Bekijk het origineel

Nederlandse Geloofsbelijdenis (72)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nederlandse Geloofsbelijdenis (72)

10 minuten leestijd

Het ambt van de Overheid

De Overheid is van God verordend. We hebben het gezien. Aan het begin van art. 36 werd het beleden. We horen vaak de uitdrukking, als het over overheidspersonen gaat: “allen, die in hoogheid zijn gezeten”. Het is Bijbels, we lezen het in 1 Timotheüs 2:2. Die hoge positie hebben ze echter niet aan zichzelf te danken, maar aan Gods bestel. Hun aanstelling is van God. Daarin ligt ook hun opdracht, hun taak begrepen. Onze belijdenis geeft dat hier weer door het woord “ambt”. De overheden staan in dienst van God, zijn eigenlijk Gods officieren. Zij volvoeren hun taak in Gods opdracht, in Zijn Naam.

We kunnen ook zeggen, dat zij het volk dienen, ten nutte van het volk zijn. Luther noemde hen graag: vaders des volks. De belangen van het volk moeten hen ter harte gaan. Toch, die dienst wordt bepaald door hun ambt: de dienst aan God is beslissend. Nooit mogen ze het volk naar de ogen zien of een beleid zoeken dat gericht is op het behoud van de gunst van het volk. Het komt helaas vandaag openbaar. De overheid volgt zo vaak het begeren van de meerderheid van het volk, ook als dit begeren lijnrecht tegen Gods W heilzame geboden ingaat. Laat het hier vóórop staan: de overheidstaak wordt principieel bepaald door wat hier staat! We lezen het eerst: “En hun ambt is niet alleen acht te nemen en te waken over de Politie, maar ook de

hand te houden aan de heilige Kerkedienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst om het rijk des antichrists te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen; het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend wordt, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt”.

Niet alleen..maar ook

De taak van de Overheid wordt als tweeledig beleden: “niet alleen acht te nemen en te waken over de Politie, maar ook de hand te houden aan de heilige Kerkedienst”.

Met het woord Politie bedoelt onze belijdenis niet maar het apparaat, dat verantwoordelijk is voor de openbare orde en veiligheid. Het gaat hier duidelijk om de burgerlijke regering, de openbare orde zélf. En bij de heilige Kerkedienst moeten we denken aan de roeping van de Overheid ten aanzien van de godsdienst.

Hier is aansluiting aan het reformatorisch gedachtengoed van Calvijn. In de Institutie en de commentaren op de schriftplaatsen, die over de Overheid gaan vinden we dit telkens terug. In de 2e paragraaf van het hoofdstuk over de burgerlijke regering van de Institutie kunnen we al lezen: “..maar de burgerlijke regering heeft tot taak, zolang wij onder de mensen leven, de uiterlijke Godsdienst te ondersteunen en te beschermen, de gezonde leer der vroomheid en de staat der Kerk te verdedigen, ons leven in te richten tot de maatschappij der mensen, onze zeden om te vormen naar burgerlijke gerechtigheid, ons met elkaar te verenigen, en de gemene vrede en rust te voeden”. En in de volgende paragraaf: “Want zij - de Overheid - dient niet alleen... hiertoe, dat de mensen ademen, eten, drinken en gekoesterd worden....maar ook opdat er geen afgodendienst, geen heiligschennis van Gods Naam, geen lasteringen tegen Zijn waarheid en andere kwetsingen van de religie openlijk zouden opduiken en zich onder het volk verbreiden; opdat de openbare rust niet verstoord worde.... kortom, opdat onder de Christenen een openbare gedaante van religie zou zijn en onder de mensen menslievende omgang zou bestaan.

Aan de heilige Kerkedienst moet de Overheid “de hand houden”. Daarmee is ongetwijfeld bedoeld de bescherming en instandhouding van de kerk. Hier wordt dus gesproken van onderscheiden taken van de Overheid, die toch weer niet te scheiden zijn. Bij de eerste is de taak van de Overheid meer direct: “het acht nemen op de openbare orde” en bij de tweede meer indirect: “het handhaven van de heilige Kerkedienst”. Voor deze tweeërlei taak geldt dat de Overheid gebonden is aan Gods Woord en Wet. Ook de wetten voor het burgerlijk bestuur zijn gebonden aan de wil van God.

Overheid en Kerk

Wat de taak is van de Overheid ten aanzien van de kerk, de religie, wordt hier nader omschreven. Het gaat hier dan niet om een beschouwing over de verhouding tussen Kerk en Staat. Die hoort in onze belijdenis niet thuis. Het gaat om de roeping van de Overheid ten aanzien van de kerk, waarbij het onderscheid van kerk en overheid duidelijk blijft. Het is de roeping om binnen eigen bevoegdheid - naar Gods Woord - wat afwijkt van Gods Woord op dit gebied tegen te staan en de dienst des Heeren - uiteraard ook binnen eigen bevoegdheid - te bevorderen.

Onze belijdenis komt dan eerst met de negatieve zijde: “om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst, om het rijk van de antichrist te gronde te werpen”, en dan de positieve zijde: “het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen; het woord des Evangelies overal te doen prediken...”. Het is bekend dat de eerstgenoemde zinsnede door de Gereformeerde Kerken in 1905 tussen haakjes is gezet, in feite dus geschrapt. Het doet achteraf wel vreemd aan, dat men meende dat gedeelte wel te moeten schrappen en het andere niet. Een onderzoek naar de bedoeling van onze vaderen met het andere gedeelte - zoals dit voor het schrappen van het eerste gedeelte in 1905 grondleggend was - zou toch ook heel wat bezwaren opgeroepen hebben!

Er is veel getwist over de historische betekenis van de woorden: “om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst..”. Men meende hierin te lezen, dat het hier direct gaat om het weren en uitroeien door de Overheid met het zwaard. Het zou in strijd zijn met de Nieuw-Testamentische openbaring dat vervolging met het zwaard ongeoorloofd is, ook voor de Overheid.

In 1928 had de Generale Synode van de Chr. Ger. Kerken te maken met een bezwaarschrift van een broeder, die in plaats van deze zinsnede - feitelijk van het gehele belijden rond het ambt van de Overheid - wilde lezen: En hi ambt is niet alleen acht te nemen en te waken over de politie, maar ook de hand te houden aan de naleving van de wet der tien geboden des Heeren onzen Gods, voor zover deze in aanraking komt met het openbare en publieke leven, opdat het Koninkrijk van Jezus Christus bevorderd worde en het rijk van de antichrist worde afgebroken. Dit alles geschiedt, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde”. Daarbij kunnen we aantekenen dat deze bezwaarde broeder de mening had, zoals hierboven vertolkt. De Synode besloot o.a. “dat deze zonder gegrond bewijs als zijn mening voorop stelt, dat onder de gewraakte zinsnede moet worden verstaan een weren en uitroeien met het zwaard; dat door de schrapping van die woorden een gewichtig gedeelte zou worden weggenomen; dat de bestreden uitdrukking niets anders bedoelt dan aan te geven welke roeping de Overheid heeft in betrekking tot het publieke leven”.

Er zouden uiteraard heel veel opmerkingen gemaakt kunnen worden, zowel bij het voorstel van de bezwaarde als bij de uitspraken van de Generale Synode. Eén opmerking is wel: of zo niet voorgesteld werd alsof deze zinsnede helemaal niet aan het weren en uitroeien met het zwaard zou denken! Ik ben zelf afkerig geworden van het eindeloos proberen te bewijzen hoe dit gedeelte historisch te verstaan is. Er zijn uitspraken die de één gelijk schijnen te geven dat het hier zou gaan over het weren en uitroeien met het zwaard, er zijn uitspraken, die de ander gelijk schijnen te geven: het gaat alleen om het weren en uitroeien van de hier genoemde zaken. Niettemin meen ik in bescheidenheid:

’t gaat hier over de zaken, maar daaraan is uiteindelijk verbonden het directe optreden met het zwaard, alleen dan als er verwarring in kerk en staat wordt aangericht, ’k Geloof dat dit standpunt vrijwel algemeen in die tijd gevonden werd.

Niettemin moeten we staan achter de kém van deze uitspraak. We nemen hier een gedeelte over van wat in een rapport van 1962 - naar aanleiding ook van art. 36 - opgemerkt wordt: door de Synode van 1928 is op eenvoudige, maar afdoende wijze aangetoond, dat art. 36.. met de woorden: “om te weren en uit te roeien” niet bedoelt te zeggen, dat de Overheid haar onderdanen ter zake van afgoderij en valse godsdienst vervolgen en vernietigen of te niet doen moet, maar deze woorden alleen betrekking hebben op het openbare terrein van het leven, waar de overheid inderdaad afgoderij heeft te weren en, waar deze zich openbaart, met de haar geëigende middelen heeft uit te roeien, weg te doen”.

Zo is er ook aansluiting aan de Franse Geloofsbelijdenis (1559): “en om deze oorzaak heeft Hij het zwaard de overheden in handen gegeven om de begane zonden niet alleen tegen de tweede tafel van Gods Wet, maar ook die tegen de eerste tafel te beteugelen”.

Het positieve deel

Het is goed hier nog iets te zeggen over het positieve deel: “en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen; het woord des Evangelies overal te doen prediken”. Hier wordt aan de Overheid geen recht gegeven zich te bemoeien met de organisatie van de kerk. Er zijn tijden geweest, dat de overheid over de predikanten besliste, die ergens beroepen werden. Het heette dan wel dat het ging: “op ’t aangeven en met raad” van de predikanten van de bepaalde plaats, maar wee als die predikanten het met de keuze van de Overheid niet eens waren! Voor zo’n bemoeienis beriep men zich wel op de Schrift: God heeft de wetten aangaande de godsdienst niet door Aaron maar door Mozes gegeven. Terecht is vanuit de Kerk gewezen op het aparte karakter van de wetten, die de Heere door middel van Mozes gaf.

Het gaat hier niet om het directe ingrijpen van de Overheid in de kerk. De geestelijke politie en de wereldlijke mogen niet vermengd worden. We kunnen hier artikel 30 en artikel 36 vergelijken. De geestelijke politie moet daar gelaten worden, waar deze naar Gods Woord behoort, namelijk bij de Kerk des Heeren. De Overheid kan en mag niet dwingen tot het geloof en heeft zich ook afwijzig te houden van maatregelen die de Kerk aangaan. Het gaat hier om het “doen” vorderen en het “doen” prediken. De Overheid heeft de roeping om de mogelijkheden te scheppen voor de Kerk des Heeren, de prediking en heel de voortgang van het Evangelie. Daarbij moet de Overheid de Kerk ook beschermen door alle belemmeringen op te ruimen. We kunnen hier denken aan bepaalde activiteiten op zondag, die niet alleen tegen het gebod zijn, maar ook hinderlijk voor de prediking.

De Kerk mag niet heersen over de Overheid, zoals bij Rome. De Overheid mag niet heersen over de Kerk, zoals hier in ons land onder Koning Willem I en de opgelegde kerkelijke organisatie. Overheid en Kerk hebben hun eigen verantwoordelijkheid en taak. Ze hebben beide op eigen terrein en binnen eigen bevoegdheid hun roeping in het licht van het Koninkrijk Gods. Dat betekent: geen neutrale Overheid! De neutrale Overheid is een vrucht van het verval van God en Zijn Woord. Nooit kan noch mag - in welke tijd ook - zo’n Overheid geprezen worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1995

Bewaar het pand | 10 Pagina's

Nederlandse Geloofsbelijdenis (72)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1995

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken