Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ds. J.A. Riekel 1869-1949 (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ds. J.A. Riekel 1869-1949 (1)

7 minuten leestijd

We komen nu bij de boeiende figuur van dominee Riekel. Zijn ouders behoorden tot de Roomse Kerk en woonden in Groningen. Op 30 juli 1869 werd er een zoon geboren, die de naam Johannes Adamus ontving. Deze Johannes leefde naar het goeddunken van zijn eigen hart. Voor een Goddelijk gericht behoefde hij niet bang te zijn. De biecht garandeerde hem immers volkomen vergeving van zonden!

Hij werd van beroep loodgieter, ’s Zondags liep hij met zijn gereedschapkistje en hij zong een hymne. Op een keer zei iemand tegen hem: “Als je meent wat je zingt, dan ga je meteen naar huis. Dan ga je niet ’s zondags werken.” Riekel zei: “Maar ik meen het!”

Zijn militaire diensttijd bracht Johannes door in Den Haag. Daar ontmoette hij een protestants meisje: Antje ter Burg. Hij meende dat hij dit meisje hebben moest. Antje zei: “Alles goed en wel, maar ik word niet Rooms.” Riekel zei: “Dan word ik protestant.” Zo is het gebeurd. Riekel vertelde er zelf van: “Nu had ik een ander pakje aan, maar ik diende nog dezelfde koning.”

Bekering

Toch is dat meisjes (later zijn vrouw) door haar standvastigheid het middel geweest tot zijn bekering, hoewel zij zelf de Heere nog niet kende. Jaren later mocht Ds. Riekel omgekeerd het middel zijn voor haar bekering. Op 18 september van het j aar 1895 traden ze in het huwelijk en vestigden zich in Den Haag, waar ze een ijzerwinkel begonnen.

De Heere werkte door in het leven van Johannes Riekel. Zelf uit de dienst van de zonde tot God bekeerd, verlangde hij Gods Woord te mogen verkondigen. Maar hij sprak nog met niemand over dit geheim. Hij had alleen de lessen op de lagere school gevolgd. Het zat er niet in, dat hij ooit predikant zou kunnen worden. Op een keer werd hij bepaald bij Habakuk 1:5b - “Ik werk een werk in ulieder dagen, hetwelk gij niet geloven zult, als het verteld zal worden.” Dit was een bemoediging voor hem.

De Heere riep hem krachtdadig tot het ambt met de woorden: “Weidt de kudde Gods” 1 Petr. 5:2a. Zijn roeping was duidelijk, maar er rezen vele bezwaren. Hij was gehuwd en inmiddels vader van zes kinderen.

Bovendien had hij geen geld om de studiekosten te betalen. Riekel probeerde er onderuit te komen.

Nu kreeg hij te maken met tegenslag. Zijn klanten winkelden elders. Alles werd hem bij de handen afgebroken. Mevrouw Riekel werd ziek. En op één middag moesten er zelfs vier kinderen naar het ziekenhuis gebracht worden. Dit heeft ertoe mogen leiden, dat hij boog voor de Heere en zich onvoorwaardelijk aan Hem overgaf. Het verdroot hem, dat hij zo onwillig geweest was. De Heere wees hem op de woorden: “Zie het Lam Gods Dat de zonde der wereld wegneemt.” Dit was een hartsterkende troost voor hem.

Studietijd

Uiteraard zag hij tegen het admissie examen erg op, met name tegen “wetenschappelijke” vragen. In het curatorium zaten onder anderen de predikanten J.W. Geels en H. Janssen. Wat ze echter van Riekel te horen kregen moet ontroerend geweest zijn. Ds. Janssen verklaarde: “We hebben een geestelijk bad gehad.”

Johannes Riekel werd nu ingeschreven als student aan de Theologische School. Het gezin verkeerde dikwijls in heel grote financiële zorgen. Op maandagochtend moest hij naar de Theologische School. Geld was er niet. Zijn vrouw zei: Ja, jij gaat maar weer naar de School. Maar ik blijf hier achter met het gezin. Hoe moet dat?

Riekel kreeg het door deze opmerking zeer benauwd. Hij kroop in een klein schuurtje en daar heeft hij de Heere zijn nood bekend gemaakt. Hij ging terug naar zijn vrouw en zei: “Vrouw, we gaan aan tafel.” Ze gingen het karig maal nuttigen. En terwijl ze aan tafel zaten, kwam er een ouderling uit Dordrecht. Hij zei: “Meneer Riekel, we hebben besloten u wat geld te brengen.” De ontroerde Riekel zei: “Vrouw eer zij roepen zal Ik antwoorden. Toen ik in het schuurtje worstelde met God, was deze ouderling al onderweg.”

Aan de Theologische School heeft Riekel zes jaar ijverig gestudeerd. In het j aar 1915 slaagde hij voor het kandidaatsexamen en werd beroepbaar gesteld.

Veenendaal

Nadat de broeders van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Veenendaal enkele preken van hem hadden beluisterd, brachten zij een beroep op hem uit. Riekel schreef, dat hij het beroep aannam en vroeg of docent De Bruin hem mocht bevestigen. Bovendien vroeg hij of hij in plaats van vijf, zes vrije zondagen kon krijgen. De kerkeraad stemde daarin toe. Het tractement werd vastgesteld op ƒ 72,- per maand.

Er kon voordelig een pastorie voor het domineesgezin gehuurd worden. Op hervormingsdag, zondag 31 oktober 1915 leidde docent De Bruin hem tot zijn ambtswerk in met een preek over de tekstwoorden: “Weidt de kudde Gods.” De bevestiger sprak over het werk van de herder in de gemeente. Het trof Riekel, dat de tekst van de bevestigingspreek dezelfde was waarmee de Heere hem geroepen had. ’s Avonds deed kandidaat Riekel zijn intrede met een preek over 1 Kor. 1:23a - “Doch wij prediken Christus, de Gekruisigde.” Slotzang was:


Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen;
Men loov ’ Hem vroeg en spâ;
De wereld hoor’, en volg’ mijn zangen,
Met Amen, Amen, na.


Het kerkgebouw stond aan ’t Zand. Er is nog een fraaie foto van. In die tijd moesten ze allemaal te voet naar de kerk. De viering van het heilig Avondmaal werd uitgesteld totdat de predikant de gemeente was doorgeweest, zodat hij enigszins de mensen had leren kennen.

In de zomer van 1916 volgde Riekel ook nog spraakles. Hij was pastoraal bewogen en zocht de mensen op. Met een broeder die zondagsarbeid verrichtte bij de P.T.T. werd gesproken. De predikant vertelde hem enkele voorbeelden uit zijn eigen leven tot lering.

De kerkeraad had geen vrijmoedigheid een overigens meelevende mevrouw als lid aan te nemen. De broeders vonden het beter dat zij eerst de “lidmatencatechisatie” ging volgen, hetgeen ze in overweging nam.

De kerkeraad gaf Ds. Riekel toestemming zesmaal per jaar gebruik te maken van een rijtuig dat gehuurd moest worden op kosten van de kerk. Als hij een zondag ergens elders preekte, las men preken van Smytegelt of Hellenbroek. Op 31 oktober werd een hervormingspreek gehouden.

Op de kerkeraadsvergadering van november 1917 werd met algemene stemmen besloten dominee honderd gulden duurtetoeslag te geven. Het was immers de tijd van de Eerste Wereldoorlog. In maart 1918 werd het tractement van de predikant op negentig gulden gebracht. In januari 1919 werd het ƒ 110,-.

In augustus 1919 achtte Riekel het noodzakelijk, dat de kerkeraad uitgebreid werd. Zelf kon hij onmogelijk alles nalopen. De ouderlingen moesten twee aan twee de gemeente in en zo het opzicht over de gemeente uitoefenen. De kerkeraad deelde dit gevoelen. Het gebeurde soms dat hij bij een ernstig ziek kind knielde en vroeg: “Zullen wij samen bidden?” De gemeente telde in die tijd ongeveer 370 leden. Ook waren er in die jaren reeds bouwplannen voor een nieuwe kerk met pastorie. Riekel stimuleerde de oprichting van een Jongelings-vereniging. In maart 1920 kon er in Wageningen een “station” opgericht worden. Op de zondag werden er twee diensten gehouden en preken van oudvaders gelezen. De opkomst was goed. Door de week kwam er af en toe een predikant een avonddienst verzorgen.

Beroep

In mei 1920 ontving Riekel een beroep van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Zaandam. Daar was een meisje dat bad, of hij het beroep mocht aannemen én of hij het middel mocht zijn voor haar bekering. Beide gebeden zijn verhoord. Hij nam het beroep inderdaad aan. Op de kerkeraad vroeg hij aan ieder, of hij “in broederliefde” afscheid kon nemen. Allen zeiden: Ja! Zondagavond 18 juli nam hij afscheid van Veenendaal met de woorden uit 1 Petr. 5:10 - “De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke en fundere ulieden.” In de vakante tijd las men in Veenendaal catechismuspreken van onder anderen Bemardus Smytegelt.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1995

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Ds. J.A. Riekel 1869-1949 (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1995

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken