Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Nederlandse Geloofsbelijdenis (71)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nederlandse Geloofsbelijdenis (71)

10 minuten leestijd

Het zwaard in handen gegeven

We bespreken voor ditmaal één zin van artikel 36. Wie weet, waarover het gaat, zal er niet verwonderd over doen. Het gaat om de zgn. zwaardmacht van de Overheid. Kort gezegd is dat de macht, die de Overheid mag én moet gebruiken om gerechtigheid uit te oefenen naar Gods Woord in de samenleving. Daartoe heeft God haar het zwaard gegeven.

Enerzijds gaat het hier over een in onze tijd wel zeer dringend aspect. Hoe ontstellend is de misdadigheid in de laatste jaren toegenomen. Het aantal inbraken wordt steeds groter. Velen zijn met vrees vervuld: wanneer ben ik aan beurt? Dan kunnen we dagelijks lezen van roof- en lustmoorden. Men vraagt zich af: wat wordt er aan gedaan? De straffen zijn naar verhouding vaak niet zwaar en daarbij lopen velen nog een tijd rond, omdat de gevangenissen vol zijn.

Anderzijds brengt men allerlei bezwaren in tegen de overheidstaak, die hierin uitkomt. Men moet er vaak al niets van hebben om van de zwaardmacht der Overheid te spreken. In brede kringen binnen de kerken zet men allerlei vraagtekenen achter de schriftuurlijke gegevens over deze zaak. Daarbij wordt aan dit aspect niet zelden een andere inhoud gegeven dan Gods Woord eraan geeft.

Zo wordt dat belijden ondermijnd, waar vandaag juist zo naar geluisterd moest worden! We lezen het: “Tot dat einde heeft Hij de Overheid het zwaard in handen gegeven tot straf der bozen en bescherming der vromen”.

Weer: Romeinen 13

Vrijmoedig kan beleden worden: Hij heeft de Overheid het zwaard gegeven. De Schrift wordt nagesproken. We komen weer bij Romeinen 13 terecht nl. vers 3 en 4: “Want de oversten zijn niet tot een vrees de goede werken, maar de kwaden. Wilt gij nu de macht niet vrezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben, want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet zo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs, want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet”. Hier is duidelijk, zoals in artikel 36, het verband: de zwaardmacht wordt verbonden aan de instelling en opdracht voor de Overheid. Het “dienares Gods te zijn u ten goede” komt uit in het beschermen van de goeden en het bedwingen van de kwaden. Daarom heeft God het zwaard gegeven. Hier komt ook uit het element van de gerechtigheid, die de Overheid moet uitoefenen. Het gaat om de wraak, de vergelding over degenen, die kwaad doen. Het gaat maar niet alleen om een vergunning voor de Overheid, maar ook om een plicht. Zij màg maar niet het kwade straffen, zij móet het ook doen als dienares Gods.

Tenslotte kunnen we met dit gedeelte zien dat het bij de zwaardmacht van de Overheid niet alleen gaat om het bedwingen van de kwaden maar ook om het beschermen van de goeden. Het is waar dat het eerste hier alleen direct staat, maar dat het geheel van deze verzen naar twee zijden ziet: zowel “Tot straf der bozen” als tot “bescherming der vromen”.

We tekenen hierbij aan dat de voorgedragen verklaring alsof het in Romeinen 13 zou gaan om de gedachte: de overheidsstraf kan er zijn, als het algemeen welzijn er door gediend wordt, een vertekening van dit gedeelte is. Zo zou dan de doodstraf, voor die zich aan het leven van hun naaste vergrijpen, vandaag niet meer nodig zijn. Deze gedachte gaat voorbij aan wat hier staat: “..een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet”. We kunnen hier instemmen met wat opgemerkt wordt in de commentaar van dr. H. Ridderbos: “Het gaat hier niet over de opvoedende maar over de straffende en behoudende taak der overheid”.

Doodstraf

De zwaardmacht van de Overheid komt het meest direct uit in de doodstraf. De kanttekeningen bij de bovengenoemde tekst verwijzen er dan ook naar: “dat is, heeft de macht ontvangen om de kwaaddoeners zelfs ook met de dood te straffen” Genenis 9:6.

Het gaat dan om de straf, die het meest ingrijpend is. Zo voelt ieder het aan. De dood is het laatste. Alles wat iemand heeft zal hij geven voor zijn leven. En dan: de dood betekent het einde van de tijd der bekering, de tijd der genade. Vooral op het laatste zal men wijzen. Het zou onbarmhartig zijn om iemand aan de dood over te geven. Tegen de geest van het Evangelie.

Een argument, dat de laatste tijd gehoord wordt tegen de toepassing van de doodstraf is: na de kruisdood van Christus zou de doodstraf achterhaald zijn. De vergeldende gerechtigheid Gods zou in Zijn sterven zijn voltrokken. Dan is er geen plaats meer voor de straf in deze vorm. In feite is dit meer en meer de beheersende gedachte geworden. Er zou in de Nieuw Testamentische bedeling geen sprake meer zijn van vergeldende gerechtigheid. We behoeven het niet te zeggen, hoe dit aansluit bij de strafopvatting, die men vandaag in het algemeen heeft. Straf als vergelding voor de begane misdaad past niet in het gedachtengoed van de moderne mens. Volgens de tegenstanders van de doodstraf zou het mede aan de opvattingen van vergelding te wijten zijn dat er in het verleden zovelen de dood als gerechterlijk vonnis hebben moeten ondergaan.

Laat het duidelijk zijn, dat we de doodstraf allereerst als een vreselijke straf zien. Ook nemen we het niet graag op voor de toepassing daarvan bij soms lichtvaardige vergrijpen in bijv. de Middeleeuwen. Er zijn ook heel wat voorbeelden te geven dat op een lichtvaardige wijze iemand ter dood veroordeeld werd zonder voldoende mogelijkheden tot beroep. Soms ook zonder dat met onmogelijke omstandigheden rekening gehouden werd. Deze dingen zijn hier niet in het geding. Het behoort ook tot de roeping van de Overheid om daarin gerechtigheid te oefenen, dat niemand ongegrond ter dood veroordeeld wordt.

We moeten echter ook zeggen, dat dan ook de bezwaren tegen de doodstraf in het juiste licht gesteld moeten worden! Het gebeurt nogal eens, dat bij een toepassing van de doodstraf elders breedvoerig de omstandigheden worden voorgesteld, terwijl het eigenlijke bezwaar nauwelijks genoemd wordt. De tekening van de situatie dient om de mening om te buigen!

Voor ieder, die Gods Woord als bepalend voor alle handelen aanvaardt, zal het vast moeten staan, dat de Overheid geroepen is de doodstraf toe te passen in die gevallen, waarin dit overeenkomstig het recht geëist wordt. Dat is toch zeker zo als iemand met voorbedachte rade zijn naaste om het leven brengt. Het doet in dit verband ook wonderlijk aan dat men wél de doodstraf bepleit in bepaalde omstandigheden - zoals in de situatie direct na de laatste wereldoorlog bij de berechting van landverraders - en ondertussen tégen de doodstraf is, voor hen die door hun misdaden de grondslagen van onze samenleving ernstig ondermijnen.

Genesis 9:6

Vanouds is voor de toepassing van de doodstraf een beroep gedaan op Genesis 9:6. We hebben het al gezien dat de kanttekenaren bij Romeinen 13:4m naar deze tekst verwezen hebben: “Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden, want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt”.

Het gaat in dit Woord om de straf op het opzettelijk bloedvergieten van een medemens. God heeft het leven van de mens geschapen naar Zijn beeld. Calvijn zegt hierbij: “Zo iemand mocht tegenwerpen dat dit beeld verwoest is, de oplossing ligt voor de hand, er is nog iets overgebleven, zodat de mens door niet-geringe waardigheid uitmunt. Voorts dat de hemelse Maker Zelf, al is de mens bedorven, toch het doel der eerste schepping voor ogen heeft”. Voor het door de dood aantasten van de Beelddrager is de mens verantwoordelijk tegenover God.

Zo spreekt dit schriftgedeelte maar niet alleen van een gevolg: het bloedvergieten brengt tot bloedvergieten, ’t Gaat om de gerechtigheid die God stelt tegenover de moordenaar. We kunnen dit zien vanuit het voorgaande vers, waarin God verantwoording en rekenschap vraagt ten aanzien van het bloed: “En voorwaar, Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eisen, van de hand en van alle gedierte zal Ik het eisen, ook van de hand des mensen, van de hand van eens iegelijks broeder zal Ik de ziel des mensen eisen”. God “duldt niet dat de moorden ongewroken blijven”.

Eén moeilijkheid is dat hier niet van de Overheid gesproken wordt. Men heeft het dan wel gezien als een bevel tot bloedwraak, waarvan we weten uit de wetgeving van Israel. We behoeven hier geen beslissing te nemen, aan wie hier in in eerste instantie gedacht moet worden, die op Gods bevel het gerechterlijk vonnis uitvoert. Luther heeft hier gedacht aan de instelling van de Overheid, aan wie het zwaard gegeven is. Laten we eerlijk zeggen dat dit hier niet met uitdrukkelijke woorden staat. We kunnen wel zeggen dat de regel, die God hier gesteld heeft noodzakelijk moest leiden tot het overheidsgezag en het overheidsoptreden.

We mogen dan met vrijmoedigheid een lijn trekken van Genesis 9:6 naar Hebreeën 13. Temeer mogen we dat doen, omdat het in beide schriftgedeelten niet alleen om de straf van de bozen gaat maar ook om de bescherming van de goeden. God treedt ook in het eerste schriftgedeelte op als de Beschermer van het leven. Hij kan niet hebben dat het leven, dat Hij geschapen heeft, moedwillig wordt aangetast. Dat is ten goede van de samenleving.

Verantwoordelijkheid

De zwaardmacht is aan de Overheid gegeven. Het betekent ook dat de Overheid verantwoordelijk is tegenover God hoe zij dat zwaard gebruikt of niet gebruikt. Er is hier veel te noemen waarin de Overheid het zwaard moet gebruiken. We kunnen denken aan tijden, dat het bestaan van de onderdanen bedreigd wordt, zoals 50 jaar geleden. Het moet behalve tegen moordenaars ook spreken bij de praktijk van abortus en euthanasie. De Overheid heeft krachtens het gegeven zwaard te maken met de dood van het nog ongeboren leven en met de opzettelijke ingreep in het leven van ouderen en zwakkeren. Dan mag de Overheid zich niet laten leiden door allerlei theorieën over de zinloosheid van het leven enz. God vraagt verantwoording voor het niet-straffen van het kwade.

Het lijkt vaak een hard gegeven: zwaardmacht van de Overheid. De Overheid moet ook het zwaard niet zomaar, ten onrechte, gebruiken. Maar bij het rechte betrachten van de zwaardmacht is het ten goede van het volk. Zo wordt de samenleving beschermd. Zo wordt de zonde tegengegaan. Die zonde in zijn openbaring is juist dé dood in de maatschappij. Een Overheid, die het zwaard niet hanteert in de bestraffing van de kwaden, is een slechte voor het volk. Die laat de dood voortgaan.

Wat moeten we bewogen zijn met ons volksleven in onze tijd. Om het Woord Gods te spreken tegen de tijdgeest in, die het recht van God weerspreekt. Dat niet hooggevoelend maar in de wetenschap dat wij dat zwaard net zo goed hebben verdiend. Zo alleen is er een boodschap in onze verziekte samenleving, die het gebod Gods eert en het Evangelie uitdraagt.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1995

Bewaar het pand | 10 Pagina's

Nederlandse Geloofsbelijdenis (71)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1995

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken