Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Apeldoomse Dogmatiek (5)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Apeldoomse Dogmatiek (5)

7 minuten leestijd

De Openbaring (a)

Bij God beginnen

Het is wel te begrijpen dat de Apeldoomse Dogmatiek (A.D.) begint met een hoofdstuk over De Openbaring. Want wat zouden wij van de onzienlijke God kunnen weten als Hij Zich niet aan ons geopenbaard en bekend gemaakt zou hebben? “Bij Gods openbaring beginnen is bij God Zelf beginnen” (34). Aan het denken en spreken over God en Zijn daden moet het luisteren vooraf gaan naar wat God van Zichzelf zegt, nl. in de Schrift.

Beginnen bij de Godsopenbaring in de Schrift!

Dat is een bewuste keuze van de reformatorische theologie. Een theologie die niet uit God is, niet aan Zijn Woord ontspringt, is geen betrouwbaar kompas voor het kerk-schip. Ik meen ook dat het uitgangspunt: Eerst het Woord laten spreken, kenmerkend is voor de mannen van het eerste uur zoals van Lingen en Wisse. Eer heel goed standpunt.

Vrijzinnigheid

Uit dit eerste hoofdstuk van de AD. blijkt ook dat het reformatorische uit gangspunt: Eerst het Woord laten spreken, niet door allen gedeeld wordt. Voor velen in de Hervormde en Gereformeerde Kerken is het Woord als de openbaring Gods niet meer gezaghebbend. Heel duidelijk is dat in 1944 verwoord door de vrijzinnige theoloog dr. G.J. Heering. Hij ging ervan uit “dat wij” uitmaken wat voor ons het evangelie is, dat wij dus ons persoonlijk credo (geloof) bepalen. “Wanneer men als openbaring, als Gods Woord ons voorhoudt wat niet behoort tot de openbaring die ons is geschied, dan leggen we het, schoon het in de Schrift en in de Confessie staat, eerbiedig (!) naast ons neer; het behoort (voorlopig of voorgoed) niet tot ons Evangelie”.

Het gaat dus de vrijzinnigheid niet om het Evangelie, de Schrift als openbaring, maar om ons Evangelie. Wij maken uit wat ons Evangelie is. Dat persoonlijke Evangelie kan eventueel in de loop van ons leven nog wat uitgebreid worden maar evenzogoed ook niet. Dat maken we zelf wel uit.

In de Hervormde Kerk is de vrijzinnige theologie al zo’n kleine tweehonderd jaar geaccepteerd. Die theologie is een gevolg van wat men de dige heiligheid Gods door de bijzondere geestelijkheid der wet begint zij uit te roepen: hoe kan ik voor Hem bestaan of verschijnen met zulke voortdurende besmettingen?

De Heere roert de mesthoop om en om van ons verdorven hart. Als het gebod gekomen is zegt Paulus is de zonde levend geworden. Rom. 7:9, 10, 11. Zo stierf hij aan alle zelfvertrouwen. Als de wet en de wil van de mens elkaar ontmoeten, de een heilig rechtigheid en goed, de ander verdorven, veroorzaakt dit een harte tegenstand, als de ziel onder de levende bewerking van de wet is. Zo laat God de uitverkorenen gevoelen welke goddeloze harten zij hebben. God laat alle bloemen verwelken zegt Shepard die ons buiten Christus hebben verkwikt. Zo komt de ziel tot een heilige wanhoop aan zichzelf. Zij ervaart hoe belast en vermoeid zij is door al haar wettisch werken en vertrouwen op haar eigengerechtigheid. Want zondig is en blijft zij, zijn hart, zijn natuur ondanks al haar doen en laten. En zo leert zij over al haar beste werken, die met zonde bevlekt zijn uitroepen: Nu zie ik, welk een gruwelijk en rampzalig monster ik ben, ik kan niets voor God noch voor mijzelf doen. Te zondigen en mijn eigen verderf te bevorderen, daartoe ben ik bekwaam. Al wat ik ben deugt niet en al wat ik doe deugt niet, nu zie ik, dat ik waarlijk ellendig, arm, blind, jammerlijk en naakt ben. Hier blijft geen hoop meer over om de breuk tussen God en de ziel te helen, zo bezwijkt zij waarlijk en dit acht ik de ware betekenis te zijn zegt Shepard van Matth. 11:28 Gij die vermoeid zijt, dat is, gij die uzelf in uw eigen weg afslooft en rust voor uw ziel zoekt door uw eigen werken en zure arbeid, gelijk de woorden betekenen en u daarin vermoeit en nochtans beladen blijft met zonden, terwijl gij daaronder gebukt gaat, geen rust vindende in al wat u doet: Komt herwaarts tot Mij zegt Christus, en dan zult gij rust vinden voor uw ziel.

Als echter de Geest van Christus de gerechtigheid van God in de wet opheldert voor de ziel, bestaat het gevaar dat zij zich van Christus verwijdert en vreesachtig wordt, dat er geen genade voor haar zal wezen, want zo er gedachten des vredes over haar waren zou zij toch reeds vrede hebben gevonden daar zij zo ernstig en dikwijls de Heere heeft gezocht.

Nu ontdekt de Geest hoe rechtvaardig de Heere zou wezen als Hij nooit meer naar haar omzag, omdat zij gezondigd heeft en nog zo nodig is, zo valt zij voor God in het stof, niets anders waardig zijnde dan schande en verderf, zo kust zij de roede. Als de Heere nochtans genadig zal zijn, dan zal dit voor haar het grootste wonder zijn.

Nu is de ziel waarlijk verootmoedigd, omdat zij zich eraan onderwerpt door God behandeld te worden naardat het Hem behaagt. Klaagl. 3:29 en 39.

Paulus schrijft aan de gemeente van Corinthe: Broeders indien wij onszelf veroordelen, zo zullen wij door de Heere niet veroordeeld worden. 1 Cor. 11:32.

Shepard wijst ook op Micha 7:9: Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd.

God is rechtvaardig, Hij doe met mij wat goed is in Zijn ogen. En dus doodt de Heere Jezus Christus door Zijn Geest de ziel door de Wet aan de Wet, totdat zij gemaakt is tot leem in de hand van de grote Pottenbakker, om haar een vat te maken, tot zodanig gebruik als Hem behaagt. En zo scheidt de ziel van haar eerste man de wet, opdat zij met Christus door het geloof getrouwd wordt.

Welke mate van vernedering is dus nodig?

Shepard zegt dat zoveel overtuiging van zonde, schuld en ellende nodig is, dat het verbrijzeling werkt, en zoveel verbrijzeling is nodig, dat het verootmoediging werkt. En deze verootmoediging leidt tot het komen tot Christus, want zoveel verootmoediging is nodig dat de ziel doet komen tot Christus en rust zoekt in Christus, en niet meer.

De nederigen geeft Hij genade, Jac. 4:6, en zie ook Lev. 26:41, 43. Wanneer het onbesneden hart gebogen wordt, dat het aan de straf zijner ongerechtigheid een welgevallen heeft, dan wil de Heere gedenken aan Zijn Verbond.

Shepard wijst er in dit verband op, dat wij een ziel in zijn bangheid niet allereerst moeten vertroosten met Gods genade en de rijkdom van Zijn liefde. U doet haar temeer smart aan, omdat de ziel dit voor haar te groot vindt en meent er geen deel aan te hebben en naar haar oordeel nooit deel aan zal hebben.

Zeg haar liever, als zij vol klachten is omtrent haar snoodheid en zondigheid, dat zij het zich waardig heeft gemaakt nooit door God aangenomen te worden en dat zij zich moet verwonderen dat zij nog niet in de hel is en wendt zo al haar klachten tot verootmoediging aan, en gij zult waarlijk zien, zo de Heere het goede met hen voorheeft, dat Hij hun hierdoor het goede zal toebrengen.

Wilt gij ongemakkelijk, stuurs, moedeloos en wrevelig zijn als de Heere niet afdaalt tot uw begeerten? Neen, neen, gij moet en zult voor Zijn drempel liggen; ja Hij zal u den nek op het blok doen leggen, als één die niet anders verdient, dan dat hij afgeslagen wordt.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1993

Bewaar het pand | 14 Pagina's

Apeldoomse Dogmatiek (5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1993

Bewaar het pand | 14 Pagina's

PDF Bekijken