Bekijk het origineel

Nederlandse Geloofsbelijdenis (82)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nederlandse Geloofsbelijdenis (82)

10 minuten leestijd

Veroordeeld naar Gods recht

We naderen het einde van art. 37. We hopen er nog enkele malen aandacht aan te besteden. Dit slot kan genoemd worden: de toepassing op de belijdenis van het laatste oordeel. De lijnen worden getrokken naar de mensen, onderscheidend tussen de vromen en godde-lozen. Het profetische Woord kom hier uit: Zeg de rechtvaardige dat het hem wel zal gaan, dat zij de vrucht hunner werken zullen eten; wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding zijner handen zal hem geschieden” (Jesaja 3:10 en 11). De geweldige tegenstelling tussen die God vrezen en die vijanden van God en Zijn volk zijn, komt hier onomwonden uit. We behoren bij één van beiden. Er is hier geen derde, geen tussengroep. Daarbij moeten we er vooral oog voor hebben, dat het in dit laatste gedeelte meer dan ooit gaat om de enige troost van de ware gelovigen. Niet maar alleen als beleden wordt, wat Gods kinderen in de dag van oordeel voor voordeel zullen hebben. Het gaat in héél dit gedeelte om de troost. Er is troost vanwege de volle heerlijkheid, die de Rechter krijgt én de Kerk des Heeren.

Hier komt het duidelijk uit hoe de belijdenis van de laatste dingen uit moet komen in het leven van de Kerk. We voelen hier ongetwijfeld de spanning van de druk en vervolging in de dagen van de reformatie in de Nederlanden. Daardoor werd de ondergang van de vijanden ook gezien in het licht van het récht: het recht des Heeren, het recht van de grote Koning.

Als we eerlijk zijn moeten we bekennen, dat we daar vandaag ver af staan. Soms wordt het zelfs vreemd gevonden, om niet te zeggen: afwijkend...! Tegelijk moeten we ook eerlijk zeggen, dat dit element niet al te gemakkelijk van de lippen moet komen zonder druk en vervolging. Maar tóch: dit is er niet alleen voor bijzondere tijden. Het gaat hier om de vijanden van God van Zijn Zóón, van Zijn Wóórd in de eerste plaats. Zoals ook de Heidel-bergse Catechismus de volgorde heeft: “Al Zijne en mijne vijanden” en niet andersom! (Zondag 19 vr. en antw. 52).

Dit belijden, dat zo sterk voortkomt uit de benauwde omstandigheden zet alle dingen niet precies op een rijtje. We proberen het toch een beetje te doen, als we in drie artikelen iets hopen te zeggen over: het laatste oordeel en de vijanden, de heerlijkheid van de uitverkorenen en de enige verwachting. U zult het eerste zeker ontdekken als we hier de belijdenis vermelden: “En daarom is de gedachtenis van dit oordeel met recht schrikkelijk en vervaarlijk voor de bozen en goddelozen, en zeer wenselijk en troostelijk voor de vromen en uitverkorenen; dewijl alsdan hun volle verlossing zal volbracht worden en zij aldaar zullen ontvangen de vruchten des arbeids en der moeite, die zij gedragen hebben; hun onnozelheid zal door allen bekend worden en zij zullen de schrikkelijke wrake zien die God tegen de goddelozen doen zal, die hen getiranniseerd, verdrukt en gekweld zullen hebben in deze wereld; dewelke overwonnen zullen worden door het getuigenis van de eigen con-sciëntiën en zullen onsterfelijk worden, doch in zulke voege, dat het zal zijn om gepijnigd te worden in het eeuwige vuur, het welk de duivel en zijn engelen bereid is”, Mattheiis 25:41.

De gedachtenis schrikkelijk

Hoe moet de laatste oordeelsdag spreken tot de mensenkinderen? Het wordt hier zo verwoord: De gedachtenis van dit oordeel”. Dat wil uiteraard niet zeggen dat ieder daar in alle omstandigheden aan denkt. De goddeloze denkt liefst helemaal niet aan de dag van de afrekening. Men stelt die dag zo ver mogelijk en gaat nog driester op de weg der zonde. Toch kan de vrees voor het oordeel ineens het hart benauwen. Éénmaal wordt dat zeker werkelijkheid, als we God ontmoeten moeten. Onze belijdenis gaat niet uit van de wat de mens ervan denkt, maar van wat het Woord Gods spreekt. Die dag van het oordeel is geloofsstuk, wordt als werkelijkheid beleden. Daarop moet ons denken gericht zijn. En vanwege de rechtvaardige openbaring van Gods toorn over de zonde en ongerechtigheid is die “schrikkelijk en vervaarlijk” voor allen die buiten God leven.

Gods wraak

In dit gedeelte moeten we niet voorbij lezen aan wat er staat over de wraak Gods over de goddelozen vanwege hun verdrukking van Gods kinderen. Gods wraak wordt duidelijk geopenbaard in Gods Woord. Het is geen gevoelsmatig reageren, zoals bij een mens om zichzelf vergelding te verschaffen. Het is de vergelding van God, die rechtvaardig de zonde straft, als een zondaar Zijn wetten heeft overtreden. God handelt daarin naar Zijn Woord. Hij neemt het daarin op voor de eer van Zijn Naam, ook voor Zijn volk in de verdrukkingen, die zij om Zijnentwil en om het Evangelie moeten ondergaan. Door Zijn wraak baant Hij de weg naar de volle verlossing van de Zijnen.

Laten we niet denken, zoals velen helaas, dat de wraak des Heeren alleen een zaak is van de Oud-Testamen-tische bedeling en niet voor de Nieuw-Testamentische. In de prediking moet dit element des te meer klem hebben in de bedeling na het volbrachte werk van Christus.

We lezen van de wraak des Heeren bijv, in het boek Openbaring: “En zij riepen met grote stem, zeggende: hoe lang, o heilige en waarachtige Heerser! oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?“

We kunnen hier vooral wijzen op 2 Thessalonicenzen 1:6: “..alzo het recht is bij God verdrukking te vergelden degenen, die u verdrukken..” De ware gelovigen mogen in hun verdrukkingen uitzien naar die vergelding. Dan gaat het niet om de bevrediging van hun persoonlijke gevoelens tegen de vijanden, maar om de doorbraak van Gods eer en de volle verlossing. Die tekst heeft in de tijd, dat onze belijdenis is opgesteld, een grote betekenis gehad voor de vervolgde Kerk. Zou het ook niet zijn temidden van alle verdrukkingen, die de gelovigen in deze wereld ondergaan? We kunnen hier terecht bij Calvijn als hij schrijft in zijn commentaar op dit gedeelte: “Het is voorwaar een uitnemende plaats; want zij leert hoe wij onze harten zullen opheffen van alle verhinderingen dezer wereld, zo wanneer wij enige tegenspoed lijden, te weten, dat ons het rechtvaardig oordeel Gods in gedachtenis kome, hetwelk ons uit deze wereld zal wegnemen”.

Let er eens op: het rechtvaardig oordeel Gods! Dat wordt hier bij Calvijn voorgesteld als een troostvolle zaak voor Gods kinderen, terwijl het zo’n verschrikkelijke zaak is voor de goddelozen.

Onsterfelijk worden...

Er is een eeuwige straf voor alle bozen en goddelozen. Met grote soberheid en tegelijk met grote ernst spreekt onze belijdenis ervan in dit artikel. Het eeuwig strafgericht wordt er zonder meer - en zeker- in beleden.

We eten, dat in de moderne theologie op allerlei manier op die eeuwige straf wordt bedongen. Het is voor de mens van deze tijd niet te verteren, dat er een het zou bestaan. Hij zet of een vraagteken achter het bestaan ervan of verdedigt dat die het eenmaal leeg zal worden.

De eeuwige straf zou in strijd zijn met de liefde Gods. De triumph van Gods genade in het volbrachte werk van Christus zou zo’n grote kracht hebben voor heel de wereld, dat verloren gaan een onmogelijke mogelijkheid is. Het zou ook ondenkbaar zijn dat de eeuwige zaligheid van Gods kinderen verstoord zou worden door de gedachte van medelijden met degenen, die in de rampzaligheid zijn.

We noemen hier maar enkele zgn. argumenten, die er vandaag zijn. Er zijn er meer te noemen. Er zou veel over te zeggen zijn. We blijven maar bij het eerste: het eeuwig oordeel in strijd met de liefde Gods. Laten we daarbij bedenken dat wij een bepaalde voorstelling van de liefde Gods hebben, die we in Gods Woord niet vinden. Zijn liefde is zoveel anders dan onze lievigheid. Zijn liefde is niet in strijd met Zijn rechtvaardigheid (zie Zondag 4 vr. en antw. 11). En vooral: Zijn liefde gaf het hoogste, wat God had: Zijn eniggeboren Zoon; zal dan God niet straffen, die dat geschenk van Zijn liefde zo vreselijk versmaden?

We kunnen er hier ook op wijzen dat Hij in Wie God Zijn liefde het meest geopenbaard heeft, Zelf met zo grote ernst gesproken heeft van de eeuwige straf. We lezen hier in art. 37 de tekst, die uit Zijn mond is opgetekend, Mattheiis 25:41: “Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaal weg van Mij, gij vervloekten in het eeuwige vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen bereid is.” En aan het eind van ditzelfde hoofdstuk staat het ook weer zonder meer: “en dezen zullen gaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven”.

Daartegenover kan niet gesteld worden de mening, dat we in de Heilige Schrift te maken hebben met verschillende reeksen teksten. De éne reeks zou spreken van een eeuwig gericht, zoals bij Mattheiis. De andere reeks zou spreken van een algemeen behoud zoals in de NT-ische brieven. We moeten dan beide reeksen recht doen. Er is een voorlaatste waarheid en een laatste waarheid! Nu zou dit betekenen, dat er wel een het is maar dat die het niet voor ieder eeuwig duurt. De het kan zo een loutering zijn (Berkhof). We moeten hier zeggen: zo wordt Gods Woord in wezen niet serieus genomen! Wie maakt het uit, wat de voorlaatste of de laatste waarheid is? Voor ons kan en mag het toch niet anders zijn dan dat héél Gods Woord de waarheid is. Zulke voorstellingen zijn zo verbonden aan het niet-geloven in Gods Woord als de onfeilbare waarheid. Ook zijn ze uiting van een geloof in de mens als Gods partner, waarbij God het aan ZichZelf verplicht zou zijn -hoe dan ook - om die mens te behouden.

Het is ook nodig, dat we hier even letten op het woord “onsterfelijk“. Het mag duidelijk zijn dat het hier niet gaat om de “onsterfelijkheid“ der ziel. Dan zou er immers geen sprake zijn van onsterfelijk “worden”, ’t Gaat hier om de onsterfelijkheid, die in de opstanding der doden bij het laatste oordeel werkelijkheid wordt. Die opstanding is voor de goddelozen geen vrucht van Christus Opstanding, zoals voor Gods kinderen. Die opstanding is er door het rechtvaardig oordeel Gods. Door Gods vonnis zullen ook de lichamen der goddelozen vereend worden met hun zielen. Zij zullen ontwaken uit het stof der aarde maar dan “tot versmaadhe-den en tot eeuwige afgrijzing”.

Vijandschap tegen het Evangelie

In dit artikel over het laatste gedeelte gaat het over de vreselijke toekomst van de bozen en goddelozen. Wat is het een groot voorrecht in de tijd der genade onder het Evangelie te zijn en tegelijk een grote verantwoordelijkheid. Hier wordt gesproken, heel duidelijk, van de vijanden Gods en van de Zijnen. Die zitten ook in de kerk. Daar zijn ze óók vijanden van het Evangelie van genade. In dat Evangelie predikt God, dat er in Christus genade is voor vijanden en goddelozen. De prediking van het eeuwige oordeel is toch in Gods Woord verbonden aan de prediking van die boodschap. Wat moeten we ons haasten om ons levenswil om bij de Heere behoud voor ons leven te zoeken. Dan leren wij persoonlijk onze boosheid verstaan en ons goddeloos bestaan voor God bewenen. Dan is het recht dat ik verloren ben, maar wordt de gerechtigheid van Christus het enige anker des behouds. Zo alléén is dit onderwijs door Gods Geest vruchtbaar.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1996

Bewaar het pand | 10 Pagina's

Nederlandse Geloofsbelijdenis (82)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1996

Bewaar het pand | 10 Pagina's

PDF Bekijken