Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een werker in stilte (7)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een werker in stilte (7)

6 minuten leestijd

Wanneer we ons verdiepen in de levensgang van Leendert Huibert van der Meiden, dan ligt er tussen zijn geboorte in Hazerswoude en zijn overlijden in Den Haag een periode van 80 jaar. Geboren 20 april 1882, overleden 24 november 1962.

Zijn leven is niet vruchteloos geweest. Zijn leven, door de Heere gewild, is gebruikt voor Gods kerk, Zijn koninkrijk en de samenleving.

In een beknopte levensschets schrijft Van der Meiden, denkend aan zijn geboorte. Mijn ouders hebben misschien bij mijn geboorte gevraagd: “wat zal dit kindeke? Nadat er tachtig jaren voorbijgesneld zijn, moeten wij zeggen: wat dit kindeke werd, is alleen te danken aan Gods genade, eveneens wat hij mocht. doen”. In deze woorden hebt u Van der Meiden. Gelijk hij ook aan het eind schrijft: “Mij heeft niets ontbroken. De Heere maakte alles wel. Hij geve ons maar veel verootmoedigende genade en bediening uit de rijke volheid van Christus. Die Koning en Borg bediene Zijn kerk, Zijn bruid, uit Zijn volheid, opdat zij recht als bruidsgemeente mag leven, getuigen en wachten. Veel ontrouw klaagt ons aan; veel afwijking roept tot bekering en veel schuld moet ons dringen tot het gebed: verzoen de zware schuld, die ons met schrik vervult; bewijs ons Uw genade”. Ook deze woorden, die duidelijk een belijdenis laten horen, kwamen uit zijn hart. Werd Van der Meiden in 1938 hoogleraar, hij is altijd dominee gebleven. De echt pastorale inslag, die hem kenmerkte, toen hij predikant was, is hem eigen gebleven. In de gemeenten, waarin hij voorging, werd dit merkbaar. Hij had in zijn prediking niet zo de welsprekendheid als van een Wisse en het sprankelende van een Van der Schuit, maar men kon hem horen. Het was zijn lust om getrouw schriftuurlijk, bevindelijk te preken. In het thema en de verdeling van de preek lag al veel opgesloten, zodat menige student die noteerde. Zes dagen na de herdenking van zijn gouden ambtsjubileum overleed hij vrij plotseling. De herdenkingspreek had hij uitgesproken in zijn laatste gemeente Den Haag-Centrum. Na zijn emeritering als hoogleraar vestigde hij zich met zijn vrouw in de voor hem zo bekende stad. De tekst van de jubileumpreek was Galaten 6:14: “Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus, door Welken de wereld mij gekruisigd is en ik der wereld”. Na de preek uitte de jubilaris zijn verlangen om spoedig ontbonden en met Christus te zijn. Nu die wens ging enkele dagen daarna reeds in vervulling. Zijn heengaan deed veel bij hen, die hem gekend hebben als predikant en als hoogleraar. Prof. Van der Schuit, met wie Van der Meiden 50 jaar heeft mogen samen werken, zei het op zijn eigen markante wijze: “Vader is boven zo werd zaterdag bericht. In Amsterdam waren in de huizen aan de grachten veel souterrains (Van der Schuit heeft in Amsterdam als predikant gestaan). Veel van die huizen hadden het bordje: “de werkplaats is beneden, het woonhuis is boven”. De werkplaats is nu voor Van der Meiden gesloten; hij is nu eeuwig in het woonhuis”. “En, aldus Van der Schuit, ik kom ook, want in het huis van de Vader zijn vele woningen”.

Van der Meiden spreekt nog, nadat hij gestorven is. Ik hoop ook vandaag.

Geschiedenis op zich is niet meer zo’n aantrekkelijk vak. In de kerkgeschiedenis zich te verdiepen, komt ook niet zoveel voor. Laat staan in de geschiedenis van eigen kerk en gemeente. De uitgever blijft niet met gedenkboeken zitten, er is aftrek. Men leest, maar het gelezene kan zo gemakkelijk weer vergeten worden. Het eigentijdse kan zo alleen de belangstelling hebben. Nu is het zeker waar, we leven in de negentiger jaren en het tijdsbeeld is anders van vijftig, honderd jaar geleden.

Echter één zaak,één werkelijkheid dient niet vergeten te worden: het werk van de Heere wijzigt zich niet. Gods Woord en de belijdenis der kerk blijven staan. De leer der kerk mag nimmer aangepast worden aan het denkpatroon en de overtuiging van de mens. Het theologisch denken van wie ook mag nimmer ingedragen worden in de Heilige Schrift. Het “zo zegt de Heere” moet gehoorzaamd, het gezag van de Heilige Schrift erkend en dat de Schrift haar eigen Uitlegster is. Daar dient een predikant ook steeds van doordrongen te zijn. Hij moet overal op en onder de kansel dienaar, bedienaar van het goddelijk Woord zijn.

Van der Meiden kan hier ten voorbeeld gesteld worden. Uit innerlijke eerbied voor en verbonden aan het Woord, wilde hij steeds het Woord bedienen.

Prof. Kremer schreef in het jaarboek 1963: “het werk van Prof. van der Meiden kenmerkte zich door een bijzondere hoogachting en liefde voor Gods openbaring, zoals die in de Schriften tot ons komt. Steeds was hij zich daarbij diep bewust, dat de Heilige Geest alleen dit Woord Gods recht doet kennen en toepast aan de harten. Dit geldt voor de theoloog, maar ook voor elk lid der gemeente”.

Nu is het zeker waar, dat Van der Meiden niet de enigste predikant, hoogleraar is, die in waarde dient gehouden te worden en wiens leven en prediking moet overdacht worden. Het paulinische woord dient ter harte genomen te worden: “Gedenkt uwer voorgangers, die u het Woord Gods gesproken hebben en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling”.

Het blijven denken aan de ambtsdrager is eis, maar dan niet slechts door een foto aan de muur van de consistorie. Wanneer de foto niet spreekt, dan is het niet best gesteld in kerkeraad en gemeente. Er mag geen tegenstelling zijn tussen het verleden en het heden. Het wezenlijke van 40, 50 jaar geleden mag niet begraven liggen. Er is geen eigentijdse prediking. Zeker de opbouw en in bepaald opzicht de stijl van de prediking kan anders zijn, maar de hoofdinhoud moet gelijk zijn aan jaren geleden. De geestelijke erfenis van het verleden mag niet begraven liggen. De jongeren dienen er weet van te hebben. Het doorgeven ervan is naar de Schrift. Gelukkige gemeente, waar dit blijkt. Waar achting is voor het verleden, waar jongeren weet krijgen van het verleden, waar de predikant ook met hoogachting spreekt over zijn voorgangers, die voor de tweede wereldoorlog de gemeente dienden. Geeft hij door, wat hij van hen weet, dan is dat een bewijs, dat hij zich één weet met het verleden. Het: “Ik ben een vriend, ik ben een metgezel, van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen en leven naar Uw Goddelijk bevel” is blijvend. Genadeleven en daarom ook de geestelijke verbondenheid zijn geen tijdgebonden realiteiten.

Prof. Kremer schreef na de begrafenis van Van der Meiden: “Zijn onderwijzing en zijn getuigenis blijven klinken, waarin Professor Van der Meiden op bijbels-confessionele wijze de weg der vrije genade gewezen heeft, die hemzelf tot de weg des levens geworden was”.

Van der Meiden heeft dit zelf ook vastgelegd in een gedicht.

(Zie pag. 212).

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1992

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Een werker in stilte (7)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1992

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken