Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De rechte Godsvrucht (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De rechte Godsvrucht (2)

8 minuten leestijd

In het boek “De rechte Godsvrucht” worden veel onderwerpen aan de orde gesteld. Ook wordt over de prediking geschreven. Het is nodig hierbij wat nader stil te staan. De Heere wil immers door de prediking naar Zijn welbehagen zondaren zaligen. Juist de verkondiging van het Woord is instrument in de Hand des Heeren tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk en tot temeerwerping van het rijk van de vorst der duisternis. Dat Woord dient op de juiste wijze verkondigd te worden. In de loop der jaren is al heel veel over de prediking gepubliceerd. Het één is voor ons uiteraard van meer waarde dan het ander. De vraag dient immers gesteld te worden: Wat is het uitgangspunt van de schrijver? Wat beoogt hij te bereiken? Tegen welke zaken wordt gewaarschuwd en waar wordt op gewezen? Het is goed kennis te nemen van datgene wat prof. Wisse schreef in het jaar 1931 in “De Wekker” over de prediking. In een viertal artikelen sneed hij een zaak aan die toen van belang was en vandaag niet minder onze aandacht verdient dan ruim zestig jaar geleden:

De prediking van onze doodstaat

Wisse begint met op te merken dat de rechte prediking Christus zal prediken. Dat is een zaak die in onze tijd vaak wordt uitgesproken en neergeschreven. Van vele kanten en in vele toonaarden wordt dit in onze dagen beklemtoond. Maar wat wordt eigenlijk bedoeld? Of misschien beter gezegd: Waar wil men zich tegen afzetten? Bovenstaande opmerking over Christusprediking kan geuit worden vanuit een bedenkelijke achtergrond. Heimelijk kan stelling genomen worden tegen de prediking van de doodstaat van de mens. De prediking van een rijke Christus wil men dan in mindering brengen op de prediking van de doodstaat van de mens. De doodstaat zou niet zo nadrukkelijk aan de orde moeten komen. Daar moet het accent niet op liggen. Dat zou iets van het verleden zijn. Dat zou een eenzijdigheid van ons voorgeslacht zijn. Vandaag zien we het gelukkig beter. De volle nadruk dient gelegd te worden op het werk en de persoon van Christus. Zo wil men dan zaken tegen elkaar uitspelen die niet tegen elkaar uitgespeeld mogen worden. De prediking van de doodstaat van de mens en de prediking van het werk en de persoon van Christus behoren juist onlosmakelijk bijeen. Wat zou met eerbied gesproken de rijkdom van Christus te betekenen hebben indien de armoede van de mens in de prediking niet naar voren komt. Juist waar door het toepassende werk des Heiligen Geestes de armoede van de gevallen mens wordt ingeleefd en zijn doodstaat werkelijkheid wordt in de beleving, daar wordt plaatsgemaakt voor het werk van Christus in Wie alles is te vinden voor arme en verloren zondaren en zondaressen. Wisse had hier oog voor. Datgene wat hij schrijft onderstreept dat. Hij noemt het door en door ongezond, ja een dodelijk verschijnsel als men zegt dat Christus gepredikt dient te worden met de bedoeling om de prediking van onze dood en ellende zo goed als uit te schakelen. Drie stukken dienen gepredikt te worden: ellende, verlossing en dankbaarheid. Wisse wijst erop dat de doodstaat gepredikt dient te worden in het licht van Gods recht. Het dient uit te komen in de prediking dat de mens één en al zonde is. Dat hij midden in de dood ligt. Ook het synodaal getuigenis van 1953 heeft gewezen op het juiste uitgangspunt in de prediking: “Om te beginnen worde daarbij uitgegaan, gelijk b.v. ook in het doopsformulier geschiedt van ons van nature midden in de dood liggen in een verbroken werkverbond, om alzo de noodzakelijkheid en rijke inhoud van het genadeverbond te leren verstaan.” De mens is van de drieënige God afgevallen. De gevallen mens is een hater van God. De mens kent zijn zondigheid en goddeloosheid van nature niet. Daarom dient dit in de prediking duidelijk aan de orde te komen. De mens dient tot de aanvaarding gebracht te worden van datgene wat God in Zijn Woord zegt. We lezen op blz. 51 “Zo moet de mens ertoe gebracht worden zijn doodvonnis te aanvaarden. In de ware rechtvaardiging van de zondaar dus, als de Heere vrijspreekt, in die zielsverlossing moet altijd eerst een recht inzicht in onze schuld plaatsvinden, en daarbij een aanvaarden van het strafvonnis. Dit laatste wordt zo vaak vergeten. Het is dan weleens, alsof het zo toegaat: namelijk, een mens is ontdekt, hij ziet zijn schuld en zonde, zijn ellende, en nu is het tweede element, dat hij roept om genade enzovoort. Dan slaat men wat over. Bij rechte ontdekking wordt het vonnis eerst aanvaard. David roep uit, bij het gezicht van zijn verdorvenheid: ik ben Uw gramschap dubbel waardig. Men zegt wel eens: met de koorden om de hals moet de nadering tot de troon plaatsvinden. Niet als betaalmiddel, maar om te erkennen, dat God in Zijn recht zou zijn, als Hij ons in de eeuwige rampzaligheid wierp. Opdat zo genade eerst recht als genade zou worden verstaan.”

Wisse wijst erop dat het opeisend recht van God gepredikt dient te worden. In de prediking dient God op het hoogst verheerlijkt te worden en het schepsel op het diepst vernederd. De verharding van de mens dient aan de kaak gesteld te worden. De doodstaat dient niet alleen gepredikt te worden ten aanzien van grove zondaren en zondaressen, maar ook ten aanzien van hen die tegenwerpen: zijn wij dan ook blind? Wisse noemt dit de ergste patiënten die er zijn. “Daar is een volk, ook in onze dagen, dat tweemaal ter kerke opgaat, behoorlijk geeft, van allerlei verenigingen lid is, mogelijk wel avondmaal viert ook, zeer leerheilig en werkheilig is, vol goede werken, en nog zoveel meer; maar wiens hele behoefte neergeschreven kan worden in het woord van het ingezonken en afgevallen oud-Israel: spreek ons zachte dingen.”

Wisse schrijft dat de prediking van de doodstaat van de mens ook noodzakelijk is om te leren dat er nooit vanuit de mens enige vrucht ter ere Gods is te verwachten. De natuurlijke mens kan, wil en zal nooit naar God vragen. De natuurlijke mens zal zich nooit bekeren. De natuurlijke mens zal nooit het leven begeren. Dit wordt alleen anders door het wonder van de wedergeboorte. Er is dus geen sprake van enige verbetering van de mens uit. Hier is een goddelijk wonder nodig. Ingrijpen van Boven is noodzakelijk. De prediking van de doodstaat van de mens toont hoe noodzakelijk de wedergeboorte is.

Tenslotte gaat Wisse in op de rechte, volle, heerlijke Christusprediking. We geven een citaat van blz. 54 “Ach, ik begeer Christus niet zolang ik mijzelf niet heb leren kennen als liggende midden in de dood. Eerst als ik mijn doemschuld gewaar word, wordt Christus’ eeuwigdurende gerechtigheid onmisbaar, begeerlijk, dierbaar boven alles. Tegenover mijn inklevend verderf; hoe wordt Christus, die Heilige, dan mijn voorwerpelijke en onderwerpelijke heiligmaking. Wat een rijkdom ligt er in Hem, tegenover mijn armoede.” In de doodstaat van de mens is veel kracht om te verdoemen, maar er is meer kracht in Christus om te behouden. Ook voor levendgemaakten blijft de prediking van de doodstaat noodzakelijk. Als zij op hun plaats zijn kunnen en willen wij dit element in de prediking niet missen. Met de schijngelovigen ligt het anders. Zij houden er niet zo van

dat de doodstaat van de mens in de prediking naar voren komt. Hoe langer iemand op de smalle weg mag zijn, hoe meer hij zijn doodstaat gaat inleven. Dan wordt gevonden een al dieper inblikken in de ongekende diepten van dood en ellende. Dat zegt ook het leerboek der kerk in zondag 44. Daar wordt immers gesproken over een hoe langer hoe meer leren kennen van onze zondige aard. Gods kind leert zijn verdorvenheid almeer kennen mede door het bedrijven van zonden die een onbekeerd mens niet kan doen. We denken aan de zonde van de verloochening, het hoogmoedig zijn op ontvangen genade, het verdenken van de Heere in Zijn liefde, trouw en macht.

Juist de prediking van de doodstaat dient tot meerdere eer van God. Als een mens niet dood zou zijn in de zonden en misdaden, als de verlorenheid waarvoor de mens in Adam gekozen heeft dus minder ernstig zou zijn dan Gods Woord ons tekent, dan zou het wonder van de verlossing ook minder groot zijn. Maar de gevallen mens staat in actieve, werkzame vijandschap tegenover God. Welk een onbegrijpelijk groot wonder is het dat zo’n dode zondaar wordt levendgemaakt. Dat kan geen mens bij zichzelf of bij een ander bewerken. Het is een wonder dat de Heere werkt naar Zijn welbehagen. Van dat wonder krijgt Hij dan ook alleen de eer.

We besluiten met de slotregels die we vinden op blz. 55 “Tenslotte, hoe meer we leren kennen uit welke dood en nood God ons verlost heeft, hoe meer de ziel zal worden opgewekt, om de Heere voor een zodanige verlossing uit zodanige jammerstaat met al wat binnen in haar is te loven. Zo zal het zijn tot het einde toe en tot een eeuwige verheerlijking van God: uit mij, o God, niets dan de dood; en wat leeft, het is, het blijft alleen uit en door U.”

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1994

Bewaar het pand | 8 Pagina's

De rechte Godsvrucht (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1994

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken