Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De troost ver verkiezing (16)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De troost ver verkiezing (16)

(naar aanleiding van het gelijknamige boek van ds. L. Vroegindeweij)

9 minuten leestijd

“God is getrouw die de Zijnen in de genade, hun eenmaal gegeven, barmhartig bevestigt en ten einde toe krachtig bewaart.” Het is maar een klein zinnetje, in een enkel ogenblik uitgesproken. Maar de inhoud ervan is zo vol en rijk dat een mens die er iets van verstaat en het gewicht ervan enigzins gevoelt er niet licht mee klaar komt. “Als ik dit wonder vatten wil, staat mijn verstand vol eerbied stil.” En toch mochten de vaderen van Dordt met recht deze uitspraak doen en de volharding der heiligen belijden. Niet dat Gods kinderen zelf zo volhardend zijn maar dat de HEERE volhardt in hun bewaring bij de verkregen verlossing. Hij laat het werk van Zijn handen niet varen. Ook niet ten aanzien van de zondaar die na ontvangen genade struikelt in de verzoeking en tot grote zonden vervalt.

Verzekering

We zijn bezig met hoofdstuk V van de Dordtse Leerregels - het laatste grote onderdeel waarin de kerk belijdenis doet van het wonder van de volharding der heiligen. Nu valt dit laatste hoofdstuk van de Canones in twee delen uiteen. In de eerste acht paragrafen wordt beleden dat de ware gelovigen dank zij de bewaring des HEEREN ten einde toe in het geloof volharden. Daarvan hebben we de vorige keer in het kort iets gezien. In het overige gedeelte komt de vraag ter sprake of de gelovigen ook voor zichzelf van deze volharding verzékerd kunnen zijn. Deze vraag wordt dan in bevestigende zin beantwoord. Het is vooral in dit gedeelte dat de tróóst van het leerstuk naar voren komt. Immers - de bewaring en volharding van de gelovigen is geen natuurlijke zaak die vanzelf zou spreken. Gods heiligen zijn in zichzelf zwak en geneigd om af te vallen. Het is ook zeker niet de kracht van hun wil die hen bewaart. Wat is het dan wel? Het is de kracht van Gods wil. Daarom alleen ligt de zaligheid van Gods kinderen vast. Ze worden zo bewaard dat ze volharden in de gehoorzaamheid van het geloof èn ze krijgen daarvan min of meer vaste zekerheid.

De Leerregels verwoorden deze grote weldaad aldus: “Van deze bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid en van de volharding der ware gelovigen in het geloof kunnen de gelovigen zelf verzekerd zijn. En ze zijn het ook naar de mate van het geloof waarmee zij zekerlijk gelovigen dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en levende leden der Kerk, dat zij hebben vergeving der zonden en het eeuwige leven” (par. 9).

Betekent dit nu dat zij boven alle strijd en aanvechting verheven zijn, dat alle twijfeling nu als sneeuw gesmolten is? Dit te denken is ver van de praktijk vandaan. De ervaring leerde toen en leert nog dat er veel twijfelingen in de gelovige zijn. Een groot man als Calvijn wist er ook van: “Voorwaar - wanneer wij leren dat het geloof zeker en gerust moet zijn, zo hebben wij niet in de zin te spreken van zulk een verzekerdheid die door geen twijfel geraakt wordt, noch van zodanige gerustheid welke door geen bekommering wordt overvallen. Wij zeggen veeleer dat de gelovigen een voortdurende strijd hebben met hun eigen wantrouwen. Zover is het daar vanaf dat wij hun gewetens zouden stellen in enige stille rust dewelke door gans geen beroerten zou verbroken worden” (III, 2, 17). In deze lijn spreken ook de Leerregels in paragraaf 11. Evenwel - God, de Vader aller vertroosting, laat hen boven hun vermogen niet verzocht worden maar geeft met de verzoeking ook de uitkomst. Ja zelfs wekt hij in hen de verzekerdheid der volharding wederom op. Door de Heilige Geest die getuigt dat zij kinderen Gods zijn.

Wat is er de oorzaak van dat de Leerregels zo uitvoerig handelen over deze innerlijke overtuiging van de gelovigen dat God hen niet zal begeven? Een bestreden zekerheid - jazeker; maar een door de HEERE Zelf temeer bevestigde zekerheid! De oorzaak van die verhandeling ligt in het feit dat men van Remonstrantse zijde die verzekering van het geloof wat de toekomstige zaligheid betreft, loochende. Daardoor beroofden zij Gods kinderen van hun vastigheid in God. En dat lieten onze vaderen zich niet gezeggen. Zij wisten op goede gronden dat de zaken anders liggen. Uit de Schrift en uit de eigen ervaring.

En dit getuigenis is onweerlegbaar. “Vertrouwende ditzelve”, zo schreef de apostel Paulus aan de Filippenzen, “dat Hij die in u een goed werk begonnen heeft, dat zal voleindigen tot op de dag van Jezus Christus” (1:6). Gods kinderen zijn immers wedergeboren, “niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God “ (1 Petr. 1:23). Zoals het zaad is, zo zal de vrucht zijn, indien Gods uitverkorenen deze vaste troost in het strijdperk van het leven niet hadden, namelijk dat zij in Christus meer dan overwinnaars zijn en dat de HEERE hen bij dit onbedrieglijk pand bewaren zal, zij zouden de ellendigsten van alle mensen zijn.

Vernedering

Er is nog een stuk dat de Dordtse vaderen in dit verband aan de orde stellen. Het hield verband met nog weer een andere beschuldiging van Remonstrantse zijde. Meer dan eens hebben dezen namelijk gesteld dat de gereformeerde leer van de volharding schadelijk en hinderlijk zou zijn voor de Godsvrucht en de goede werken. Deze leer zou de gelovigen namelijk een vrijgeleide tot zondigen verlenen. Ze zou alle heilzame zorgvuldigheid en zaligmakende vrees teniet doen en vooral “zachte kussens voor het vlees maken, voornamelijk als geleerd wordt dat de gelovigen door geen zonden of gruwelijke misdaden verlies van hun zaligheid kunnen lijden”. Het is de bekende aanklacht. Deze namelijk dat de gereformeerde leer zorgeloze en goddeloze mensen zou maken, als zou die leer luiden: “Wij zullen in de zonde blijven opdat de genade te meerder worde” (vergelijk Rom. 6:1). De Heidelbergse Catechismus beantwoordde een dergelijke beschuldiging met het bekende antwoord 64: “Neen zij, want het is onmogelijk dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid”. Het is ondenkbaar dat een zondaar die leeft uit het wonder van Gods ontferming en bij beoefening iets mag kennen van de verzekerdheid der volharding, een slordig en zorgeloos leven zou vertonen.

Ds. L. Vroegindeweij bracht in dit verband Davids schuldbelijdenis in Psalm 51 ter sprake. We luisteren even naar hem. “In de psalmen ziet men Gods kinderen in het hart. Zij komen niet gemakkelijk van hun zonden af, dat wil zeggen niet zonder verslagenheid en verbreking des harten. De HEERE laat hen niet toe dat zij dartel of zorgeloos hun weg gaan. Ten eerste kon David dit niet in de tijd vóórdat Nathan tot hem kwam. Volgens Psalm 32 moet hij het toen vreselijk benauwd gehad hebben. Het beginsel van een nieuw leven was in David. Daardoor had hij geen rust. Maar dit was toch niet genoeg om hem tot vrede te brengen. Integendeel, hij kon niet heen of weer. Totdat God ingreep. Maar toen moest hij zich volledig overgeven en verklaren: Ik heb gezondigd tegen de Heere! Het betekende wel dat hij zich naar waardigheid voor eeuwig verloren verklaarde. Dat was niet zomaar. De Heere greep dan ook onmiddellijk in bij monde van de profeet. Maar nu moet deze geweldige ondervinding, dit spreken en doen Gods, ingepast worden in Davids beleven, gevoelen en wandel. Hoe moeilijk dat was, blijkt uit de genoemde psalm. Het geheim van Gods liefde en vergeving, en de inpassing daarvan in het leven van de koning, vraagt een diepgaande ontdekking van wat er gebeurd is. (...) Het is niet zo dat van de wedergeborene gezegd moet worden: hoe meer volharding, genade, bewaring, opzoekende liefde en ontferming - hoe meer veronachtzaming der Godzaligheid. Het is wel omgekeerd. Hoe meer goedheid en genade het kind des Heeren ondervindt, hoe begeriger het wordt de HEERE te dienen. Wat heeft David immers gebeden om een nieuw hart en een vaste geest...” Tot zover ds. Vroegindeweij.

Uit dit voorbeeld van koning David blijkt wel heel treffend dat de volharding der heiligen alleen in de weg van ware verootmoediging werkelijkheid wordt; de boetvaardigheid die de zondaar leert zichzelf te veroordelen en God te rechtvaardigen, zichzelf ongelijk en God gelijk te geven. Zo maakt de ware prediking en de van God geleerde ondervinding van de volharding der heiligen de gelovigen niet lichtvaardig of zorgeloos, maar des te ootmoediger en waakzamer. De HEERE laat Zich door de Zijnen wederom vinden.

Door hun zonden verdienen de gelovigen dat de Heilige Geest hen geheel verlaten zou en dat zij verloren zouden gaan. Maar, o wonder! Het aanschijn van de verzoende God - “waarvan de aanschouwing voor de god-vruchtigen zoeter is dan het leven en waarvan de verberging bitterder is dan de dood” - is niet meer van hen afgekeerd. In plaats van de doorgestane smarten geeft Hij vertroosting. Zo wordt Gods volk weer opgericht. Alle roem is uitgesloten. Alle rusten in eigen werk eveneens. Met deze vernedering rijst slechts grote verwondering op. En dankbaarheid. “Wat zal ik de HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?!”

Is het wonder dat onze vaderen dit vijfde hoofdstuk besloten zoals zij ze besloten? Met een lofprijzing op de HEERE en Zijn werk van niet-aflaten-de genade. “Deze leer van de volharding der ware gelovigen en heiligen, mitsgaders van de verzekerdheid der volharding welke God tot Zijns Naams eer en tot troost der Godvruchtige zielen in Zijn Woord zeer overvloedig geopenbaard heeft en in de harten der gelovigen ingedrukt, wordt wel door het vlees niet begrepen en wordt door de satan gehaat, door de wereld bespot, door de onervarenen en schijnheiligen misbruikt en door de dwaalgeesten bestreden - maar de Bruid van Christus heeft haar altijd als een schat van onwaardeerbare prijs zeer tederlijk bemind en standvastiglijk verdedigd. En dat zij dit ook voortaan doe, zal God bezorgen, tegen dewelke geen raad geldt noch enig geweld iets vermag. Welken enigen God - Vader, Zoon en Heilige Geest - zij eer en heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.”

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1992

Bewaar het pand | 10 Pagina's

De troost ver verkiezing (16)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1992

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken