Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Nederlandse Geloofsbelijdenis (45)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nederlandse Geloofsbelijdenis (45)

Eenheid en afscheiding

11 minuten leestijd

Het laatste gedeelte van artikel 28 rest ons nog. We zien eerst de tekst: “En opdat dit des te beter onderhouden zou kunnen worden, zo is het ambt aller gelovigen, volgens het Woord Gods, zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn en zich te voegen tot deze vergadering, hetzij op wat plaats dat God ze gesteld heeft; ook ofschoon het zo ware, dat de magistraten en de plakkaten der prinsen daar tegen waren, en dat de dood of enige lichamelijke straf daaraan hing. Daarom, al degenen, die zich van haar afscheiden of niet daarbij voegen, die doen tegen de ordinantie Gods”.

We behoeven er hier niet naar te raden, waarom het gaat. Duidelijk wordt de plicht voorgesteld om zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn en zich te voegen bij de ware Kerk. Het woord “ambt” zal verstaan moeten worden als plicht, taak. In de eerste uitgave van Guido de Brés staat: “dit is aller gelovigen schuldige plicht”. Met “degenen, die niet van de Kerk zijn” wordt hier in het hele verband niet de wereld bedoeld maar de valse kerk. Met “deze vergadering”: de ware Kerk, zoals die in het begin van dit en het vorige artikel genoemd wordt. Deze plicht wordt onderstreept door de toevoeging: “volgens het Woord Gods”. Er is vandaag een zekere verlegenheid om voor deze belijdenis aandacht te vragen. Ik denk dan niet aan de ijveraars voor een eenheid, waarbij de waarheidsvraag niet beslissend is. Het is trouwens de vraag of zij met dit gedeelte nog wel zo verlegen zijn! Het kan nog een plaats hebben in de officiële geschriften, maar in feite zijn deze woorden al afgeschreven. Het meedoen met de Wereldraad van Kerken, het meegaan in het samen-op-weg proces laten het duidelijk zien.

De verlegenheid met dit slot van artikel 28 spreekt veel meer onder hen, die juist wél de waarheidsvraag binnen de Kerk willen laten gelden. Hoe benauwend is in dit opzicht de kerkelijke situatie. Ook zij, die oprecht zoeken het merkteken van de Kerk in de zuivere bediening van Gods Woord binnen eigen kerkelijk leven te laten functioneren, leven naast elkaar, niet zelden zelfs tegenover elkaar! Men kan de euvele moed hebben te zeggen: naast ons bestaat niemand. Dan zou er geen verlegenheid zijn. Maar wie nog andere kerken ontdekt, weet toch vaak geen weg met deze woorden.

Het is daarom te meer nodig om dit gedeelte recht te benaderen. Heel gemakkelijk is het om het enkel toepasselijk te verklaren voor de tijd van de reformatie. Dan is de klem voor vandaag er af: tóen had het betekenis maar nü bij een veelheid van kerken.... Ongetwijfeld moeten deze woorden gelezen worden bij de achtergrond van de breuk met Rome. Voor de toonzetting van dit gedeelte is die zelfs veelal beheersend. Wie dat echter doet, zal ook ontdekken dat er toen, in die tijd, een verband is gezien en beleden, dat voor vandaag heilzaam is om het te verstaan en te beleven. Ik bedoel het verband tussen de eenheid van de Kerk en de schuldige plicht tot afscheiding, zoals hier gesteld. En uiteraard gaat het dan om die eenheid, die gebonden is aan de waarheid van Gods Woord.

Een belangrijke brief

We begeren dus aan de historische achtergrond niet voorbij te gaan. In de tijd van de reformatie is het recht en de plicht van afscheiding van degenen, die niet van de Kerk zijn, voor de gelovigen vanuit Gods Woord in het licht gesteld. Het is mogelijk dit uit de werken van verschillende personen van die tijd aan te tonen. We doen het echter alleen uit een geschrift van Calvijn, dat in deze zaak onderwijzend is. Het is eigenlijk een lange brief: de brief van Calvijn aan de Roomse kardinaal Sadoletus.

Calvijn schreef deze toen hij zelf verbannen was uit Genève en voor een tijd in Straatsburg was. Nu had Sadoletus een brief geschreven aan de Raad en burgers van Genève om “hun zinnen weer onder het eenmaal afgeschudde juk van de Paus van Rome te brengen”. Deze geestelijke streed zelf tegen de gebreken van de Roomse Kerk, maar hij hield overigens vast aan die kerk, die de waarheid Gods op aarde bewaarde. De reformatie was voor hem de breuk met de eenheid der kerk. In feite was het een misdaad, die gestraft zou worden met de hel. Hij gebruikte vleiende woorden om Genève te bewegen tot afscheid van de reformatie.

Calvijn schreef toen op aandrang van vrienden de bedoelde brief. Ondanks alle ongelijk hem door Genève aangedaan kwam hij zo uit in herderlijke toegenegenheid. Het is een waardige en bewogen verdediging van de reformatie. Duidelijk stelt hij daarin dat de reformatie geen verminking van de waarheid en geen verlating van de Kerk is. De Róómse Kerk is afgeweken van de gemeenschap van de Kerk door de valse leer. Kerkelijk gezag heeft daarbij de plaats ingenomen van het gezag van Gods Woord. Het beroep op de leiding van de Heilige Geest, dat Rome doet, is in dit verband ijdel, omdat de gebondenheid aan het Woord Gods er niet is. Zo was de reformatie geen afscheiding van de Kerk, zoals Sadoletus schreef maar van degenen, die niet van de Kerk zijn.

In verschillende passages in deze brief komt de laatste duidelijk uit. We nemen er hier één over waarin Calvijn als voor Gods Aangezicht de beschuldiging van afscheiding van de Kerk weerlegt: “Ik heb het ook niet als een scheiding van Uw Kerk beschouwd.

Want door Uw Zoon en Uw apostelen hebt Gij ons vermaand, dat op die plaats lieden zouden komen, met wie men eenvoudig niet één van zin mocht zijn. Hij heeft dat niet gezegd van lieden, die van buiten inkomen, maar van dezulken, die zich herders noemen; rovende wolven en valse profeten zullen komen en wacht u voor hen (Mattheüs 7:15). Waar Hij nu voorzichtigheid ried zou ik daar de hand roekeloos uitsteken? De apostelen noemen de ergste vijanden Uwer Kerk hen, die uit haar zelf voortkwamen, die zich achter de naam herder verborgen (2 Petrus 2:1, en Johannes 2:18). Hoe zou ik dan aarzelen mij af te scheiden van dezulken, die de apostelen ons als vijanden voorstellen?”

Zijn deze bewogen woorden niet genoeg om de bedoeling van dit gedeelte van art. 28 te laten zien? Hier schrijft maar niet alleen een herder van de Kerk, maar ook één van de gelovigen, die de schuldige plicht verstaat om zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn. Het ging niet om het verbreken maar om het bewaren van de eenheid van de Kerk.

Afscheiding en wederkeer

Bij de Afscheiding in 1834 hebben ds. de Cock en zijn gemeente zich ook beroepen op dit artikel.: “weshalve de ondergetekenden met deze verklaren zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn, en dus geen gemeenschap meer te willen hebben met de Nederlandse Hervormde Kerk, totdat deze terugkeert tot de waarachtige dienst des Heeren, en verklaren tevens gemeenschap te willen uitoefenen met alle ware Gereformeerde lidmaten en zich te willen verenigen met elke op Gods onfeilbaar Woord gegronde vergadering, aan wat plaatse God dezelve ook verenigd heeft, betuigende met deze, dat wij ons in alles houden aan Gods heilig Woord en aan onze aloude formulieren van enigheid, in alles op Gods Woord gegrond...”

Wij gaan Reformatie en Afscheiding niet gelijk stellen. Gods werk komt telkens in verscheidenheid uit. Maar we zien wel principieel dezelfde lijn. Het ging niet om afscheiding van de Kerk maar om afscheiding van een kerk, waarin de leer van de vaderen verminkt was en verloochend werd. Het ging ook in wezen om het bewaren van de eenheid der Kerk. Vandaar ook het uitzien naar wederkeer van de Hervormde Kerk en naar de gemeenschap met alle ware Gereformeerde lidmaten.

Het ambt der gelovigen

Aan het begin is opgemerkt dat het woord “ambt” hier verstaan zal moeten worden als “schuldige plicht”. Verschillende verklaringen denken meer aan “het ambt der gelovigen”. Eigenlijk strijdt dat niet tegen elkaar. Krachtens dat ambt is er de strijd tegen de zonde en de valse leer en kan er geen samengaan zijn met anderen ten koste van de waarheid. Zo komt het vooral ook meer uit, dat het hier gaat om een zaak, die alleen op een geestelijke wijze recht beleefd wordt.

Het gaat hier om de lidmaten van Christus. Zij zijn gezalfden: “Doch Gij hebt de zalving van de Heilige en gij weet alle dingen” (1 Johannes 2:20). Door Gods Geest heeft de openbaring Gods een plaats in het binnenste van hun hart gekregen en hebben ze verstand gekregen om God en Christus te kennen. Zij krijgen geestelijk weet van de waarheid, ook geestelijke onderscheiding van de leugen. Dan wordt de strijd op het kerkelijk erf anders gestreden wat helaas zoveel gebeurt in vitzucht en met vleselijke wapenen. Dan is de innerlijke liefde tot de waarheid de drijfveer. Dan wordt de eer van God en van de Koning van de Kerk beoogd. Dan is er geen kerkelijke hoogmoed en is er oog voor anderen. Dan wordt er niet lichtvaardig gebroken, zonder dat de rechte weg bewandeld wordt.

Zou dat niet méér moeten spreken in de vaak zo moeilijke situatie in kerkelijk opzicht? Laten we niets afdoen van de schuldige plicht in dit artikel beleden. De onwaarheid mag geen plaats hebben binnen de Kerk des Heeren. Maar wie dat in de vreze Gods betracht, zal het een wonder zijn, dat de ogen geopend werden voor de waarheid Gods. Die zal zó, bekrachtigd uit God, uit de Koning der Kerk, spreken en handelen. Die gunt zelfs zijn tegenstanders het goede. Calvijn, die zo scherp tegen Sadoletus geschreven heeft in de brief, die we al genoemd hebben, eindigt met de wens dat Sadoletus met de zijnen zal inzien, dat er geen andere kerkelijke eenheid is, dan dat de Heere Jezus ons uit de verstrooiing in de gemeenschap Zijns lichaams verzamelt “opdat wij zo alleen door Zijn Woord en Zijn Geest tot één hart en één ziel samen opwassen”. Dat is de taal van iemand, die de zalving van de Heilige heeft.

Magistraten en plakkaten daartegen

Guido de Brés kon het schrijven dat het voegen bij de ware Kerk schuldige plicht “ofschoon het zo ware, dat de dood daaraan hing..”. Het was de tijd, dat de overheid tekeer ging tegen de protestanten. De woorden “magistraten en plakkaten der prinsen..” wijzen daarop. Hij zelf heeft de belijdenis van vrije genade met de dood moeten bekopen. Hij heeft ervan getuigd in de gevangenis voor zijn terechtstelling. “Ik ben vandaag veroordeeld om de leer van de Zoon van God”.

Sprekend is het ook, dat hij in zijn laatste woorden - bij de terechtstelling zelf - het volk vermaant om de overheid te eerbiedigen en toch te volharden in de leer der waarheid. Zó hier: Gode meer gehoorzaam dan de mensen.

Niet van haar afscheiden

De laatste zin is gericht tegen degenen, die zich afscheiden van de Kerk om allerlei gebreken. Het is opmerkelijk dat Calvijn, die geen gemeenschap kon hebben met de dwaalleer van Rome, zich ook richt tegen de geestdrijvers, die een volmaakte Kerk zochten. Zij verlieten de Kerk om de gebreken. Later schrijft W. a Brakel tegen de aanhangers van de Labadie, die een zuivere kerk wilde. De Labadie wenste een krachtige toepassing van de tucht. Door allerlei voorschriften zou de heiligheid van de Kerk uitkomen. Zo brak men met de Kerk, als de heiligheid niet openbaar kwam. Uitvoerig gaat Brakel daar tegenin. Hij gaat tegen de gebreken in, maar stelt dat het tegen Gods Woord is om die gebreken zich van de Kerk af te scheiden.

Het heeft ook in onze tijd wat te zeggen. Sommigen verlaten om geringe zaken buiten de waarheid de Kerk. Zij gaan op zichzelf staan, ook dán waar meer de waarheid Gods in de Kerk beluisterd kan worden. Onze belijdenis zegt niet dat er zo geen waar geloof kan zijn, wél “die doen tegen de ordinantie Gods”.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1992

Bewaar het pand | 10 Pagina's

Nederlandse Geloofsbelijdenis (45)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1992

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken