Bekijk het origineel

“Die Mij eren, zal Ik eren” (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

“Die Mij eren, zal Ik eren” (2)

7 minuten leestijd

De Godspraak tot Eli had de val van zijn huis voorspeld. Vanwege de vele zonden en ongerechtigheden zou het oordeel over dit priestergeslacht en het heiligdom te Silo worden voltrokken. Maar is dit niet in strijd met de belofte? De HEERE had toch duidelijk gesproken: “uw huis en uws vaders huis zullen voor Mijn Aangezicht wandelen tot in eeuwigheid”? Inderdaad had God de belofte gegeven dat het priesterambt een eeuwige inzetting zou zijn voor Aaron en zijn zonen. Zij zouden voor Gods Aangezicht verkeren, Hem dienen in het heiligdom en delen in Zijn gunst. Deze eer en verwaardiging was hun toegezegd. Maar nu spreekt de HEERE: “Dat zij verre van Mij!” Neemt de HEERE nu de belofte terug? Is God niet een Man van Zijn Woord? Zijn de beloften onbetrouw-baar? Neen, dat is beslist niet het geval. Maar Eli en zijn zonen dachten zonder meer in die belofte te kunnen delen. Zij rekenden niet met Gods weg, dat Hij de belofte vervult in de weg van geloof en bekering. Alleen waar God de eer wordt gebracht, zal Hij de eer geven van Zijn beloofde weldaden.

Verstaan wij onze verantwoordelijkheid? Groot en rijk zijn de heilsbeloften waarmee de HEERE tot ons komt. De kern daarvan is: te mogen verkeren voor Zijn Aangezicht. Daar te zijn, waar de HEERE Zelf woont, daar wordt Zijn heil verkregen. Echter: niet zonder waarachtige bekering! Wie het meent met de belofte alleen te kunnen doen, maakt een grote misrekening. Wie zich er van af maakt met de opmerking: wat God belooft, doet Hij toch, bouwt op valse grond. We mogen niet zeggen: je blijft nu eenmaal zondaar. We moeten niet menen: eens bekeerd, blijft bekeerd. Of we houden het op een combinatie van het zondige met het heilige. Bij dat alles spreekt de HEERE: het zij verre van Mij, om zulke mensen voor Mijn Heilig Aangezicht te doen wandelen. Alleen wanneer zij door de genade van Christus en Zijn Geest, Mij eren, zal Ik hen eren, maar anders zal het oordeel hen treffen. De HEERE verandert Zijn raad en belofte niet. Maar als wij misbruik maken van Zijn woorden en inzettingen, is de HEERE vrij van ons. Dan is Hij niet verplicht om Zijn belofte te vervullen. Maar hoe zal een zondaar God eren? Waarmee zal een sterveling God verheerlijken? Wie zal verkeren bij die heilige God? Waar de onmogelijkheid hiervan wordt ingeleefd, komt er vernedering. Een verootmoeding voor God vanwege de zonden. Een droefheid naar God die een onberouwelijke bekering werkt. Zonder dit beginsel kan er geen sprake zijn van het eren van God. Dit ontbrak bij die priesterzonen van Eli. Het wordt van nature bij niemand van ons gevonden. Het is een vrucht van genade, die vloeit uit de ware, gezegende Hogepriester, onze Heere Jezus Christus. Van Hem wordt getuigd, ook tot Eli. Temidden van de oordeelsaankondiging klinkt de belofte: “Ik zal Mij een getrouwe priester verwekken.” Deze zal komen in de plaats van Eli en zijn zonen. De priesters zullen wel vergaan, maar de priesterlijke bediening zal blijven bestaan. Het eerste is door eigen schuld, het tweede uit louter genade. Deze priesterbelofte is ten dele vervuld in Samuël. Later in Zadok die priester werd in de plaats van Abjathar, die van Eli afstamde. De volkomen vervulling kreeg z’n gestalte in Jezus Christus. Hij is een barmhartig en getrouw Hogepriester in de dingen die bij God te doen zijn, nl. om de zonden des volks te verzoenen. Tijdens Zijn leven op aarde heeft Christus gedaan gelijk als in Gods hart en ziel was. Niemand uit de eerste Adam heeft God de eer gegeven waarop Hij recht heeft. Maar bij Jezus’ geboorte zongen de engelen: de ere is aan God! Christus heeft in Zijn leven altijd de ere Gods gezocht, zelfs in Zijn sterven.

Dankzij de zoen- en kruisverdiensten van Christus wordt God geëerd in het zaligen van zondaren. Als het God behaagt om de Naam van Zijn Eniggeboren Zoon te openbaren. Dat Jezus Christus de Zaligmaker is. Hij is de Borg en Middelaar. Hij is Zijn volk gegeven tot wijsheid, rechtvaardiging, heiliging, ja tot een volkomen verlossing. Dat wordt een groot wonder: Gods eer en mijn behoud vormen geen tegenstelling! Het eren van God geschiedt in het zaligen van de zondaar. Wat een liefde en genade. God stelt er eer in om de Zijnen te zaligen. Zij zijn het niet waard: eerrovers van God, goddelozen, schuldig aan al de geboden, verloren en verdorven, er is geen eer aan te behalen! Wie is aan deze God gelijk? Mocht u dat reeds in verwondering uitroepen? Het is het deel van hen, die God alzo gaan eren. Hem eren - in het smeken om genade, net als de tollenaar. God eren - gelijk Abraham Hem geloven op Zijn Woord. God eren - door in de voetsporen van Henoch, te wandelen met God. Zij eren God in het geloof en de liefde, als zij met Johannes de Doper beleven: Hij moet wassen, ik moet minder worden. God eren - door met Paulus geknield te vragen: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? God eren - en met Jozef de verleiding weerstaan: zou ik zo’n groot kwaad doen tegen God? Dan gaan we God bedoelen, in ons eigen leven, maar ook bij de opvoeding van de kinderen. Dan zoeken we de ere Gods te bevorderen, ook in het ambtelijke werk. Het vraagt toewijding en zelfverloochening. Ze komen er alles in te kort! Christus wordt meer noodzakelijk als de plaatsbekledende Borg. Steeds dieper wordt verstaan dat God alleen geëerd wordt in Zijn eigen werk. Door Christus’ liefde en genade wordt het de besliste keuze van het hart: God eren. Dat vraagt een afsterven aan jezelf, want o! we zoeken ten diepste altijd weer ons eigen ik. Maar dat wordt gekruisigd, want de eer van God wordt hen toch het meest dierbaar.

En dan zal God hén eren. Het draagt Zijn goedkeuring en ze ontvangen Zijn zegen. En met welke eer zegent de HEERE hen dan? Abraham’s geloof werd beproefd, hij moest met alles de dood in: Izak gaan offeren! Henoch leefde in een vreselijke tijd, waarin de doodsklokken luidden: en hij stierf! Johannes de Doper kwam terecht in de gevangenis en zijn hoofd moest er af! Wat moest Paulus veel lijden om de Naam des HEEREN! En omdat Jozef God eerde, kwam ook hij in de gevangenis.

Christus Zelf werd gekruisigd en van God verlaten! En toch spreekt de HEERE: die zal Ik eren! Maar let wel: de HEERE belooft geen eer van mensen. Hij zal eerst genade en dan eer geven. Het gaat door lijden naar de heerlijkheid. Zalig die het mag verstaan: die vernedering is een eer van Godswege. Want zo valt de mens er geheel buiten en blijft het werk Gods over. Dat is tot eer van Hem. Zij zullen de eerkroon uit genade dragen. De liefhebbers van Gods eer mogen nu in de strijd toch al het beginsel van die eeuwige vreugde smaken. De grootste eer mag hen te beurt vallen: tot de bruid van het Lam te behoren. Met Hem eeuwig, voor Gods Aangezicht verkeren, voor Zijn troon, om met overtuiging God eeuwig te eren: “Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en rijkdom, de wijsheid en sterkte en EER en heerlijkheid en dankzegging. Amen.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1993

Bewaar het pand | 10 Pagina's

“Die Mij eren, zal Ik eren” (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1993

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken