Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

“Die Mij eren, zal Ik eren”. (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

“Die Mij eren, zal Ik eren”. (I)

12 minuten leestijd

(Samenvatting van de toespraak, gehouden op de Ontmoetingsdag van 17 april jl. in Sliedrecht-Centrum)

God eren - is dat niet een heilige verplichting ons? God is immers onze Schepper. Hij Die hemel en aarde geschapen heeft, schonk ook ons het leven. Door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid onderhoudt God ook de schepping. Onze dagelijkse zegeningen danken wij aan Hem. “Zult gijlieden Mij niet vrezen, spreekt de HEERE, Die der zee het zand tot een paal gesteld heb?”

Het eren van God is tevens een plicht voor ons omdat Hij de God des ver-bonds is. De HEERE heeft ons Zijn verbond en woorden geschonken. De prediking van het Evangelie van vrije genade mag nog voortgang vinden. Zouden we die God niet eren, Die het ons betuigt, dat Hij geen lust heeft in de dood van de goddeloze, maar in zijn bekering en leven?

Gode de eer geven - dat is heel bijzonder een verplichting voor hen die het kindschap Gods kennen. Zij die het wonder mochten beleven, van een kind des tooms een kind van God te geworden te zijn, door de wederbarende genade van de Heilige Geest. Zouden Zijn kinderen God niet moeten vrezen en eren als de Vader van alle barmhartigheid? Als we letten op Wie God is, en dat voor een gevallen schepsel, een zondaar, dan moest het een heilige vanzelfsheid zijn: God eren.

En toch is de praktijk zo anders. De woorden die het opschrift vormen staan in 1 Sam. 2:30. Het zijn de dagen van Eli de hogepriester. Een tijd waarin God niet de eer werd gegeven die Hem toekomt. Het heiligdom des HEEREN te Silo werd ontwijd. Er waren vele zonden en ongerechtigheden. De priesterzonen Hofni en Pi-nehas maakten zich ook schuldig aan vormen van goddeloosheid waardoor zij de Naam des HEEREN ontheiligden. Hofni (=kleine kikker) en Pi-nehas (=zwarte neger) waren kinderen Belials - nietswaardige lui. Zij dienden in het heiligdom, maar de ware Godsvrees was hen vreemd. Laat dit gegeven ons allen maar uitdrijven tot zelfonderzoek: Eli’s zonen overtraden de wetten des HEEREN. Nauwkeurig had de HEERE bepaald welk deel van de offers aan de priesters toekwam. Maar deze priesterzonen namen zoveel ze wilden, desnoods met geweld. Ook overtraden ze de regel, dat al het vet voor de HEERE was. Het edelste deel van het offer moest op het altaar worden aangestoken tot een liefelijke reuk den HEERE, maar zij eisten het voor zichzelf op.

Hun zonde was dus, dat zij niet rekenden met het recht en de wetten des HEEREN. Zij verachtten de offeranden Gods en gaven God niet waar Hij recht op heeft. Hun leven en dienen was niet tot eer van God. Bovendien maakten zij zich schuldig aan ontucht. Zij bedreven “gewijde” prostitutienet als bij de heidenen. Wie God-loos is, los van Zijn wet en recht, wordt godde-loos: levend in de zonde. Daar kwam nog bij, dat zij ongehoorzaam waren. Hun vader Eli heeft ze vermaand en bestraft. Eli wees er op dat wanneer een mens tegen de HEERE zondigt, er niemand zal zijn die voor hen bidt. Als priesters moesten zij werkzaam zijn in het herstel van de verbroken verhouding met God, terwijl zij met hun daden de breuk steeds groter maakten. En naar de stem van hun oude vader luisterden zij niet.

Zijn met deze zonden ook niet de zonden van onze tijd aangegeven? We vinden hier een treffend beeld van onze tijd. Er is wel veel godsdienstigheid, van allerlei soort, maar waar is de oprechte Godsvrees? We zien dat men steeds minder rekening houdt met God en Zijn geboden in het openbare leven. In plaats van God te eren, treffen we een houding aan waaruit minachting spreekt. De mens staat centraal en de mens wil aan zijn trekken komen. Zonde is geen zonde meer; alle taboe’s worden doorbroken. De algemene wet gelijke behandeling vormt als product van de tijdsgeest, een ernstige bedreiging voor de geestelijk vrijheid. Als deze wet wordt aangenomen, wordt het in feite onmogelijk om te handelen overeenkomstig Gods Woord. Onderkennen we de ernst van de tijd? Aan God wet en recht stoort men zich niet. Dagelijks worden we met vele voorbeelden daarvan geconfronteerd, laat het geen gewenning worden!

En het ergste is: de roof van het heilige. Het geestelijk verval. Dat in de kerk het eren van God zo veel zoek is. Er komst steeds meer plaats voor een godsdienst voor en naar het vlees! Velen houden het bij een oppervlakkig geloof. Men wil een godsdienst zonder ernst. Het moet leuk zijn in de kerk. Voorgangers schromen niet om grove taal te gebruiken - je moet de jeugd toch aanspreken? Er is een christendom zonder Christus. Wel in de kerk actief, of in de bediening werkzaam, maar; “zij kenden den HEERE niet”. Er zijn vele navolgers van ‘kleine kikker’ en ‘zwarte neger’! Het oordeel begint bij het huis Gods. De zonden op kerkelijk erf mogen ons wel doen uitroepen: IKabod! De eer is weg. En hoe staat het met ons persoonlijk? Als we door genade ons eigen hart en leven hebben leren kennen, zal dit onze smart en schuld zijn: ik leef niet tot eer van God. Ten diepste geldt, dat alles tot oneer van God is, als niet het aloude christelijkgere-formeerd beginsel wordt beleefd: God op het hoogst verheerlijkt en de mens op het diepst vernederd.

Gaan de zonden van kerk en maatschappij en van ons persoonlijk leven ons aan het hart? Dat we er onder lijden en zuchten? Zijn er onder ons die het in de binnenkamer voor Gods Aangezicht mogen brengen? Of blijven we steken in algemene klachten, dat we vreselijke tijden beleven en wat het in de toekomst met de kerk moet worden? Bij deze houding blijven we echter zoekers van eigen eer! Dat is de eerste, de wortel van alle zonden: we zijn eerrovers Gods geworden. Maar God vraagt niet minder dan: die Mij éren! Werd dat de nood van uw eigen ziel: hoe komt God aan Zijn eer? Van mij uit is dat voor altijd onmogelijk. Het zoeken van, het leven tot Gods eer moet immers een zaak van het hart zijn. Dat leert ontdekkende genade ons. God eren - dat kan alleen als het waarheid in het binnenste mag zijn. Daar de mens van zichzelf verdorven van hart is kan dat alleen een vrucht van wedergeboorte zijn. En aangezien dan de arglistigheid van het hart naar boven komt, wordt dagelijkse bekering een noodzaak. Er komt dan tevens behoefte aan het licht van Gods Woord en Geest, om het onderscheid tussen het ware geloof en het schijn-geloof te mogen kennen. Waar God om Zijn eer komt vragen, wordt het een opgebonden zaak voor het hart.

Er komt een man Gods tot Eli. Uit naam van de HEERE moet hij wijzen op de openbaring Gods in het verleden. De HEERE heeft Zich geopenbaard aan Zijn volk in Egypte. Hij heeft grote wonderen verricht. Bijzonder heeft de HEERE gewerkt aan het huis van Aaron. Uit alle stammen van Israel had de HEERE hen tot priesters verkoren. Wat een eervol werk had God hen toevertrouwd: het reukwerk aansteken op Gods altaar. Aarons huis mocht in een bijzondere weldaad delen: uit vrijmachtige genade gaf de HEERE hen bevoegdheid tot de priesterdienst, maar tevens heeft de HEERE voor hun levensonderhoud gezorgd. Was deze Godsopenbaring niet bedoeld opdat zij God zouden eren door op Hem te vertrouwen en volgens Zijn wet Hem te vrezen en te dienen? Ontdekkend en beschamend wijst deze man Gods op Gods gunstbewijzen, in het verleden aan hen betoond!

En hoe gaan wij om met Gods openbaring? Geeft de HEERE in Zijn Woord niet duidelijk te kennen Wie Hij is? Uit louter welbehagen verkiest Hij Zijn volk. Zijn vrije gunst wordt verheerlijkt in de verlossing van de zondaar. Eren we God daarin? Dat we waarderen dat we tot een afgezonderd volk mogen behoren? Is ons hart er wel eens onder verbroken dat God met zijn heilsboodschap nog tot ons komt? Als het Woord persoonlijk wordt toegepast, gaan we ernst maken met de vreze Gods. Niemand van ons gaat vrijuit. De HEERE houdt ons voor: Heb Ik Mij niet klaarlijk geopenbaard? Als de God van barmhartigheid en trouw? Als de God Die in Christus een alvervullend God wil zijn, voor tijd en eeuwigheid. God is vrij van ons bloed. Hoe beschamend als we van de rechte weg zijn afgeweken. Hoe ontdekkend als we nog geen acht leerden geven op zo grote zaligheid! Als we leven tot oneer van God, is het onze eigen schuld.

De HEERE uit een klacht: “Waarom slaat gijlieden achteruit tegen Mijn slachtoffer?” Men veracht de offerdienst, het heilige wordt vertrapt. Dat is de zonde die we openbaar zien komen: men geeft een trap tegen de ware dienst des HEEREN. Daaruit spreekt vijandschap van binnen. Dat is niet tot Gods eer! De eigenwillige godsdienst van de priesterzonen wordt hier veroordeeld. Men vertrapt wat van God is en stelt eigen, menselijke dienst er voor in de plaats. Ook Eli wordt beschuldigd: gij eert uw zonen meer dan Mij! Eli had ze wel gewaarschuwd, maar toen ze niet luisterden liet hij ze hun gang gaan. Liever de offers en de wetten van God onteerd, dan mijn zonen onteerd. Eli had ze van de priesterdienst moeten verwijderen. Hij had de wet van God moeten stellen boven de liefde tot zijn kinderen. Deze slappe houding van Eli is niet tot eer van God.

Is die houding ook bij ons als ouders te laken? Hoe vaak zeggen vaders en moeders niet, dat ze de kinderen wel gewaarschuwd hebben, maar verder nemen ze daar al te gemakkelijk genoegen mee. Ze weten hoe we er over denken, en zij zien het in deze tijd nu eenmaal anders... Eren we soms de kinderen meer dan God? Hier moeten we denken aan het woord van Christus: “Die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.”

En denken we met een slappe Eli-houding in deze tijd staande te kunnen blijven? Zullen we dan sterk genoeg zijn om de macht en invloed van de tijdgeest te weerstaan? We worden zo gemakkelijk meegezogen. Zijn we in de praktijk niet vaak de mens meer gehoorzaam dan God?

Zal het kerkelijke leven gediend zijn met zulk een houding? Als we de zaken wat toedekken en ongerechtigheid laten bestaan, zijn we in feite medeplichtig aan het verval. Dan kan het niet meer in oprechtheid zijn: de heiligheid is voor uw huis o HEERE tot sieraad en tot eer.

God vraagt: Die Mij éren! Waar zijn de ware vereerders van God. In gezin, kerk en maatschappij? God eren - dat is: God liefhebben boven alles. Dan alleen is er toekomst. Waar God niet Zijn eer krijgt, komt het oordeel. Want de HEERE laat volgen: “Die Mij versmaden, zullen licht geacht worden.” Het priesterhuis van Eli wordt getroffen met dit oordeel van God. Al zal het priestergeslacht niet geheel worden uitgeroeid - de kracht van zijn huis zal worden gebroken. Over het heiligdom in Silo zal ellende en verderf komen. En wie van het priesterhuis toch gespaard wordt - daar zal men geen zegen van ontvangen, neen het zal zijn om uw ziel te bedroeven. Het oordeel Gods is ten volle besloten. het teken daarvan is dat de beide zonen van Eli, Hofni en Pinehas, op één dag zullen sterven. Zo heeft Eli op z’n oude dag het begin van de ondergang van zijn huis moeten meemaken. De ark des verbonds des HEEREN werd weggenomen en daarna is Silo verwoest. Hoe is het mogelijk; dat godsdienstig centrum, al dat werk van de priesters - ze worden licht geacht. Het is als niet in Gods heilige ogen. Door het oordeel wordt alles weggeblazen, want al hun werken en dienen was niet tot eer van God! Hoezeer ook ijverig in de godsdienst -het kon hen geen nut doen, het was de HEERE niet welgevallig.

Deze rechtvaardige vergelding moet ons tot ernstige waarschuwing zijn. God doet van Zijn eer geen afstand. De HEERE is een jaloers God. Hij betuigt: “Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam en Mijn eer zal Ik aan geen anderen geven!” Daarom wordt het versmaden van de HEERE gestraft. Het oordeel zal ons treffen, als we de eer van mensen stellen boven de eer van God. Als we liefhebbers van onszelf blijven en God niet zoeken als het hoogste Goed. Geen godsdienst en vorm zal ons baten, als we niet onze lust gevonden hebben in de werken Gods. Alle uiterlijkheid en uitwendige godsdienst is den HEERE een gruwel. Zonder geloof, door hart-vernieuwende genade, is het onmogelijk Gode te behagen. Of we er een “zware” dan wel een “lichte” godsdienst op na houden, doet in dit opzicht niet ter zake. De HEERE zegt: “die Mij éren, die zal Ik eren.” Volgens deze regel werkt God. Dit is de weg der zaligheid. Daarom moeten we van alle vorm en schijn zonder wezen, af. De oprecht gemaakte ziel, die het om de ere Gods in waarheid is te doen, is bevreesd voor zelfbedrog. Hij gaat het gebed van David tot het zijne maken: “Beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg.”

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1993

Bewaar het pand | 10 Pagina's

“Die Mij eren, zal Ik eren”. (I)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1993

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken