Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

Adventsbede

5 minuten leestijd

“Het behage U, HEERE! mij te verlossen: HEERE! haast U tot mijn hulp”

Tegenspoeden omringen David. Daar zijn vijanden. Ze staan hem haar het leven. Ze zoeken zijn ondergang. Zijn ’t Saul en de zijnen? Of moeten we denken aan Absalom, die met zijn leger opmarcheert naar Jeruzalem? We weten het niet. Davids nood is groot. Maar er is nog meer. Ongerechtigheden hebben hem aangegrepen. Ongerechtigheden zijn meer dan zonden. Ze zijn de moedwillige overtredingen van Gods heilige wet. Voor David zijn die zelfs menigvuldiger dan de haren van zijn hoofd. Hij kan ze niet eens tellen, ’t Gevolg is dat zijn hart hem heeft verlaten. Dat betekent: hij heeft geen moed meer; alle moed is weggeëbd. Hij ziet zichzelf reeds als dood, als verloren, aan het verderf overgegeven. Heel Davids nood wordt aangegeven met dat beeld aan ’t begin van de psalm: de ruisende kuil en het modderig slijk. In zo’n kuil werd Jozef door zijn broers eens neergelaten. Die kuil is een omgekeerde trechter. Wie erin zit, kan nooit langs die schuintoelopende kant omhoog komen. Die is reddeloos verloren. Want daar beneden in die kuil is modderig slijk. De ongelukkige zakt daarin steeds dieper weg. Totdat de modder zich sluit boven zijn hoofd. Zie - dat is nu Davids nood.

Vanuit die nood roept hij naar omhoog, tot de HEERE, de Verbondsgod, tot die God Die heeft gezegd: wie Mij aanroept in de nood, vindt Mijn gunst oneindig groot. Hij is de God van de toezegging. Hij is de belovende God, en Hij houdt getrouw Zijn woord, Hij is een Waarmaker van Zijn woord. Zijn woord wordt altoos trouw volbracht! David heeft verwacht, vurig verwacht. Zijn gebed gaat naar omhoog: het behage U, HEERE! mij te verlossen. Het behage U. David kan niet eisen. Hij heeft geen rechten. De HEERE moge willen. Redenen nemen niet uit David. Hoe zou dat kunnen? David met zijn menigvuldige ongerechtigheden! God moge redenen nemen uit Zichzelf. Alleen zo. Op geen enkele andere wijze. Om Zijns Zelfs wille. Zo alleen kan David verlost worden.

Verlossing dat is hier opgehaald worden uit de kuil met modderig slijk, gered worden uit die grote nood en dood; en daar is haast bij. Dat kan geen uitstel lijden. Daarom: haast u tot mijn hulp. God is als enige Helper overgebleven. Niet David kan zich helpen; geen anderen kunnen hem helpen. De Heere alleen. Die God Die helpt in nood.

Kent ook u dat gebed van David? We gaan ons voorbereiden op het Kerstfeest. God zond de Verlosser, Zijn Zoon, Jezus Christus. Hij daalde af in de kuil van modderig slijk. Hij riep naar omhoog, maar God neigde Zijn oor niet. Hij zonk weg, Hij ging ten onder. De menigvuldige ongerechtigheden van zondaren op Zich genomen. Daarom gingen al Gods golven en al Gods baren over Hem heen. Daarom Hij stervend aan het vloekhout op Golgotha.

Aan adventsvervulling, het Kerstfeest, gaat de adventsbede vooraf: het behage U, HEERE! mij te verlossen: HEERE! haast U tot mijn hulp. Zal het echt Kerstfeest worden, voor het eerst of opnieuw dan gaat het altijd weer eerst om dit adventsgebed.

Wat een nood die ruisende kuil met modderig slijk! O neen - daar heeft God mij niet ingebracht. Ikzelf door mijn moedwillige ongehoorzaamheid! En nu kan ik elk moment wegzinken in het slijk. Dan is er zelfs geen roepen meer. Dan is er geen hoop op verlossing meer. Dan is er de eeuwige dood, de eeuwige rampzaligheid. Dit verstaande zou ik dan nog zin hebben om van het aanstaande Kerstfeest een “vrolijk Kerstfeest” te maken, een feest met wat uiterlijk vertoon? Neen toch! Dan is er haast bij dat de hemelen zich scheuren en dat de Heere nederkomt. Want als het geen echt Kerstfeest wordt, als Hij niet nederdaalt ter verlossing, dan is het blijven én ondergaan in de kuil van het verderf.

De Heilige Geest opent blinde ogen. Door Zijn werk komt er plaats voor de verlossing van boven. Door Zijn werk wordt de adventsbede geleerd, de roep naar omhoog. Hoe noodzakelijk is het toch dat we onze nood en ellende recht en grondig leren kennen, opdat er plaats komt voor de van God gegeven Verlosser. We zijn er zo’n vijand van, we willen niet in de onmogelijkheid aan onze kant terecht komen. Maar ’t is zo zalig om te leren. Want op uw noodgeschrei doet Hij grote wonderen. Dan haast Hij Zich ter hulpe; dan komt Hij ter verlossing. Hij haalt op uit de ruisende kuil. Hij stelt de voeten op een rotssteen; Hij maakt de gangen vast, en Hij geeft een nieuw lied in de mond, een lofzang Gode.

Hoe verlost ook, het blijft toch weer: ellendig en nooddruftig. De adventsbede blijft. Totdat die volkomen verhoord wordt. Zijn komst is het die het heil volmaakt. Hij Die begonnen is met de verlossing zal volkomen verlossen. Omdat Zijn Naam is HEERE!

Hoe groot is Zijn liefde. Hoe groot Zijn ontfermingen. Hoe volkomen is het werk van Jezus Christus. Door Hem zal straks het nieuwe lied volmaakt gezongen worden. Zonder dissonanten. Rijk is het de adventsbede te kennen. Dezulke zal ervaren dat de Heere verlost, ja volkomen verlost.

Want Hij is de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1995

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1995

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken