Bekijk het origineel

Lessen uit het verleden (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Lessen uit het verleden (1)

(Bewerking van de toespraak gehouden op de Bewaar het Panddag van 13 april jl.)

10 minuten leestijd

Het is niet teveel gezegd, dat het beeld van de kerk in onze tijd weinig aanleiding geeft voor hooggestemde lof en jubel. In onze geseculariseerde maatschappij is de kerk hoe langer hoe meer naar de rand geschoven en - zoals wel gezegd wordt - een marginaal verschijnsel geworden. Wie rekent nog met haar? Wat is haar invloed op de gang van zaken? Welk aandeel heeft zij nog op de meningsvorming in ons land? Volgens velen heeft de kerk haar tijd gehad. Zoals ook de christelijke politieke partijen en allerlei andere christelijke organisaties hun tijd gehad hebben.

Dat is alles passé.

Verwarring en schraalheid

Dat zo gedacht en gesproken wordt hangt natuurlijk ten nauwste samen met het feit, dat ook de Bijbel geen plaats meer wordt gegund. Het Evangelie en in nog sterkere mate de wet zijn van hun plaats verdrongen. We leven vandaag bij andere normen. De tijden zijn immers veranderd. De mensen denken anders dan die uit vroeger tijd. En dan moeten de normen worden aangepast. Waar dat op uitloopt wordt meer dan eens op tragische wijze zichtbaar.

Het streven naar andere normen en waarden betekent in de praktijk vaak: helemaal geen normen en waarden meer.

Ondertussen is er kennelijk nog wel plaats voor andere religies dan de christelijke. Zelfs voor de meest zotte vormen van godsdienst wordt een plaatsje ingeruimd. En vooral het occulte boeit en bloeit. Maar de religie die in het verleden dankzij de goede zorg van de Heere in ons land is geplant en die hier zoveel zegen heeft gebracht, lijkt wel te moeten verdwijnen.

Heeft de prediking nog effect? Veranderen er nog mensen? Legt Gods Woord nog beslag op mensenharten? We verliezen allemaal de moed wel eens. Of niet?

En als we daar dan ook nog bij in rekening brengen, dat de kerk in onze tijd hopeloos verdeeld en verbrokkeld is en dat er enerzijds van verwatering en anderzijds van verwereldlijking en nog weer aan een andere zijde van verstarring gesproken moet worden - wat blijft er dan nog te hopen over?

Bovendien zien we ze ook uit onze kerken weggaan, de wereld in.

Of we zien ze naar een gemakkelijker godsdienst overgaan. Er zijn ook in onze kringen mensen, die met verdriet in hun hart beleven dat er van hun kinderen zijn met wie ze maar niet meer over godsdienstige zaken moeten spreken, omdat dat toch iedere keer weer op onenigheid uitdraait. Kinderen haken af en je ziet je nageslacht wegzinken in een modern heidendom, waarin voor God geen plaats is en waarin kleinkinderen opgroeien zonder ooit geleerd te hebben tot God te bidden.

Verwarring en schraalheid, allerwege. In de Nederlandse Hervormde Kerk met het hele gebeuren dat Samen-op-Weg heet. Een Bondsrichting in die kerk, die zelf ook hopeloos verdeeld is over deze zaak. De synode van de Gereformeerde Gemeenten geeft een kanselboodschap uit, waarin geklaagd wordt over de lage stand van het geestelijke leven en de invloeden vanuit de wereld, die de gezinnen aantasten. Over onze eigen kerken kunnen we ook wel een klaagzang aanheffen als we op onderlinge verwijdering stuiten tengevolge van verschillende praktijken in liturgie en dergelijke. De verhouding tot de Nederlandse Gereformeerde Kerken drijft ons intern uiteen. De roep om de vrouw in het ambt veroorzaakt nieuwe onrust. En al zijn er dan op onze laatstgehouden generale synode besluiten genomen, die tot dankbaarheid stemmen, daarmee is de onderlinge vervreemding niet opgeheven.

Waar lijken we op?

In de hoofdstukken 2 en 3 van het boek Openbaring lezen we de brieven, die Christus via de apostel Johannes verzonden heeft aan de zeven Klein-Aziatische gemeenten. Van die zeven gemeenten wordt een korte schets gegeven. Op welke van die zeven kerken lijkt de kerk in onze tijd? Op die van Smyrna, waarvan Jezus zegt, dat zij ondanks verdrukking en armoede toch rijk is? Ik zou het hopen, maar durf het niet geloven. Op die van Filadelfia dan? Tegen die kerk zegt Christus dat zij Zijn Woord bewaard heeft en Zijn Naam niet heeft verloochend. Durven we zeggen dat we daarop lijken?

Of lijkt de kerk op die van Laodicea, waar ze niet warm en niet koud, maar lauw waren? Of op die van Efeze, die het verwijt te horen kreeg dat zij haar eerste liefde verlaten had? Of - nog erger - op die van Sardis, waar ze de naam hadden te leven, maar waar de Heere slechts de dood kan constateren?

Kortom, als we alles bij alles optellen kunnen we een hele klachtenlijst laten zien. Klachten ook over gemis aan verborgen omgang met God en gemis aan het tere leven van de ziel. Klachten ook over het gemis aan echte bewogenheid met medemensen en aan hartelijke zorg voor het welzijn van Gods kerk. En op grond van die klachtenlijst kunnen we de moed wel laten zakken.

Niet voor het eerst

Het is echter niet voor het eerst dat er reden is om klaagzangen aan te heffen en moedeloos te worden. De kerkgeschiedenis laat telkens weer zien, dat er vaker zulke tijden zijn geweest. Maar ook, dat zulke tijden van ingezonkenheid en geestelijke armoede gevolgd worden door perioden van herleving en vernieuwde bloei.

Telkens weer was er die afwisseling van licht en donker, van hoogte en diepte, van leven en verkilling in de greep van de dood.

Hoe komt dat? Natuurlijk is het waar, dat daar de duivel achter zit. Dat is inderdaad wel erg gemakkelijk gezegd, maar het is wel waar. De duivel is er altijd op uit om Gods werk af te breken. Hij kan het niet verdragen als de kerk des Heeren een periode van bloei doormaakt. Daar zal de duivel zo snel mogelijk een einde aan maken. Als de Heere zondaren uit de duisternis tot Zijn licht trekt zal de duivel alles op alles zetten om dat te voorkomen en als hem dat niet lukt zal hij er alles aan doen om het effect ervan teniet te doen. Zo is hij altijd actief geweest, met geweld en list.

Maar dat is niet alles wat er van te zeggen is. Ik las eens dat Luther ooit heeft gezegd, dat de zuivere waarheid op een en dezelfde plaats nooit veel langer dan twintig, of ten hoogste veertig jaar aanwezig is. Na die tijd zijn de mensen er zo aan gewend geraakt, dat ze het leven der genade met een bepaalde onverschilligheid gaan bezien. Zou daar ook niet een element van waarheid in liggen? Maar dat houdt dan wel in, dat ook de mens zijn verantwoordelijkheid voor de gang van zaken houdt. Nee, we kunnen de duivel niet overal de schuld van geven. We hebben zelf ook schuld.

Maar, inderdaad, er zijn vaker donkere perioden geweest. Bijvoorbeeld in de tijd van Matthew Henry, die onder ons nog altijd - en terecht! - grote bekendheid geniet vanwege zijn bijbelcommentaar. Deze Henry werd in 1712 geroepen om een van Gods getrouwe dienstknechten te begraven; iemand die op betrekkelijk jonge leeftijd was weggenomen. Hij was niet de eerste in die dagen. In vrij korte tijd overleden er verschillenden van Gods getrouwe knechten. En toen Henry de rouwdienst moest leiden koos hij als tekst het woord uit de brief aan de Filippenzen: “opdat ik niet droefheid op droefheid zou hebben”. Hij wees drie oorzaken aan waarom de kerk in die tijd alle reden tot droefheid had. Het sterven van verschillende dienaren des Woords; de deplorabele toestand van de staat en de dorre toestand van de kerk. En dat was toch nog maar betrekkelijk korte tijd nadat het Puritanisme in Engeland op zijn hoogtepunt was geweest.....

Psalm 44

Trouwens, niet alleen de geschiedenis laat zien, dat er zulke tijden van ingezonkenheid waren. We lezen het ook in Gods Woord. Ik denk aan Psalm 44. Laat ik enkele verzen uit deze psalm mogen citeren. De dichter zegt tot God:

“Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, terwijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt. Gij doet ons achterwaarts keren van de wederpartijder en onze haters beroven ons voor zich. Gij geeft ons over als schapen ter spijze en Gij verstrooit ons onder de heidenen. Gij verkoopt Uw volk om geen waardij en Gij verhoogt hun prijs niet. Gij stelt ons onze naburen tot smaad; tot spot en schimp degenen, die rondom ons zijn. Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder volken. Mijn schande is de ganse dag voor mij en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij”.

Volgens de ervaring van de dichter en van de andere vromen in Israel in die dagen is het een troosteloze toestand. God heeft Zijn volk verstoten. Hij laat hen aan hun lot over. En het gevolg daarvan is, dat de andere volken denken dat ze met Israel kunnen doen wat ze willen. Zo is Gods volk tot een bespotting geworden. Ze worden belachelijk gemaakt en dat kan kennelijk allemaal nog straffeloos gebeuren ook. Het is in die tijd net zoals in de dagen waarvan Jesaja spreekt als hij tot God zegt: Waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen; waarom verstokt Gij ons hart dat wij U niet vrezen?

De dichter van Psalm 44 heeft dus ook alle reden om te klagen. Dat doet hij immers? Zo klinken toch de woorden, die we zojuist van hem lazen? En wat doet hij dan om zich in die trieste situatie nog ergens aan op te trekken? Waarmee bemoedigt hij zichzelf en anderen? Ja, wat doet een mens al niet om zichzelf te bemoedigen? We gaan opnoemen, temidden van alles wat ons zorg geeft, wat we nog aan goede dingen hebben. We zeggen: Ja, inderdaad, het is alles wel somber, maar de Heere werkt nog! En, zo zeggen we dan ook nog, we mogen de dag der kleine dingen niet verachten. En zo stellen we onszelf toch weer wat gerust. We proberen de balans wat in evenwicht te houden. We hebben nog redelijke opkomsten tijdens de kerkgang. Er wordt nog geluisterd.

Soms ligt er beslag in de gemeente als er gepreekt wordt. De ouderlingen horen op huisbezoek nog wel eens wat van geestelijk leven. En we hebben toch ook nog onze reformatorische zuil. Onze scholen. Onze andere activiteiten.

Hebben we wel in de gaten, dat we door deze zaken zo sterk te benadrukken, ook wel eens in een nieuw farizeïsme terecht kunnen komen? En bovendien heffen we op deze manier onze geestelijke armoede toch niet op? Natuurlijk, er zijn nog goede dingen. Die waren er in Juda ook in de dagen van koning Rehabeam. We zullen er dankbaar voor zijn. Maar die goede dingen lossen onze problemen niet op. Het is waar, dat we de dag der kleine dingen niet mogen verachten. Maar hebt u ooit in de Bijbel gelezen dat we de dag der kleine dingen nu dan maar gewoon moeten gaan achten? Alsof het niet beter zou kunnen en alsof God niet meer had om te geven? Nee, zo komen we er niet uit. Trouwens, de dichter van Psalm 44 wijst een andere en een betere weg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1996

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Lessen uit het verleden (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1996

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken