons ten schilde zijt” en “Want God de Heer’ zo goed, zo mild”.

Indrukwekkend was het zingen van deze verzen. Er ging wat van uit. Een getuigenis, een belijdenis. Wat spreekt het werk des Heeren in deze verzen. Ds. Tanis wees in zijn toespraak op het vele werk, wat ds. Blom gedaan heeft. In eigen gemeente, als consulent, in de classis Utrecht en daar buiten. In verschillende gemeenten heeft hij gecatechiseerd en zelfs huisbezoek gedaan. Afstanden waren er voor hem niet. Zijn levensdoel was te onderwijzen in de leer, die naar de Godzaligheid is. De jeugd had hij lief, vandaar zijn inzet tot vele uren catechiseren. Op de begrafenis waren er uit den lande, die van hem catechetisch onderwijs hadden ontvangen.

De Heere liet zijn werk niet ongezegend.

Ds. Blom, zo merkte ds. Tanis op, was een bescheiden man. Nimmer plaatste hij zich op de voorgrond. Hij beleed het te moeten hebben van het werk van de Drieënige God en de Heere te vrezen en te dienen was zijn lust. Wat dat werk van de Drieënige God is en waarin het vrezen en dienen van de Heere bestaat en bemerkt wordt werd door de spreker vanuit de Schrift belicht. Hij haakte in op wat op een rouwkaart gezet is: “Let op de vrome en zie naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn.” Indringend en aansporend werd er gesproken. De weg ten leven werd aanbevolen. De rijke belijdenis dat: “God de Heere een Zon en Schild is, dat de Heere genade en eer geeft en het goede niet onthoudt dengenen, die in oprechtheid wandelen” werd met nadruk onderstreept. Wat dit is en doet in alle levensomstandigheden en ook in de toekomst, in het eeuwige leven en dat naar Gods welbehagen in Christus door de Heilige Geest.

Het was “goed” op het kerkhof. Gelijk het “goed” was op deze begrafenis.

Het werk van vrije genade mocht schitteren. De daden Gods, de bemoeienis des Heeren met een zondaar, de handhaving van Zijn trouw, de verzekering van Zijn aanwezigheid en dat steeds werden verkondigd tot steun en sterkte op de weg door het leven.

Het moge doorwerken. Ds. Blom is niet meer. Hij is afgelost. Hij is ingegaan in ‘s Heeren heerlijkheid. Hij leeft tot in eeuwigheid. Hij zal gemist worden door de zijnen en allen, die zich aan hem verbonden wisten. Echter de Heere wil tegenwoordig blijven. Hij gaat door met Zijn werk. Het moge onder ons en in ons blijken. Ook in onze kerken. De kerk heeft behoefte aan dienaren. Aan predikanten die weet hebben van genade en Gods vreze. In wier hart verankerd ligt en doorwerkt wat we onder meer in de Psalmen vinden. Die weet hebben van “zielsbevinding”.

Zo alleen zal onder de zegen des Heeren het welvaren van de kerk bemerkt worden. De tegenstellingen zullen verdwijnen en de eenheid blijken. Een eenheid in belijden en beleven. In beleven en belijden. En dat naar de Schrift en de drie formulieren van Enigheid.

De zoon van ds. Blom sprak namens de familie een dankwoord. Daarin memoreerde hij wie zijn vader was geweest in het gezin. Ds. Blom had zelf niets geregeld aangaande de dag van de begrafenis, zoals sommigen dat wel van tevoren doen.

De zoon merkte op dat het was gegaan zoals zijn vader gewenst zou hebben dat het bij een ander zou gegaan zijn. Al de aanwezigen werd dank gezegd voor hun komst en de sprekers voor datgene wat zij naar voren hadden gebracht. Na dit dankwoord van dhr. Blom gingen we terug naar het kerkgebouw.

Terug in de kerk

In de kerk werd de begrafenis op verzoek van de familie afgesloten door ds. A. van Heteren.

Hij las Openbaring 21:1-8. Uitgangspunt voor het slotwoord op deze begrafenis was Openbaring 21:4 “En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.”

In deze tekst is sprake van tranen. Alle droefheid en smart heeft zijn diepste oorzaak in het paradijs. Daar heeft de mens God rug en nek toegekeerd om nooit meer tot Hem terug te keren. Wat is er veel verdriet op aarde. Verdriet is ds. Blom niet gespaard gebleven. We denken aan het al eerder genoemde plotselinge overlijden van zijn vrouw en ook aan het ontvallen van andere betrekkingen. We mogen geloven dat ds. Blom niet alleen verdriet heeft gekend vanwege aardse verliezen en moeiten, dus verdriet over de gevolgen van de zonde. Door genade heeft hij mogen kennen droefheid over de zonde zelf. Tranen van droefheid naar God die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. Door genade heeft ds. Blom last gehad van de overblijvende zonde en ongerechtigheid, wat altijd weer reden tot droefheid is.

In het voorgelezen schriftgedeeltelezen we in vers 6 van “de Alfa en de Omega”. De Heere was begonnen in het leven van de overledene. De Heere heeft Zijn werk ook voortgezet en nu mag ds. Blom eeuwig en volmaakt dienen. In prediking en pastoraat heeft ds. Blom voorgehouden dat de Heere altijd de Eerste is. Als het van de mens zou moeten uitgaan zou er niemand zalig worden. Vrije, souvereine genade heeft hij mogen vertolken op de preekstoel en op de bezoeken.

Nu is alle droefheid voorbij, nu zijn alle tranen afgewist, voor eeuwig. Christus heeft de dood overwonnen. De tekst zegt: “En de dood zal niet meer zijn.” Alle reden tot tranen is weggenomen. Er staat: “Noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn.” Dit alles is door Christus verworven. Hij is gestorven, maar ook weer opgestaan. Hij is ten hemel gevaren en zit nu aan de rechterhand Gods des Vaders. Door Zijn hand gaat het welbehagen Gods gelukkiglijk voort totdat de laatste zal zijn toegebracht. Het geestelijke leven dat de Heere werkt, wordt door Hem ook in stand gehouden. Christus zorgt op een volmaakte wijze voor Zijn kudde. Elk schaap van die kudde zal dat ook in het stervensuur mogen ervaren.

“En God zal alle tranen van hun ogen afwissen”. Er zullen geen nieuwe tranen meer wellen. Dan zijn er geen zonden en geen wonden meer. Daar mag ds. Blom nu in delen.

“Want de eerste dingen zijn weggegaan”. Kruis en lijden is voorbij. Alle ellende en moeite van dit tegenwoordige leven ligt achter. Al het smartelijke van deze aardse bedeling behoort voorgoed tot het verleden.

Het komt er voor ons allen op aan of wij ook die tranen mogen kennen van droefheid over het bedreven kwaad. Verdriet leert iedereen kennen in dit leven. Ga maar eens naar de ziekenhuizen en de verzorgingstehuizen. Wat een smart, leed en verdriet wordt daar niet aangetroffen. Wat een teleurstellingen en smartelijke ervaringen zijn er in dit leven. Wat geeft dat een verdriet en reden om tranen te vergieten.

Laten we bedenken dat ook Ezau tranen heeft vergoten. Maar wat was de reden van zijn wenen? Het smartte hem dat aardse zegeningen hem ontgingen. Maar hij was niet verlegen om genade voor zijn ziel. Gods kinderen kennen verdriet vanwege de gevolgen van de zonde, maar ook over de zonde zelf. Zij hebben eeuwige smart verdiend. Wat is het wonder onbegrijpelijk groot dat de Zaligmaker voor hen de toorn Gods heeft gedragen. Hij heeft het verworven in een weg van lijden en sterven dat de tranen van hun ogen afgewist zullen worden.

Spreker zei dat hij bij de voorbereiding getroffen was door wat we lezen in Hand. 20:29-31 waar we Gods Woord aldus lezen: “Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen; En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich. Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen.”

Ook deze tranen heeft ds. Blom gekend. Door genade mocht hij getrouw waken. Maar dat riep ook tegenstand op. Paulus heeft drie jaar lang nacht en dag te Efeze onder tranen vermaand. Wat was ds. Blom ook getrouw in het vermanen. Ruim 40 jaren lang heeft hij mogen waken. Van twee zijden zag hij gevaren. Aan de ene kant het gevaar dat er een mogelijkheid en aanknopingspunt in de mens wordt gelegd, wat wordt aangetroffen in evangelische bewegingen. Aan de andere kant het gevaar van het bespreken van de waarheid zonder deze evenwel te beleven. Blijf bij die waarheid die de overledene mocht uitdragen op de kansel en in de huizen. Hij mocht verwoorden het wonder, de werkelijkheid en de noodzakelijkheid van de waarachtige bekering. Moge de Heere de familie, de kerkeraad en de gemeente gedenken in al wat nodig is. Hij geve naar Zijn vrijmacht en door Zijn almacht die tranen waar onze tekst van spreekt opdat het ook eenmaal zal gelden: “En God zal alle tranen van hun ogen afwissen.” Dan zal er reden zijn om te zingen: “Mijn God, U zal ik eeuwig loven omdat Gij het hebt gedaan.”

Vervolgens werd gezongen Psalm 30 vers 8 en werd er geëindigd met gebed waarin al het nodige werd afgesmeekt voor familie, kerkeraad en gemeente. Daarna werd er afscheid genomen van de familie.

Het was een goede dag. Het gesprokene moge nawerken. Bevestigd werd wat we lezen in Prediker 7: 2 “Het is beter te gaan in het klaaghuis dan te gaan in het huis des maaltijds; want in dezelve is het einde aller mensen, en de levende legt het in zijn hart.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1992

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Begrafenis ds. G. Blom

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1992

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken