Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zonde- en Christuskennis in het pastoraat (4)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zonde- en Christuskennis in het pastoraat (4)

6 minuten leestijd

En wat doen we nu ambtelijk als deze zondekennis (c.q. Christuskennis) wordt gemist?

Dan is niet onze beleving maatgevend maar het Woord. Het valt mij altijd weer op hoe bijbels onze vaderen te werk gingen in de geestelijke leiding van de gemeente. Het zijn de argumenten van de Schrift waarmee zij steeds weer proberen te overtuigen.

Zij kenden de arglistigheid van het hart. Dikwijls krijgt de duivel of “het verdorven vlees” de schuld van de zonde, waarin men leeft.

Men verontschuldigt zich. Dat is in het paradijs, na de val, onmiddellijk begonnen. De slang heeft mij bedrogen, zegt Eva. De vrouw die Gij bij mij gegeven heeft, heeft mij verleid, zegt Adam.

Mensen verontschuldigen zich voor hun verkeerde praktijken, door te wijzen op de moeilijkheden die het beroep nu eenmaal met zich meebrengt. Naar eigen overtuiging kan men bijvoorbeeld niet om het zondagswerk heen. Malafide praktijken worden goed gepraat.

Dat zijn nu eenmaal de consequenties die het werk met zich meebrengt. Of de naaste krijgt de schuld. Man, vrouw of kinderen hebben het gedaan. Ook krijgen ambtsdragers, predikanten of ouderlingen en diakenen de schuld van de zonde waarin men leeft. En zo gaat het maar door.

Anderen beamen de zonde met het verstand. Maar nooit raakt men in verlegenheid en heilzame wanhoop.

Er is geen droefheid. Geen zelfveroordeling. Men vergelijkt zichzelf met anderen die het er veel slechter vanaf brengen. Er is geen duurzame vrees voor het eeuwig verderf.

Wat is het dan nodig dat ambtsdragers hun eigen hart hebben leren kennen, in het Woord thuis zijn, om zulke uitvluchten te ontzenuwen. Om vanuit het onfeilbare Woord die te ontmaskeren en krachteloos te maken. Om met ernst en liefde te waarschuwen voor het verderf, als men zich niet bekeert.

Want al die genoemde excuses staan de ware schuldbeleving in de weg. Wij moeten ervan overtuigd worden dat de kroon in het paradijs al van ons hoofd gevallen is, zodat we gaan beleven wat Jeremia beleefde: Wee ons dat wij zo gezondigd hebben (Klaagliederen 5:16).

Dan mogen (en moeten!) wij ook aansporen de toevlucht te nemen tot Hem Die de zonde op Zich heeft genomen, de schuld heeft voldaan en gerechtigheid en eeuwig leven heeft verworven als Borg en Middelaar. “Want hetgeen der Wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van het zondige vlees, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, opdat het recht der Wet zou vervuld worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest” (Romeinen 8:3,4).

Die niet naar het vlees wandelen. Als mensen over zonde- en Christuskennis spreken, dan is het ook nodig dat wij op deze samenhang wijzen. Die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.

Gods kinderen kunnen “somtijds uit zwakheid in zonden vallen” en moeten dan aan Gods genade niet vertwijfelen. De zuivere zonde- en Christuskennis brengt toch liefde tot de Wet en tot de Getuigenis met zich mee.

Wat is het moeilijk iemands relaas over zonde- en Christuskennis over te nemen, als die Christus, de navolging van Christus, in het leven niet zichtbaar geworden is.

Dan hebben wij daar als ambtsdragers ook eerlijk op te wijzen, willen wij goede en getrouwe dienstknechten zijn en een goede ingang hebben in het koninkrijk der hemelen.

Gods ware volk zal ons voor die oprechtheid dankbaar zijn. Vroeg of laat. Zij zullen de ruimte niet goed praten, het ongeloof niet in bescherming nemen of verontschuldigen. Je behoeft tegen een kind van God niet te zeggen dat het ongeloof zonde is. Wees daarom voorzichtig met een hardvochtig veroordelen van onzekere, twijfelmoedige en onverzekerde christenen.

“Een kind” heeft nog die verzekering van Gods liefde niet, zoals een man in Christus. Een kind is erg gesteld op het gevoel van de genade. Als hij of zij in duisternis wandelt, valt het hem of haar moeilijk om door het geloof alleen te betrouwen op de enige Naam tot zaligheid onder de hemel gegeven. Het gebed voor hen in hun tegenspoeden is dan meestal profijtelijker dan veel en hoog te redeneren. Laten we dan maar liever voor zullen bidden om de Noordenwind en de Zuidenwind (Hooglied 4:16).

Want niet door kracht of geweld maar door Zijn Geest zal het geschieden. Van die Geest moeten wij het toch zelf ook hebben? Opdragen dus aan Hem Die door de Vader gegeven is “tot wijsheid van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing; opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in de Heere” (1 Korinthe 1:30,31).

Opdragen aan Hem Die de Geest des geloofs wil uitstorten in hun harten. Want hetgeen ik leef, schrijft de apostel in Galaten 2:2 dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zich voor mij heeft overgegeven.

Uit Hem wordt de gelovige bediend. Want Hij is hun Wijnstok en zij zijn de ranken. En zonder Hem kunnen zij niets doen (Johannes 15:1,5). Het is steeds maar weer een wachten op, een uitzien naar de wind van Gods Geest. “Viert dan toch de zeilen van uw verstand en wil met een hartelijke begeerte om die genadewind te vangen” (Van der Kemp).

Zo alleen komt ook God in ons persoonlijk en ambtelijk leven aan Zijn eer. Dan gaan wij niet met de “bevindelijke” eer strijken. Dan eindigen wij met de apostel Petrus in God:

Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwerkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u. Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.

In welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;

Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;

Denwelken gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Denwelken gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde;

Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen (1 Petrus 1:3-9).

Dan onderschrijven we van harte de woorden van Mozes: Niet mijn kracht heeft mij dit vermogen gegeven, maar gij zult de HEERE uw God gedenken (Deuteronomium 8:17,18). Daar gaat het om.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1996

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Zonde- en Christuskennis in het pastoraat (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1996

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken