Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het lied van Debora (10)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het lied van Debora (10)

10 minuten leestijd

Jaëls handelen

Vorige keer hebben we iets geprobeerd te zeggen over wie Jaël toch eigenlijk is, over het diepste motief van haar handelen. Aan het eind was er de conclusie, dat haar beweegreden lag in de verbondenheid met het volk, waarover de Heere het goede gesproken heeft. Het ging haar maar niet om een volk, dat ze graag mocht, ‘t Was haar om het volk der belófte te doen. Zo stond zij in de strijd aan de kant van Israël. Zo haatte zij Sisera in haar hart “in de hoedanigheid van de grote vijand van Israëls volk en van Israëls God” (Hoekstra).

Ondertussen was er de toezegging, dat we ook voor ditmaal op Jaël zullen letten. We willen haar handelen nader bezien. Daar zingt toch het lied van Debora heel diepgaand van. We kunnen daar niet aan voorbijgaan, leder weet het wel, dat haar handelen vele vragen heeft opgeroepen. Het is nog maar zacht uitgedrukt: er zijn heel ingrijpende bezwaren tegen bepaalde elementen in haar doen ingebracht. Men heeft gesproken van “geveinsd optreden, een leugenachtige houding, van verraad tegenover een gast, van sluipmoord”, ‘t Zijn allemaal geen geringe verwijten.

Zulke vragen en bezwaren horen we niet alleen bij hen, voor wie Jaël geen geestelijk motief had. ‘t Is zelfs opvallend dat er onder hen vandaag zijn, die haar gebruiken om hun emancipatiegedachten uit te dragen. Ze heeft immers bewezen een “zelfstandig handelende vrouw” te zijn! We laten het maar zo. Het is een feit, dat die een beter beginsel aannemen bij Jaël toch ook met vragen zitten, u kunt het vaak horen: “is het niet tegenstrijdig, uit een goed beginsel strijden en dan op zo’n bedriegelijke manier?”

‘t Is daarom goed aandacht aan het gebeuren zélf te besteden. “Water eiste hij, melk gaf zij, in een herenschaal bracht zij boter. Haar hand sloeg zij aan de nagel, en haar rechterhand aan de hamer van de arbeidslieden; en zij klopte Sisera; zij streek zijn hoofd af; als zij zijn slaap had doorgenageld en doorgedrongen. Tussen haar voeten kromde hij zich, viel henen, lag daar neder; tussen haar voeten kromde hij zich; hij viel; alwaar hij zich kromde lag hij geheel geschonden.” (Richteren 5:25-27)

Bezwaren getoetst

Enkele bezwaren tegen het doen van Jaël wil ik onder ogen zien. Daarbij volgen we de gang van het gebeuren. We zien dan intussen ook iets van de tekst.

Het eerste bezwaar, dat bijna altijd genoemd wordt, is: de onoprechtheid van Jaël, waarmee ze Sisera ontvangt. Zij handelt huichelachtig, als ze hem binnen haar tent nodigt en toch zijn ondergang op het oog heeft. Zo lijkt het immers.

We moeten inderdaad aannemen, dat Jaël vanaf het begin bij de ontmoeting de dood van Sisera bedoeld heeft. De legeroverste is aan het eind van de ont - reddering weggevlucht “op zijn voeten” gevlucht naar de tent van Jaël, menende daar een toevlucht te ontvangen. Zij doet zich dan voor als een vriendin. Schijnbaar hartelijk nodigt zij hem uit. Zij biedt hem melk aan, terwijl hij om water heeft gevraagd. We kunnen denken aan melk, waarin de boter-room nog drijft. Anderen denken aan een soort drank van geitenmelk, die slaapverwekkend is. Zij biedt dit daarbij aan op een “herenschaal”, die alleen gebruikt wordt bij “hoog bezoek”. Alles doet ze om hem op z’n gemak te stellen, totdat hij dodelijk vermoeid in haar tent in slaap valt.

De indringende vraag is hier: is dat geoorloofd, zo’n voorgewende vriendelijkheid met hel doel om hem om te brengen? Daartegenover kunnen we zeggen: zien we hier de omstandigheden wel? Hoe was het in de tijd van de laatste oorlog? Zulke omstandigheden zijn niet maatgevend. Ze geven echter wel eens een andere kijk op een bepaalde houding. Hier is strijd. Voor Jaël een gerechtvaardigde strijd tegen de vijanden van God en Zijn volk. In de strijd is een krijgslist niet ongeoorloofd. Terecht kan hier opgemerkt worden, dat de grens tussen list en bedrog gemakkelijk overschreden wordt (zie korte Verklaring Richteren blz. 112). ‘t Ging niet buiten Jaël om! Zij was geen volmaakte bij het goede beginsel. Ze was bepaald geen verlegen vrouw. Zij gaat zonder veel andere overwegingen als vrouw op haar doel af. Dat doel is duidelijk: de ondergang van de vijand. Daarbij behoeven we de weg, die zij tot dat doel volgt, niet in alles te prijzen. Het moet wel opvallen, dat we hier geen afkeuring lezen. Jaël wordt de gezegende genoemd, vóór alles aan.

Het tweede bezwaar, dat vaak vermeld wordt, is: de schending door Jaël van het zgn, gastrecht. In het Oosten gold het in die tijd als een vaste regel, dat een gast deelde in de bescherming van de gastheer. Daar zou Jaël zich niet aan hebben gehouden. Ze nam de pin, die zij als tentbewoonster gewoon is te gebruiken om de tent vast te zetten, en een hamer, waarmee ze de ijzeren pin in zijn hoofd sloeg.

Tegenover dit bezwaar kunnen we stellen: Allereerst wordt er door sommigen een andere voorstelling gegeven die dit bezwaar teniet zou doen. Sisera kwam tot de tent van Jaël, vastbesloten om een recht af te dwingen, die hij niet had. Een vreemde man mocht zo maar niet de vrouwenafdeling ingaan. Het zou zo niet de plicht van Jaël geweest, zijn om Sisera bescherming te geven. Integendeel: zo had zij als vrouw te waken voor haar eer. Zij kon dil alleen op deze wijze doen. We vermelden deze mening zonder er in te beslissen.

We zien hier iets anders. Staat God niet boven de zeden en gewoonten van die tijd ? Voor God is de vijandschap tegen het volk van de belofte erger dan de eventuele schending van het gastrecht. Omdat de verbondenheid aan het volk, waarover de Heere het goede gesproken heeft, groter was dan de verbondenheid aan haar eigen volk.

Het derde bezwaar, dat veel naar voren komt en wellicht het meest ingrijpt: mocht Jaël Sisera ter dood brengen, terwijl hij daar lag te slapen?

Het gruwelijke van dit gebeuren kan én mag niemand ontkennen. Het komt uit in Richteren 4, hoe ze stilletjes tot hem ging en de nagel in de slaap van zijn hoofd dreef, dat hij in de aarde vast werd: “hij nu was met een diepe slaap bevangen en vermoeid en stierf’. In Richteren 5 komt het nog meer uit, hoe erg of het geweest is. Daar horen we het herhaalde dodelijke kloppen met de hamer, waardoor de dood werkelijkheid werd. Ze hamerde zolang, totdat hij roerloos aan haar voeten ligt. Moet dit alles geprezen worden? Laat het toch allereerst vaststaan, dat het hier gaat om een man, die naar Gods wet de dood moet sterven. Is het dat niet bij velen, dat bezwaar ontmoet. Men wil niet welen van de doodstraf, die er naar Gods eigen Woord moet zijn voor degenen, die zich aan het leven van anderen vergrepen hebben. Sisera is toch de man, die vrouwen en meisjes heeft aangerand en om het leven heeft gebracht. Het valt in onze tijd op, dat de doodstraf toegepast wordt bij oorlogsmisdadigers of dat ineens de doodstraf weer besproken wordt, als er verschrikkelijke dingen aan het licht komen. We kunnen er de laatste tijd in België van horen bij de aanranding van en moord op kinderen. Zo is er het gevaar, dat men de doodstraf als een “gelegenheidsstraf’ ziet en toepast, terwijl men voorbij gaat aan het hoog gebod des Heeren.

Dan: wie zou het niet willen ontzeggen, dat zij hier het recht Gods uitvoert? Men kan opmerken, dat Jaël bepaald niet uitblinkt in geestelijke adel bij de keuze van haar middelen. Het zij zo. Ik vraag me af, hoe het anders gekund had. Vooral zou ik hier echter graag benadrukken, dat Jaël handelt krachtens Goddelijke roeping.

Er wordt nogal eens gevraagd: had Jaël niet beter kunnen wachten, totdat Barak naar deze plaats gekomen was? Dan zou hij het gerechte vonnis hebben kunnen uitvoeren. Hier is maar één antwoord: zij behoefde niet te wachten op Barak, want zij was er zélf toe geroepen om het vonnis uit te voeren. Het zal haar niet onbekend gebleven zijn, dat Sisera gegeven zou worden in de handen van een vrouw én had de Heere hem niet in haar hand gegeven?

Goddelijke aandrang

Er is wel gesproken van een bijzondere Goddelijke aandrang, waardoor Jaël Sisera gedood had. De kanttekenaren van de Statenvertaling hebben daar op gewezen bij de geschiedenis van Richteren 4: “Deze daad van Jaël wordt door de Geest des Heeren in het volgende hoofdstuk - Richteren 5:23 - hogelijk geroemd, als gedaan zijnde uit een bijzondere ijver, door God ingegeven...” Door God ingegeven! Matthew Henry heeft het over een “Goddelijke kracht” en een “Goddelijke volmacht”, die haar ertoe in staat stelde en haar het recht ertoe gaf. Anderen in onze tijd spreken van een “gedreven worden door de Geest Gods” of van een “geroepen zijn door de Heere: God heeft gesproken en zij zal gehoorzaam zijn”.

Die Goddelijke aandrang is niet buiten het Woord Gods om in Jaël werkelijkheid geworden. Ze heeft het Woord Gods gehoord in de omgeving, waar zij met de tenten doortrok. Het is door Debora gepredikt. Dat Woord heeft haar al tevoren vervuld en door Gods Geest heeft ze de overtuiging gekregen zó te moeten handelen.

Het beslissende blijft hier: hoe zien we haar verhouding tot Israel en tot de God van Israël? Wie de verbondenheid met dat volk en die God opmerkt, ziet die hier doorwerken. Dan behoeven we Jaël niet in alles goed te praten maar zien in haar handelen de lijn van Gods werk.

Ter navolging?

Voorzichtigheid past ons, als het gaat om de vraag of wij tot hetzelfde geroepen worden. Het bijzondere van de omstandigheden van Jaël mogen we niet voorbijgaan. Niemand mag uit het doen van haar concluderen, dat we eenzelfde opdracht hebben. Jaël leefde ook niet zo onder het Woord, zoals wij dat kennen. We moeten vrezen voor het spreken over bijzondere opdrachten buiten het Woord Gods om. Hel is iets anders om in de tere verborgen omgang met God de leiding Gods te kennen. Maar daarin blijft het Woord Gods een licht op ons pad en een lamp voor onze voet.

Dan zullen we zeker ook waken om middelen te gebruiken, die de toetssteen van Gods Woord niet kunnen verdragen. Dan wordt hel Woord van Christus betracht in de persoonlijke verhouding tot onze vijanden: “..Ik zeg u: hebt uw vijanden lief; zegent ze die u vervloeken en doet wel degenen die u haten” (Mattheiis 5:44).

Dat is het wonderlijke leven door de Heilige Geest: de rechte strijd te strijden tegen de vijanden van God en Zijn volk, maar in de persoonlijke verhoudingen dit te betrachten in zachtmoedigheid en liefde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1996

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Het lied van Debora (10)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1996

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken