Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Praktica (6)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Praktica (6)

7 minuten leestijd

Al is de correspondentie over het verhandelde in deze rubriek niet zo druk toch verblijdt het mij, zo nu en dan te vernemen dat er met belangstelling kennis van genomen wordt.

Ik heb twee brieven voor mij, een van iemand, die moeite heeft met de uitverkiezing, de ander die aan het laatste artikel nog even wil doorbreien.

Thans wil ik als in een brief beide scribenten beantwoorden.

Wat het eerste betreft, mijn beste vriend of vriendin (uit uw brief kon ik niet opmaken wie u was) u is niet de eerste, wien dit stuk als een struikelblok voor de voeten wordt geworpen.

Met blijdschap mocht ik uit uw schrijven bemerken, dat u hiertegenover zeer geïnteresseerd was ingesteld. Dit acht ik een voorrecht. Hoe vaak wordt het fundament der zaligheid in onverschilligheid of weggeworpen, of misbruikt.

Ook wil de vijand onzer zielen, satan, zelfs de zielen dergenen, die naar de Heere zoeken, zo met de predecinatie ontmoedigen, dat alle vrijmoedigheid tot het gebed wordt afgesneden.

Persoonlijk ken ik u niet, k weet niet dus of u behoort tot hen, die het geklank kennen, of bij de nog onbekeerden van hart.

Wanneer het laatste nog (jammerlijk) waar is, dan zou ik u de ernstige raad willen geven, met verkiezing en verwerping u maar niet druk te maken. Daar hebt u nog geen boodschap aan.

Tot u komt de welmenende aanbieding des heils: “wendt u naar Mij toe, alle gij einden der aarde, ik ben God....!”

Nog nimmer heeft Hij tegen iemand gezegd: zoek Mij tevergeefs!

U mag de vinger leggen bij des Heeren beloften: zoek en gij zult vinden - klop en u zal worden opengedaan - bid en gij zult ontvangen.

De Heere is geen man, die liegen kan.

Zou hij het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken?

Haastig zal Hij recht doen, die dag en nacht tot Hem roepen. Pleit hier op.

De Heere zal op Zijn tijd u antwoorden. Vergeet een ding niet: “die volharden zal tot het einde zal zalig worden!” Wij zijn zo geneigd te denken, dat zodra wij eens echt bidden, het antwoord a la minute daarop volgt.

Bedenkt eens hoe lang wij de Heere hebben laten roepen? Zou het onbillijk zijn als Hij ons net zo lang liet wachten?

Dit doet Hij nimmer.

Ook ten deze wordt waar: “Hij handelt nooit met ons naar onze zonden!”

Dit is de ene kant van dit vraagstuk, de andere is .... een troostbeker!

In de weg der bekering neemt de bekeerde zich vaak waar als een onvaste, wankelende, ongetrooste.

Nu is het s Heeren tijd om zulken met de verkiezing te troosten, gelijk de Heere Jezus dit Zijn discipelen deed: “Vrees niet gij klein kuddeke, want het is uw Vaders welbehagen (d.i. verkiezing) u lieden het koninkrijk te geven.”

En ’t gevolg daarvan is, dat zij met kracht omgord. volwaardig ’t pad van Zijn geboden gaan lopen.

Wat een sterkte geeft dat aan de moede pelgrim te weten met geloofswetenschap, mijn zaligheid ligt eeuwig vast in de verkiezende liefde van de Drie eeuwige Bonds-God. Niemand kan mij immermeer uit Zijn hand rukken.

Dit werkt ootmoed! En dan?..... ootmoed! De verwondering stijgt ten top. En dat aan de grootste der zondaren!

Mijn geachte scribent en gij allen, die dit leest, de Heer geve ons daar heel veel van.

Nu mijn tweede scribent

Ik ben het met uw schrijven hartelijk eens.

Met u geloof ik dat de schoen wringt bij “belijden en beleven”. Wij kunnen met onze orthodoxe mond de dingen zo netjes schriftuurlijk en confessioneel zeggen, zondat dat het hart onder deze waarheden ooit is gebroken.

In het leven van de Heere Jezus op aarde, is Hij altijd te keer gegaan tegen de Schrift- en Wetgeleerden. Nimmer heeft Hij gezegd dat zij de Wet en de Profeten niet kenden, alleen vergeleek Hij hen met witgepleisterde graven van buiten wel schitterend wit, maar van binnen vol dood en dorheid.

En dit ontdekkende woord van de Prediker-bij uitnemendheid blijft zijn kracht behouden, ook vandaag.

Rechtzinnigheid zonder de werking van Gods Geest in het hart, leidt tot dood-formalisme, grenzeloze oppervlakkigheid, waardoor de Kerk ophoudt Kerk te zijn.

Heel duidelijk vinden wij dit aangetoond in de Handelingen der apostelen. Wanneer de Koning zondaren maakt tot Zijn onderdanen, dan predikt Petrus en de Heilige Geest past dat verkondigde evangelie zo toe aan de hoorders, dat zij “werden verslagen in het hart en zeiden: wat zullen wij doen, mannen broeders!”. En telkens wanneer het Woord herscheppend zijn kracht doet, komt de kerk tot openbaring.

De vroeg van de bekeerlingen op’de Pinksterdag “wat moeten wij doen?”... brengt mij meteen tot uw tweede opmerking, dat wij zo lui zijn van nature, dat wij geen zin hebben er ons aan te zetten en dit nog met een vroom kleedje gaan bedekken ook “God moet het doen!”

Inderdaad wat zegt men ware dingen vaak om de waarheid zelf te verdoezelen.

Met u geloof ik, dat wanneer de heilige als des Heeren uit het Woord tot de ziel komt, hij gaat doen, hij gaat arbeiden met alle kracht.

En wanneer hij al doende aan de weet komt, dat hij het niet kan, dan maakt hij er zich maar niet van of met een vroom praatje: “ ’t moet je gegeven worden”, doch doorleeft wat in onze Catechismus zo schoon geleerd wordt: “Doet dan God de mens niet onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kon?”

Het antwoord op deze vraag is niet: ja, maar “neen”. De rede van dat neen, wordt ook verklaard, hoor maar: “Want God heeft de mens ook alzo geschapen, dat hij dat kan doen, maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen..... van deze gaven beroofd.” Mijn niet kunnen, wordt dan mijn schuld. God heeft mij goed afgeleerd, doch ik heb mijzelf van al die gaven beroofd, zodat ik niet meer wil en kan doen, wat Hij van mij vraagt en recht heeft van mij te eisen.

Als dit werkelijkheid wordt, houdt al het geredeneer op. Dan gaat een boeteling zichzelf aldus bij de Heere aanklagen: k Bekend, o Heere, aan U oprecht mijn zonden, ’k Verberg geen kwaad, dat in mij wordt gevonden, maar ik belijd, na ernstig overleg, mijn boze daan.....”

Misschien zijn er lezers, die mij opmerken, ja maar nu ook doorgelezen..... “Gij naamt die gunstig weg!”

Mijn beste vrienden weet u hoe lange tijd er tussen de schuldbelijdenis en de schuldvergeving ligt?

Ja, maar Jezus heeft toch voor ons betaald?

Daar hoopt de smekeling op, doch kan alleen dan “ja” zeggen op die vraag, wanneer de Heilige Geest t getuigenis daarvan in zijn hart indraagt. Hij (nl. De H. Geest) brengt ’t geloof mee. En wanneer ’t oog des geloofs de Wegdrager der zonden krijgt te zien, dan ervaart Gods kind, is er in mij alle oorzaak tot verwerping, in Hem, in de gezegende Zaligmaker, is meer oorzaak tot verzoening en schuld-uitdelging.

Het werk van de Heilige Geest, maakt dan “belijden” tot “beleven”.

U schreef mij ook over wedergeboorte.

Wil dit aan mij te goed houden, want ik vrees, dat ik al veel te lang geworden ben.

Ontvang mijn hartelijke groet en veel licht des Geestes over Gods Woord u toegebeden.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1996

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Praktica (6)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1996

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken