Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Apeldoornse Dogmatiek (8)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Apeldoornse Dogmatiek (8)

4 minuten leestijd

We moeten echter niet vergeten dat Hij Die Zijn heerlijkheid openbaart in Zijn scheppingswerken ook de God van de genade is, van het heil aan Zijn volk bewezen. Terecht zegt de A.D. “De dichters van deze psalmen zijn gelovige Israelieten, die hun God kennen uit Zijn heilsopenbaring en die Zijn werk overal herkennen, want het draagt het merk van Zijn grootheid en goedheid: (58).

Conclusie: Als Barth de algemene openbaring afwijst, doet hij geen recht aan de Heilige Schrift. Het is beter zich te conformeren aan artikel 2 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis: Dat wij God door twee middelen kennen. Ten eerste door de schepping,

onderhouding en regering van de gehele wereld. Ten tweede geeft Hij Zichzelf nog duidelijker en volkomener aan ons te kennen door Zijn heilig en goddelijk Woord, (in dit laatste geval spreekt de gereformeerde theologie van “bijzondere openbaring”, waarover later nog meer)

Die “wij” van artikel 2 zijn volgens het oorspronkelijk opschrift boven de nederlandse Geloofsbelijdenis, de gelovigen in de Nederlanden. Met het oog daarop vraagt de A.D. zich af of het niet beter was geweest daarom de bijzondere openbaring, het Woord, eerst te vermelden en daarna de natuur. De gelovigen leert God toch niet eerst kennen uit de natuur en dan pas uit het Woord? Dat geldt inderdaad wanneer wij “kennen” opvatten in die bijbelse zin van het Woord. Die kennis wordt gewerkt door Woord en Geest, dus door middel van de “bijzondere openbaring”. Maar spreken wij over de “algemene Godskennis” van Romeinen 1:21 (God kennende) dan kunnen we m.i. deze volgorde rustig handhaven. En nu komt er een belangrijk gedeelte.

Deze openbaring Gods in de natuur is volgens Calvijn niet zaligmakend. De schepselen zijn als brandende lampen die de heerlijkheid van hun Maker weerspiegelen. Maar tevergeefs! Niet dat er wat aan die openbaring mankeerde maar vanwege onze natuurlijke blindheid. Pas wanneer we voorzien zijn van de bril van de Schrift en de ogen van het geloof leren we God pas echt kennen in Zijn algemene openbaring in de schepping.

Een praktische spits in de paragraaf over de algemene openbaring is het gedeelte over ontmoetingen met andersdenkenden.

In ontmoetingen met andersdenkenden moeten wij uitgaan van wat ons met hen verbindt. “Zij kunnen niet zeggen dat zij nooit niets van God gemerkt hebben” (62). De waarheids - elementen in niet-christelijke godsdiensten of wereldbeschouwingen vormen weliswaar geen aanknopingspunt voor Gods genadewerk. Toch heeft God in Zijn algemene openbaring Zich niet aan de heidenen onbetuigd gelaten. Ieder mens heeft een religieus besef. Dat is van belang voor het leggen van contact. “Er is een gespreksbasis”. Dat is heel wat anders dan te spreken van een zogenaamd “openbaringsuniversalisme”, een theologisch concept dat vooral in de tweede helft van de twintigste eeuw zich heeft laten gelden. Wij worden immers in het Westen meer en meer geconfronteerd met de wereldgodsdiensten. In die confrontatie wordt door “christelijke” theologen ijverig gezocht naar waarheidselementen in niet-christelijke godsdiensten zoals Islam en Boeddhisme. Uitgangspunt is dat alle godsdiensten “wegen tot God” (60) zijn. Christus is overal aan het werk. Hij is de kosmische Christus! Vooral in de oecumenische beweging ziet men een moderne toepassing van de algemeenheid van de openbaring en het heil in Christus! De tendens is om de beslissende en normatieve betekenis van Christus in een samenleving waarin zoveel godsdiensten zich presenteren, op te geven.

Anders zou een “open dialoog” niet mogelijk zijn. Openlijk wordt ontkend dat God Zich uitputtend en uitsluitend in Christus tot zaligheid heeft geopenbaard.

Heel terecht bewapent de A.D. zich met de Schrift tegen dit soort misvattingen omtrent de algemene openbaring. Er is immers volgens Handelingen 4:12 geen andere naam aan de mensen gegeven om zalig te worden dan de naam van Christus. Niemand komt tot de Vader dan door

Hem, aldus Johannes 14:6, anders gezegd: de vreemde godsdiensten bieden geen weg van ontkoming aan een “welverdiende straf”. Hun kennen van God (Romeinen 1:21) is niet tot behoud. We stemmen van ganser harte in met de A.D. als er gezegd wordt “in de godsdiensten van de mensheid wordt eigenzinnig en eigenmachtig op de openbaring van Gods eeuwige kracht en goddelijkheid gereageerd” (61).

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1993

Bewaar het pand | 10 Pagina's

Apeldoornse Dogmatiek (8)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1993

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken