Bekijk het origineel

De troost der verkiezing

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De troost der verkiezing

8 minuten leestijd

8.

(naar aanleiding van het gelijknamige boek van ds. L. Vroegindeweij)

... Daarom moet u, lezer, niet vragen: “Sta ik in het boek der uitverkiezing?” Maar u moet wel vragen: “Ben ik in Christus?” Deze Christus wordt ook u aangeboden. Dat is een hartelijke en welgemeende aanbieding.

Met deze enkele woorden van wijlen ds. Vroegindeweij eindigden we vorige keer. Inderdaad kunnen er in het leven van deze en gene veel vragen zijn rond de uitverkiezing. Heel persoonlijke en bange vragen. Uit zijn eigen geschriften weten we bijvoorbeeld van Maarten Luther dat hij bijzondere worstelingen rond de predestinatie heeft gekend. Niet van leerstellige maar van bevindelijke aard. Van hem is bekend, dat de meest felle aanvechtingen waaronder hij moest lijden de vraag betrof of hij wel uitverkoren was. En zou er voor een mensenkind, ook na ontvangen genade, geen reden tot angst en vrezen zijn als hij of zij op enig moment niet boven eigen vleselijkheid kan uitzien? Trouwens - ook de Leerregels weten van mismoedigheid en schrik bij hen die het levend geloof in Christus, het zekere vertrouwen des harten, de vrede van het geweten en de beoefening van de vreze des Heeren in zich niet krachtig gevoelen (DL 1/16). Zo’n ongewone zaak is dus de onrust en verslagenheid rond deze vragen niet. Althans, màg het in zulke omstandigheden niet zijn!

Welnu - er zou veel te schrijven zijn over de wijze waarop een man als Luther uit deze put getrokken werd.

Telkens weer. Het was met hem als met Christen uit Bunyan’s boek. Hij had pas grond als zijn voeten gezet worden op de rotssteen. En de Rotssteen is Christus. “Het is in de aanvechting der verkiezing nergens beter onze zekerheid te zoeken dan in de wonden van Christus. Ondertussen wees hij ook telkens en onverkort het middel aan waarvan Zich de Heere bedient. Wij hebben alleen te maken met de gepredikte God...” Het behaagt de HEERE immers door de dwaasheid der prediking zondaren tot het geloof te brengen. Maar ook de Zijnen te leiden en tot nadere vastheid te brengen. Trouwens, zo bedenk ik, hiervoor behoeven we niet eens helemaal naar Luther terug. Onze Dordtse vaderen spraken geen andere taal. In de inzet van de Leerregels. Ja, eigenlijk heel de Canones door. Spreken ze in de 16e paragraaf van hoofdstuk I bijvoorbeeld niet nadrukkelijk over het “vlijtig voortgaan in het waarnemen der middelen?” En daaronder zullen we toch mede de prediking van Gods Woord dienen te verstaan.

Prediking en verkiezing

Dat ds. Vroegindeweij in de aangehaalde regels zonder enige overgang verwees naar het aanbod van Gods genade en de ruimhartige prediking van Zijn ontferming, is dus geheel in de lijn van die Leerregels. De uitverkiezing sluit de prediking niet uit. En ook de verwerping sluit de prediking niet uit. Reden om eens na te gaan hoe ds. Vroegindeweij verder sprak over deze twee grote weldaden, prediking en verkiezing. En de verhouding tussen die beide. Allereerst dan de vraag: moeten de dienaren des Woords de uitverkiezing ook prediken? Menigeen beantwoordt deze vraag met “nee”. En zelfs wordt dan nog wel verwezen naar enkele passend schijnende bijbelteksten. Ik denk aan Mozes’ woorden zoals opgetekend in Deut. 29 vers 29. Onze belijdenis daarentegen spreekt een onbetwijfeld “ja” uit. “Gelijk de leer van de Goddelijke verkiezing naar Gods wijze raad door de profeten, door Christus Zelf en door de apostelen (...) gepredikt en voorgesteld is, alzo moet zij ook ten huidigen dage in de kerke Gods voorgesteld worden.” Is immers de verkiezing als zodanig ons niet geopenbaard? Behoort ze daarom niet tot de “geopenbaarde dingen” die “voor ons en onze kinderen” zijn? Immers, “alle(!) Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is”. Maar hoe en wanneer moet de verkiezing gepredikt worden? Artikel 14 zegt: “... te zijner tijd en plaats”. Dus niet altijd en niet in elk gedeelte van de prediking en niet onder alle omstandigheden. Van de verkiezing wordt menigmaal misbruik gemaakt. We kennen de overleggingen van de menselijke rede. Wellicht ook uit ons eigen hart. Deze: “zijn we uitverkoren, dan komen we er - hoe we ook leefden; zijn we verworpen, dan komen we er niet - eveneens hoe we ook leefden. Wat baten dan de Schriften, wat baat dan de prediking, wat baten dan onze werken?”

Wie het echter om Gods ontferming te doen is, laat zich door de prediking van de verkiezing niet uit het veld slaan. Een aangrijpend voorbeeld daarvan hebben we in de Kananese vrouw. De Heere Jezus houdt haar de verkiezing van Israel voor. Ze wordt erdoor buitengesloten. Dat is meer dan ooit iemand in onze dagen ten opzichte van de eeuwige zaligheid kan zeggen. Maar wat doet deze vrouw? Zij gelooft in de barmhartigheid en het mededogen van de Heere Jezus en beroept zich op het recht van de hondekens, op de kruimels... Wil dat nu zeggen, zo vraagt ds. Vroegindeweij, dat we met de verkiezing moeten beginnen als we ergens een zondaar ontmoeten?

Wij moeten niet zo de verkiezing prediken dat wij het Evangelie alleen willen verkondigen aan de uitverkorenen. De Heere Jezus is niet gekomen om de uitverkorenen doch om de zondaren en de verlorenen te roepen en te zoeken. Wij hebben er naar te vragen of ergens een zondaar is en hem met bewogen worden de heerlijkheid van de verlossende zondaarsliefde van Christus voor ogen te schilderen. Wij hebben alle mensen die onder ons bereik komen Christus voor te stellen, tot Hem te roepen en te zeggen wat God aangenaam is, namelijk dat de geroepenen tot Hem komen. Wij mogen in de prediking geen scheiding maken van uitverkorenen en verworpenen. Wel van rechtvaardigen in eigen oog en zondaars in eigen oog. Want dat heeft de Heere Jezus ook gedaan.

Troost en vermaning

Aandachtig gaat ds. Vroegindeweij de Schriftplaatsen na waar Christus met de prediking der verkiezing troost en waarschuwt. Denk eens aan Zijn bemoediging in Lukas 12: “Vreest niet, gij klein kuddeken! Want het is uws Vaders welbehagen ulieden het koninkrijk te geven”. Hier is er troost voor een ellendig en arm zondaar. De grootste en diepst verdorven zondaar kan zalig worden, want het is Gods werk en gave. Zo kan de prediking der verkiezing zulken tot troost strekken. De Heere is almachtig en Hij ontfermt Zich over wederhorigen. Dat mag gepredikt!

Maar de vermaning mogen we niet vergeten. Gehoorzaam aan de grote Profeet en Prediker: “Velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren”. Dat is een waarschuwing aan allen die zich koesteren in de gedachte dat zij bondelingen waren en dus geroepen zijn. De Joden lieten zich voorstaan op hun zaad-van-Abraham-zijn. Zij waren leden van het uitverkoren volk. Jezus hadden ze niet nodig. Nu komt de waarschuwing. Het is niet genoegzaam geroepen te zijn. Men moest ook met Christus bekleed zijn. En dat zijn er weinigen. Een waarschuwing om niet met uitwendigheden tevreden te zijn!

De verkiezing moet dus verkondigd worden in de kerk. Zowel in de vergadering van het kleine kuddeke als bij hen die zich op hun roeping laten voorstaan. Zij mag nooit voorgesteld worden om een arme zondaar uit te sluiten, maar wel om een rechtvaardige-in-eigen-oog te waarschuwen. Maar de verkiezing moet altijd zo gepredikt worden dat er ruimte blijft voor het geloof en het gebed van de Kananese vrouw. Het is niet best als alleen een uitverkorene geholpen kan worden. In elke prediking moet er voor Ruth en Rachab en voor de Samaritaanse en de Kananese plaats blijven. Nochtans mag niet vergeten worden de noodzakelijkheid te verkondigen van het toepassende werk des Geestes, van de levendmaking en van de trekking tot Christus en van het openen des harten. Het zal altijd een wonderlijke daad Gods zijn als er één zalig wordt. Het is verkiezing!

En de verwerping dan?, zo vraagt er tenslotte één. De HEERE is rechtvaardig en Zijn welbehagen is onberispelijk en vrijmachtig. Maar nooit kan iemand weten een verworpene te zijn zolang hij of zij in het heden der genade is. God kan de diepstgezonkene nog behouden. “Niemand mag geloven dat hij een verworpene is, want elk wordt ernstig en dringend geroepen en is verplicht te geloven in Christus tot zaligheid.” En toch zijn er die straks eeuwig verworpen zullen blijken.

Dat zijn zij die nooit in waarheid zich voor God hebben verootmoedigd. Die nooit de HEERE nodig hebben gekregen. Het is een diep geheim wie dat zullen zijn.

Zal ik het zijn? Niemand moest rust hebben voordat deze vraag is opgelost. Het is nog van niemand bekend dat hij een verworpene is, al zou hij nog zo diep gezonken zijn. En voor allen die genade van God bij aanvang of voortgang gekregen hebben, is de vastheid der verkiezing tot onuitsprekelijke troost, zo dikwijls als zij door Gods Geest ermee vertroost worden. Wellicht door middel van de prediking.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1992

Bewaar het pand | 12 Pagina's

De troost der verkiezing

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1992

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken