Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het lied van Debora (6)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het lied van Debora (6)

10 minuten leestijd

Thuisblijvers

“..in Rubens gedeelten waren de inbeeldingen des harten groot. Waarom bleef gij zitten tussen de stallingen om te horen het geblaat der kudden? De gedeelten van Ruben hadden grote onderzoekingen des harten. Gilead bleef aan gene zijde der Jordaan; en Dan, waarom onthield hij zich op de schepen? Aser zat aan de zeehaven en bleef in zijn gescheurde plaatsen. Zebulon, het is een volk, dat zijn ziel versmaad heeft ter dood, insgelijks Nafthali op de hoogten des velds” Richteren 5:15a-18.

Van de medestrijders naar de thuisblijvers! We gaan dus naar een heel ander gezelschap. Debora zingt hier van vier, die verstek laten gaan: Ruben, Gilead, Dan en Aser. ‘t Gaat eigenlijk om meer dan vier stammen. Gilead is een landstreek in het Ovcrjordaanse. We kunnen hier denken aan de stam van Gad en de andere helft van Manasse.

U zult opmerken: het zijn niet allen thuisblijvers, die hier genoemd worden. Debora vermeldt aan het eind Zebulon en Nafthali, om het zo te zeggen: échte medestrijders! Toch bespreken we hen onder deze titel. In die tegenstelling komt het juist zo goed uit, hoe erg het is afzijdig te blijven.

U kunt nog iets opmerken. Twee stammen worden gemist, als je nauwkeurig nagaat welke door Debora worden genoemd: Juda en Simeon. Denkt ze niet aan die twee ver weg in het Zuiden? Zo zal ze niet geweest zijn. Debora heeft een hart voor héél het volk. Alleen: zij weet het, hoe moeilijk of Juda en Simeon het al hebben in de strijd tegen de Filistijnen. In hun omgeving waren die.

Wie die naam hoort en van de latere strijd weet, begrijpt er iets van. Wel, dat volk was in die tijd al vol dreiging, zoals uit het begin van het boek Richteren blijkt. Debora zal ze er dus heus wel graag bijgehad hebben maar met hun onmogelijke omstandigheden rekening houden!

Rust en welvaart

Er is overeenstemming tussen de thuisblijvers, als het om de diepste reden van hun afwezigheid in de strijd gaat. Ze zitten op één lijn, hoezeer hun omstandigheden ook verschillen. Die éne lijn is, dat ze eigenlijk allen zoeken hun rust en welvaart te behouden. Dat tekent zich duidelijk af, als we de woorden opvangen, die Debora aan een ieder van hen besteedt.

Van Ruben zingt zij: “Waarom bleeft gij zitten tussen de stallingen om te horen het geblaat der kudden..” Het laat de welvaart zien, die Ruben in de loop van de tijd verkregen heeft. Die stam viel een goede plaats ten deel voor het tijdelijk leven. Ruben verkreeg een deel in het Overjordaanse. Al voor de eigenlijke intocht had het daar het goede opgemerkt en het later tot een erfdeel ontvangen. Het was een vruchtbaar land: vette weiden voor grote kudden vee. Ze hadden daar ‘“t ruim genot” voor dit aardse leven ontvangen. Ze zijn bang die welvaart kwi jt te raken als de mannen meegaan tot de strijd. Wat zou er van hun kudden terecht komen? De woorden “blijven zitten” zijn wel tekenend voor Ruben...

Gilead, geldt daar niet eenzelfde reden voor het niet-verschijnen op het appel? Gilead bleef aan gene zijde van de Jordaan. De halve stam van Manasse en die van Gad woonden dichterbij het strijdtoneel dan Ruben. Maar toch altijd weer zovér vandaan, dat ze niet direct bedreigd werden, altijd toch nog: óver de Jordaan. Daar “bleven” ze.

We kunnen erbij denken: “rustig en met behoud van het goede leven!”

En hoe wordt hier het thuisblijven getekend van de stammen aan de westkant van de Jordaan? Er komt niet veel anders uit!

Van Aser.., in het Noorden, staat er “Aser zat aan de zeehaven en bleef in zijn gescheurde plaatsen”. Aser had het ook niet slecht. Het bewoonde een vruchtbaar land. Er waren schatten verborgen in het gebied van Aser. Het woonde ook dichtbij de zee met alle mogelijkheden van dien. De profetie van de stervende Jacob was uitgekomen: “..zijn brood zal vet zijn en hij zal koninklijke lekkernijen leveren”. Geschonken welvaart was het, maar met de bedoeling om de Heere te zoeken en in Zijn wegen te wandelen. Dus niet: om wat in die welvaart op zichzelf te zoeken en de Heere, Zijn volk en dienst, voorbij te gaan. Aser deed het, helaas wel. Het “zat” en “bleef”langs hen heen. Maar ze deden niet mee. Hun rust en welvaart konden ze beter behouden door dichtbij de zeekust te blijven. Geen hand uitgestoken tot hulp.

We letten nog op Dan. Debora zegt van deze stam: “waarom onthield hij zich in de schepen?” Het wordt verschillend verklaard. Dan ligt niet ver van de zee af. Jafo is de zeehaven, die tot deze stam gerekend moet worden. Nu denkt de één aan de deelname van Dan in de handel met de schepen van de Feniciërs en de ander veronderstelt, dat de mannen van Dan zich hadden verhuurd in loondienst op die schepen.

Ook kan hier de verklaring van onze kanttekenaren vermeld worden, dat ze zich op de schepen zochten te redden, voor de oprukkende vijand. Wie zal het hier uitmaken? Het is duidelijk dat Dan rust zocht én behoud van de welvaart en daarbij voorbij ging aan de bange strijd van de andere stammen. De mannen van Dan bleven op een afstand omdat ze hun eigen rust er niet voor over hadden.

Is het niet ontdekkend in onze tijd? Verflauwing en verslapping in de strijd, die gestreden moet worden, omdat de zegeningen op het tijdelijk gebied niet als zodanig worden erkend, maar misbruikt worden tot veel genot. God en elkaar niet meer nodig!

Ondanks “vrome” overleggingen

We komen nog op Ruben terug. Juist deze stam krijgt de meeste aandacht, als Debora zich tot de thuisblijvers richt, ‘t Is geen wonder. Ruben was de oudste zoon. Hij wordt toch zeker tot de strijd geroepen. Helaas moet echter gewaagd worden van de hang naar het behoud van het goede en rustige leven. Er komt echter wat bij: Debora moet er van zingen dat Ruben het af heeft laten weten ondanks vrome overleggingen. Het wordt twee keer verwoord: “in Rubens gedeelten waren de inbeeldingen des harten groot..” (15 eind) en “de gedeelten van Ruben hadden grote onderzoekingen des harten”.

Wat dit betekent? Algemeen haast wordt aangenomen, dat Debora hier doelt op de grote woorden en besluiten, die er waren bij de Rubenieten, zonder dat ze kwamen tot een daadwerkelijke hulp. De roepstem was uitgegaan tot de gedeelten van Ruben. Van dorp tot dorp was de boodschap gegaan om deel te nemen aan de strijd en de benauwde stammen te hulp te komen. De Rubenieten hadden dat maar niet zomaar naast zich neergelegd. Ze hadden erover vergaderd en er diepgaand over gesproken.

Ze voelden het wel aan. Het gevaar is groot. Het bestaan van het volk der belofte wordt bedreigt. Het raakt de eer van Gods Naam. Het kan de ondergang van het volk zijn. Het zijn daar onze broeders. Er waren ook overwegingen, die een andere kant uitgingen. Ik noem ze maar “vrome overwegingen“. Zou deze strijd wel uit God zijn? Wie zijn Debora en Barak? Zijn ze wel echt van de Heere geroepen? Is het niet onze eerste plicht om te zorgen voor eigen stam? Mogen we de zegen wel zo gemakkelijk prijsgeven, die God ons geschonken heeft?

Maar bij al die vrome overleggingen bleven ze thuis! Daadwerkelijk deed men niets. Het feit, dat Debora ervan zingt, doet eraan denken, dat ze wel een bericht hebben meegegeven aan haar, wat voor woorden en besluiten ze eraan besteed hebben. Zij moest toch zeker niet denken, dat ze het niet inzagen om wat voor moeitevolle strijd het ging., ‘t Zijn toch lege woorden, lege overleggingen. De vreze Gods wordt hierin gemist.

Het was éénmaal anders geweest. Toen de strijd gestreden moest worden op Gods bevel onder leiding van Jozua om het erfdeel van het land der belofte. Tóen trok Ruben met de anderen uit de Overjordaanse op tegen de Ka-naänieten. Tóen was er geloof in wat god zou geven. Tóen werden vrouwen en kinderen achtergelaten in het vertrouwen dat de Heere zou zorgen. Helaas moeten we zeggen: Ruben is ondertussen de wapenrusting tot de strijd kwijtgeraakt door eigen schuld! Moeten we het weer niet zeggen: is het geen tekening van het erfdeel van de kerk vandaag? Het is zeldzaam zoveel als er vergaderd wordt, besluiten en woorden in overvloed en daarbij heel veel “vrome” overleggingen. We moeten elkaar zoeken en vinden, ‘t Is eis des Heeren. De strijd tegen de toenemende verdwazing en verwording moet gestreden worden. Helaas is bij al zulke woorden de keuze zo weinig voor de Heere en voor Zijn Woord. En men blijft ver van degenen, die met alle gebrek in waarheid de strijd door Gods genade strijden.

De ziel versmaad...

De beschamende voorbeelden. Debora zingt er van als die rij thuisblijvers gepasseerd is. Zebulon en Nafthali worden hier naar voren gebrácht. Ze worden genoemd in Richteren 4. Ze behoren tot het eerste leger. Van beide stammen geldt het: ze hebben hun ziel versmaad ter dood. Het kwam uit toen ze over de bergen heen zich voegden bij het leger. Het kwam vooral uit, toen ze de berg Thabor af moesten, het leger van de vijanden tegemoet.

Ze waren niet aan het overwegen geslagen, toen de roepstem tot hen kwam: zullen we deze strijd meestrijden? Is het wel goed? Ze hadden Gods roepstem erin mogen horen. Ze konden het niet hebben, dat de heiligheden des Heeren werden aangetast. Ze versmaden hun ziel. Ze hadden hun leven er voor over. ‘t Ging hen om de Naam en de eer des Heeren.

Versmaden, gering achten., het laat zien dat wat-God-eist prioriteit heeft. Niet hun gemak. Niet hun welvaart. De Heere en Zijn eigen Woord hebben de overhand. Juist op dat ogenblik komt het uit. We kunnen ook zeggen: juist dan werkt God het, schenkt Hij het door de genade Gods. Dat volk houdt de Heere over. Gelukkig, die dat kennen in eigen leven. Ze vrezen vaak tot de thuisblijvers te behoren. Maar door de genade Gods in Christus worden ze gesterkt tot de strijd.

Waarom..?

Eén woord in dit gedeelte staat er twee keer: Waarom? Eén keer, als Debora tot Ruben spreekt. Eén keer als zij van Dan zingt. In dat woord komt de bewogenheid uit, waarmee Debora in dit waarschuwende gedeelte van haar lied vervuld is. Zij ontdekt niet alleen de zonde, maar doet ook een heilig beroep op die thuisblijvers. Waarom niet de strijd meegestreden? Waarom niet geluisterd naar Gods welmenende roepstem ? Gods Hand is in dit “waarom”? nog uitgestrekt tot allen, die in onbekeerlijkheid voortleven. Zo bewogen is de Heere Zelf in Christus Jezus om mensen, die het-af-hebben-laten-weten in het eerste paradijs en dat elke dag betonen, te roepen tot Zi jn dienst. Hij heeft genade om zulke mensen die strijd in waarheid te leren. Hij is het waard en werkt het Zélf door Zijn Geest. Ja, in onze tijd, dat ook Gods kinderen vaak zo flauw uitkomen, roept Hij hen bijzonder er toe. De genade en kracht zijn in Hem, Die niet “thuis” gebleven is in de hemel, maar is neergedaald en Zijn Borgziel versmaad heeft tot in de dood des kruises. Om door Zijn Geest telkens opnieuw Zijn volk te sterken. Om ook vandaag door de strijd heen de eer des Heeren te bedoelen. Het komt uit die grote Held!

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1996

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Het lied van Debora (6)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1996

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken