Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Nederlandse Geloofsbelijdenis (83)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nederlandse Geloofsbelijdenis (83)

10 minuten leestijd

De heerlijkheid der uitverkorenen

We hebben het nu over de heerlijkheid der uitverkorenen. Ieder zal het begrijpen, dat we daarbij denken - in de lijn van art. 37 - aan de heerlijkheid, die ten volle vervuld wordt bij de dag van het laatste oordeel.

Het is niet zonder belang, dat we tot drie maal in ditzelfde artikel lezen van de uitverkorenen. Éérst al aan het begin beleden, dat de dag van het oordeel er zal zijn als het “getal der uitverkorenen” vervuld zal zijn. Dan hoorden we er de vorige keer van, toen het ging over de dachtenis van die dag. Die zal “zeer wenselijk en troostrijk zijn voor de vromen en uitverkorenen”. En voor ditmaal wordt dit nader uitgewerkt en weer valt het woord “uitverkorenen”.

De troost in wat er komt voor de gelovigen is de troost van Gods verkiezende genade. De ware gelovigen zijn verkoren ten eeuwigen leven! Dat betekent niet dat hun leven een glijbaan is, waarlangs ze vanzelf in de hemel komen, zonder strijd. Daar is het hier in art. 37 heel ver vandaan. Hier spreekt de Kerk onder het kruis. Hier zijn de slachtschapen van Christus, die ieder ogenblik ten prooi kunnen vallen aan de woede van hun vijanden. Hun leven is vol van aanvechting en bestrijding. Die het vandaag mét hen belijden, weten er in een andere zin ook van. Hun grootste druk is vaak die van hun eigen verdorven bestaan.

Nu is hier voor de uitverkorenen de troost. Gods verkiezend welbehagen over hen staat er voor in, dat hun toekomst zeker en heerlijk is. Zij hebben uitzicht op de eeuwige heerlijkheid. Het is niet uit hen en niet door hen. Het is alleen door de vrije gunst van God. Alle roem is uitgesloten. Het komt alles voort uit de ontfermende God in Christus Jezus. Dat belijdt hier de Kerk. En die Kerk is één, ook door de tijden heen! Er is een “daarentegen” tegenover de goddelozen! We lezen het hier: “En daarentegen, de gelovigen en uitverkorenen zullen gekroond worden met heerlijkheid en eer. De Zone Gods zal hun naam belijden voor God Zijn Vader en Zijn uitverkorene engelen: alle tranen zullen van hun ogen afgewist worden; hun zaak, die nu tegenwoordig van vele Rechters en Overheden als ketters en goddeloos verdoemd wordt, zal bekend worden de zaak van de Zone Gods te zijn. En tot een genadige vergelding zal de Heere zulk een heerlijkheid doen bezitten, als het hart eens mensen nimmermeer zou kunnen bedenken.”

De smaad weggenomen

In verschillende uitdrukkingen omschrijft dit stukje van de belijdenis de heerlijkheid, die voor de uitverkorenen is weggelegd op de laatste dag. Uiteraard nemen we dan ook mee, wat er van hen gezegd is in het voorgaande: zij zullen de volle verlossing ontvangen, zij krijgen de vruchten van hun arbeid en moeite, hun onschuld komt openbaar, zij zullen Gods wraak zien tegen de goddelozen.

Van het merendeel van deze uitdrukkingen moeten we opmerken dat ze óf geheel óf in kern ontleend zijn aan Gods Woord. Tegelijk kunnen we zeggen, dat ze weergeven het ontheven worden van de smaad, die ze in de strijd en verdrukking hier op aarde hebben ondergaan. Van dat element geldt toch ook: geheel in de lijn van de Schriften.

We nemen hier enkele zinnen: zij ontvangen “de vruchten des arbeids en der moeite, die zij zullen gedragen hebben...” We hebben hier het woord “arbeid” niet te verstaan in de zin van: onze dagelijkse arbeid. Het gaat hier over “arbeid”, zoals het boek Openbaring en meer dan een maal van spreekt. Het duidt op de zorgen en moeiten, die de ware gelovigen om het geloof ondervinden. We kunnen hier wijzen op Openbaring 14:13 “Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid.” Daar wordt tegelijkertijd iets gezegd van de vruchten: zij zullen rusten, hun werken volgen hen.

Dan staat hier: “zij zullen gekroond worden met eer en heerlijkheid.” Hetzelfde Bijbelboek Openbaring laat zien, dat het hier weer gaat om een achtergrond van strijd en vervolging. Wie denkt niet aan Openbaringen 2:1 Ob “Wees getrouw tot in de dood en Ik zal u geven de kroon des levens”? Gevangenis en marteldood dreigen. De kroon wenkt voor wie getrouw mag zijn in een waar geloof, door Christus, het is de kroon der overwinning, waarbij toch ook zeker spreekt het wegnemen van de smaad, die men in Smyrna moest ondergaan. De kroon die toegezegd wordt is ook hun eerherstel uit God in Christus.

Tenslotte kunnen we denken aan: “De Zone Gods zal hun naam belijden voor de Vader en Zijn Engelen.” ’t Gaat hier om een samenvoeging van Mattheüs 10:32 en Lucas 12:8. De Heere belooft dit aan “een iegelijk, die Mij belijden zal voor de mensen...” Het is in de betreffende gedeelten te doen om het belijden of verloochenen van de Christus. De achtergrond is daarbij de vrees voor mensen. We zullen ook moeten denken aan moeitevolle situaties. Zeker is dat bij de tekst van Mattheüs: het tegenstaan van de belijders, het bedreigd worden met de dood. En nu belooft Jezus, dat Hij het voor hen zal opnemen, die door het geloof Hem belijden. Dat zal toch vooral openbaar komen in de dag van het oordeel. Hij zal Zich hunner niet schamen voor Zijn Vader en voor Zijn engelen. Hij zal hen ook voor Zijn engelen openlijk erkennen als degenen, die de Vader Hem gegeven heeft. Zij hebben Hém openlijk en vrijmoedig beleden door Gods genade; Hij neemt het openlijk voor hén op.

De zaak van Gods Zoon...

Er staan grote woorden in dit artikel, die tegelijk grote zaken zijn om te verwachten voor de Kerk des Heeren. Zo zegt hier de belijder, dat in die dag hun zaak bekend zal worden als de zaak van de Zone Gods. Hoe krachtig mag hier het levend geloof getuigen van de troost, die in die dag verborgen is.

Het staat hier niet voor niets dat “vele Rechters en Overheden de zaak van de Kerk als ketters en goddeloos verdoemen.” Zo wás het. Zo hebben de kinderen Gods het ervaren. Zij ontkenden de Overheden niet. Heel bijzonder kwam dat wel uit, toen Guido de Brés, niet zoveel jaren na het schrijven van deze woorden, vanaf het schavot de menigte nog toesprak en vermaande de Overheid te eerbiedigen. Hij was het ook die in de brief aan Filips II die hij met de belijdenis had gezonden, deze aangrijpende woorden schreef: “Verleen ons...wat geen mens aan de beesten kan onthouden, dat gij als uit de verte ons geroep wilt horen, opdat, indien gij ons gehoord hebt - en schuldig bevonden - de brandstapels in uw rijk vermeerderd worden...; of daarentegen, als onze onschuld blijkt, dat wij u tot hulp en toevlucht hebben tegen het geweld onzer vijanden....”

Ziet, dan ging het om de zaak van Gods Zoon. Om het evangelie van Gods vrije genade. Om de belijdenis van de enige gerechtigheid voor God in Hem. Dat was de “rechtzaak” van de Kerk der reformatie, van allen, die door een waar geloof verbonden waren aan die Zoon van God. Dan was het niet te doen om een eerherstel in die dag naar de maatstaf van de natuurlijke mens. Hoe gemakkelijk kan er soms een beroep gedaan worden op het eeuwige oordeel bij de minste belediging zonder dat eigen schuld wordt erkend! We moeten ons altijd afvragen: is het om Gods eer te doen? Om de zaak van Gods Zoon?

In die Zoon van God ligt het eerherstel van de Kerk. Hij belijdt hun naam. Dat is vanwege Zijn Middelaarswerk. Hij neemt het op voor Zijn eigendom, waarvoor Hij met Zijn bloed betaald heeft.

Daarom is er zo’n rijk uitzicht voor allen, die in Hem begrepen zijn. Het neemt de vleselijke wapenen uit handen, die ze zo licht gebruiken. Het doet het overgeven aan Hem, Die voor Zijn zaak opkomt. Zo kon Stefanus nog stervend bidden voor zijn vijanden met het uitzicht op een geopende hemel, waar zijn naam beleden werd voor de Vader.

Omgekeerde heerlijkheid

De laatste zin van het gedeelte, dat ons bezighoudt, is wel heel treffend. In Zijn genadige vergelding zal de Heere aan de Zijnen een heerlijkheid doen bezitten, als het hart des mensen nimmermeer zou kunnen bedenken. We zouden het wel een samenvatting kunnen noemen van alles wat tevoren genoemd is en waarin die heerlijkheid uit zal komen.

Het is eenvoudig niet te zeggen hoe groot of die heerlijkheid is. Er zal onderscheid uitkomen in die dag. Onderscheid zal er zijn in de mate van het oordeel maar ook onderscheid in de maat van de heerlijkheid. Al de kinderen Gods zijn daar zalig. Daarin zijn ze allen gelijk. Maar in de heerlijkheid is er verschil.

Calvijn schrijft erover in de Institutie “..dat God, evenals Hij op verschillende wijzen Zijn gaven aan de heiligen in deze wereld toedeelt en hen op ongelijke wijze bestraalt, zo ook de maat der heerlijkheid in de hemelen niet gelijk zal zijn, wanneer God Zijn gaven zal kronen.” Hij wijst hier op Paulus, die tegen de Thessalonicensen zegt: “Gij zijt mijn heerlijkheid en kroon in de dag van Christus” en op de 12 apostelen tegen wie Christus zegt: “Gij zult zitten, oordelende de twaalf geslachten Israels”. Dat geldt dus duidelijk alleen hen. De heerlijkheid van Paulus zal anders zijn dan die van Zacheüs. Toch is die verscheidenheid niet tot een aanstoot. Integendeel, de één zal zich verblijden in de ander. Een klein glas is net zo goed vol als een groot. Zij zullen allen aanzitten aan de ronde tafel, waaraan de bruiloft des Lams gevierd zal worden. En zij zullen allen vol zijn van de heerlijkheid van het eeuwige leven.

De heerlijkheid van de uitverkorenen zal vol zijn door het wonder, wat hier in die laatste woorden gespeld wordt. Het is zo’n heerlijkheid, als “in het hart van een mens nimmermeer bedacht kon worden.” Ongezien, ongehoord is het. Het gaat de diepste roerselen van het mensenhart ver te boven. Het gaat trouwens lijnrecht in tegen alles wat de wereld bedenkt. Het is ook uit Góds gedachten opgekomen! Om het eeuwige leven te schenken aan verloren mensenkinderen, die de eeuwige dood hadden verdiend en dat alleen door het offer van Hem, Die aan het kruishout heeft willen betalen aan het recht van God. Dat is het geheim, dat hier doorheen klinkt.

Dat geheim wordt geleerd door allen, die door genade op Gods leerden hopen. Zij mogen Gods eeuwige goedertierenheid leren kennen in Christus Jezus. Door Gods Geest wordt die hen geopenbaard. Het zou ook nooit uit hun hart opgekomen zijn.

De wereld mag lachen over een volk dat hoopt op zo’n toekomst. Dat volk mag het nochtans weten, dat de Heere het doen zal. Het is niet tevergeefs God te dienen. Alles zal er tegenop komen. Het zal niet lukken, dat wat God heeft uitgedacht tegen te houden. Het schijngeloof blijft buiten die heerlijkheid, maar het ware geloof zal ontvangen. En dat alleen omdat Gods trouw er voor in staat.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1996

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Nederlandse Geloofsbelijdenis (83)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1996

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken