Bekijk het origineel

De kerkdienst (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De kerkdienst (3)

9 minuten leestijd

Men kan het wenden en keren zoals men wil, maar de kerkgang en de kerkdienst zijn zaken die in het leven van hen die de Heere oprecht vrezen vanzelfsprekend zijn. Zoals in vroeger tijd de reis naar Jeruzalem en het verblijf aldaar en het aanschouwen van Zijn schone dienst in Zijn huis voor de gelovige Israeliet als vanzelf spraken, zo is dat vandaag met de kerkdienst voor Gods kind. Hiermee eindigde ik een vorig artikel. En het kan geen kwaad dit bij het begin van dit artikel nog eens te herhalen. Zo liggen de dingen toch? Er is toch een innerlijke behoefte om de Heere te ontmoeten in Zijn inzettingen?

God wil het

De kerkdienst moet echter niet alleen bezien worden vanuit het gezichtspunt van de behoefte of het verlangen van de gelovige kerkganger. Er is nog wat anders: iets wat eigenlijk nog veel belangrijker is. Dat is dit, dat God wfl, dat we naar Zijn huis komen om Zijn Woord te horen. Denk alleen maar aan wat de Catechismus zegt in Zondag 38 bij de verklaring van het vierde gebod: “en dat ik, inzonderheid op de Sabbat, dat is de rustdag, tot de gemeente Gods naarstiglijk kome, om Gods Woord te horen, de Sacramenten te gebruiken, God de Heere openlijk aan te roepen en de armen christelijke handreiking te doen”.

Dat de Catechismus het zo kan zeggen, steunt natuurlijk op de duidelijke openbaring in de Schrift. Christus is bezig Zich een gemeente te vergaderen en Hij doet dat door Zijn Geest en Woord. Dat veronderstelt ook de prediking van het Woord. Het geloof is immers uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods (Rom. 10:17). Het behaagt God door de dwaasheid der prediking zalig te maken die geloven (1 Cor. 1:21). En laat het boek Handelingen niet overduidelijk zien hoe de Heere hierbij te werk gaat? Ja, Christus vergadert Zijn gemeente, maar Hij doet dat met inschakeling van de dienst der prediking. En die prediking krijgt zijn geregelde vorm in de kerkdiensten. Daar wil God ons dan ook hebben. Want Hij zoekt het behoud van de zondaar.

We hebben in feite zelf geen keus in deze zaken. Het staat niet in onze vrijheid om te beslissen of we wel of niet gaan en hoe vaak we gaan. Dat heeft God voor ons bepaald. En die bepaling heeft weer alles te maken met Gods wil om zondaren tot de zaligheid te brengen.

Onder het Oude Testament was dat al zo. Ik denk aan wat we lezen in Ex. 23:14-17. God spreekt daar over de drie grote feesten die onder Israel onderhouden moesten worden, het Pascha, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. En dan staat er letterlijk (vs. 17): “Drie malen des jaars zullen al uw mannen voor het aangezicht des Heeren HEEREN verschijnen”. Drie maal per jaar! Al uw mannen -dus niet één uitgezonderd.

In Deut. 12 borduurt de Heere op dit thema voort als Hij voorschriften geeft omtrent de plaats van samenkomst, die Israel na aankomst in Kanaan op Gods aanwijzing zal hebben in te richten. “Maar naar de plaats die de HEERE uw God uit al uw stammen verkiezen zal om Zijn Naam aldaar te zetten, naar Zijn woning zult gij vragen en daarheen zult gij komen” (vs. 5).

Het gaat dus eenvoudig om een verplichting die de Heere aan Zijn volk oplegt. En het motief dat de Heere daarbij heeft is dat Hij Zijn volk wil ontmoeten en dat Hij in die ontmoeting de bewijzen van Zijn genade en gunst wil geven. Dáár, in de tabernakel en later in de tempel woont Hij immers. Daar is Zijn woning. Maar dan ligt het voor de hand, dat Hij wil dat Zijn volk zich in Zijn woning zal verzamelen om Hem daar te ontmoeten. De gang naar de tabernakel en naar de tempel was dus niets anders dan een antwoord van de kant van het volk op de genadige openbaring van de Heere.

O ja, dat zal door verschillende Israelieten door de eeuwen heen als een last ervaren zijn. Zoals heel de dienst des Heeren met o.a. het brengen van offers en het volbrengen van andere zaken, als een last gevoeld worden. Als ze het aantrekkelijke ervan niet inzagen en als ze geen besef hadden van de noodzaak van Gods genade konden ze vrij gemakkelijk allerlei andere zaken bedenken die huns inziens dringender en belangrijker waren dan het maken van de reis naar het heiligdom. En als een mens eenmaal zover is dat het voorrecht om te mógen gaan een last gaat worden (we moeten gaan), dan breekt op een gegeven ogenblik de tijd aan, dat we niet (getrouw) meer gaan. Zo is het ongetwijfeld bij verschillende Joden ook geweest.

Daarentegen zijn er ook altijd geweest, die met vreugde en met verwachting opgingen en die van die vreugde en verwachting ook spraken en zelfs zongen. De psalmen getuigen er van, dat ze dan wel eens jaloers waren op de priesters en levieten die hun werk in het heiligdom hadden en die daar dus gedurig verbleven. Wat zijn die mensen in de ogen van de gelovige Israeliet gelukkig (Ps. 84:5). Om zo altijd in Gods huis te mogen zijn...

Het is waar, dat wij niet meer, zoals Israel dat wel had, zo’n plaats hebben, die als centraal heiligdom dienst doet. Jezus Zelf heeft daar trouwens van gezegd, in het gesprek met de Samaritaanse vrouw, dat zo’n plaats niet meer belangrijk is. Niet de berg Gerezim en ook niet het heiligdom te Jeruzalem. De vraag naar de plaats waar we God zullen ontmoeten verdwijnt onder de nieuwtestamentische bedeling naar de achtergrond en veel belangrijker wordt het “hoe” van de aanbidding, namelijk “in geest en waarheid”.

Is daarmee de kerkgang afgeschaft? En het onderhouden van de kerkdienst? Nee, dat kan niet want in Hebr. 10 staat die aansporing om de onderlinge bijeenkomst niet na te laten (vs. 23). Dat duidt er toch op, dat er samenkomsten worden gehouden van de gemeente. Daarom kan de Catechismus spreken van een naarstig tot de gemeente Gods komen. Daar waar die gemeente vergadert is de plaats van samenkomst. Daar is de tempel; de geestelijke tempel. En daar wil God ons ontmoeten.

God woont daar

Dat mag nog wel eens extra benadrukt worden. Dat bepaalt immers de waarde van de plaats van samenkomst. Bij de ingebruikneming van tabernakel en tempel heeft de Heere daar duidelijk getuigenis van gegeven. De wolk daalde neer en vervulde de heiligdommen. Indrukwekkend was dat. Zo indrukwekkend, dat de priesters niet eens staande konden blijven. Het fs ook wat als God Zelf neerdaalt en onder de mensen komt wonen.

En wat onder het Oude Testament gezegd kon worden van een gebouw van hout en steen dat wordt in de nieuwe bedeling gezegd van de gemeente die de tempel van de levende God is.

Daar woont de Heere namelijk. Waar twee of drie in Zijn Naam vergaderd zijn, daar is Hij in het midden (Matt. 18:20). Twee of drie - het hangt dus ook niet eens van het grote getal af! En het doet er in principe ook niet toe, waar die ontmoeting in Zijn Naam plaats vindt. In een mooi kerkgebouw met gebrandschilderde ramen en een imponerend orgel om de gemeentezang te begeleiden, of in een omgebouwde schuur, die voor samenkomsten van de gemeente min of meer geschikt gemaakt is; onder een palmboom in de open lucht of in een grot, waar men zich zoekt te onttrekken aan het oog van eventuele verspieders. Hij is daar, waar men in Zijn Naam samenkomt. Dat vergaderd zijn in Zijn Naam is bepalend. Dat duidt immers op het kerk-zijn, op het ambtelijk gezag van de Koning der kerk en op het aanroepen van die Naam. Daar is het vólk; het volk Gods; de geestelijke tempel.

Daarom is er ook geen wezenlijk verschil tussen de gelovige onder de oude bedeling en die onder de nieuwe bedeling als het gaat over de beleving van het verlangen naar Gods huis en de vreugde die beleefd wordt in Gods huis. Een nieuwtestamentische gelovige kan zich dan ook bij tijden volledig herkennen in wat de oudtestamentische psalmen daarover zeggen. Psalm 84 kan dan ook zomaar als vertolking dienen van wat er ook in 1995 in het hart van een mens kan leven als hij aan de kerkdienst denkt. Herkent u dat ook?

God zegent daar

God woont in Zijn gemeente; Hij wil Zijn volk daar bij Zich hebben. Waartoe? Wat wil de Heere daar dan doen? Jes. 56:7 zegt dat God Zijn volk zal verheugen in Zijn bedehuis. Het laat Zich ook zo zeggen, dat de bedoeling van de Heere met de ontmoeting tussen Hem en Zijn volk is, dat Hij dat volk daar wil zegenen. De ontmoeting met de Heere is op zich al een zegen. De ontmoeting met anderen, die de Heere vrezen is ook al een zegen. En wat de Heere daar door middel van het Woord en de Sacramenten en de openlijke aanroeping van Zijn Naam en het zingen van de liederen Sions wil doen is ook niets minder dan zegen brengen. De zegen van het onderwijs; de zegen van de vertroosting; de zegen van de vermaning; de zegen van de waarschuwing. En zoveel andere zegeningen meer. Wilt u gezegend worden? Houdt dan de kerkdienst in waarde. Kom naar Gods huis. Getrouw. Zonder mankeren.

Klinkt dit allemaal erg idealistisch? Is dit alles meer theorie dan realiteit? Zijn hier geen vragen bij te stellen? Zeker wel. Ik weet ook wel welke vragen sommigen van onze lezers nu zouden willen stellen. Een volgende keer hoop ik er op in te gaan. Zoals ik dan ook hoop in te gaan op een aantal consequenties die uit het bovenstaande voortvloeien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1995

Bewaar het pand | 8 Pagina's

De kerkdienst (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1995

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken