Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hulp van de Heere

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Hulp van de Heere

6 minuten leestijd

“Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal. Mijn hulp is van de HEERE. Die hemel en aarde gemaakt heeft”

We hebben onze tekstwoorden uit een van de pelgrimsliederen van Israel, liederen, die gezongen werden onder

weg naar Jeruzalem als de Joden de grote feesten gingen vieren. Liederen Hammaaloth heten ze. Dat wil zeggen: Liederen van de optocht of opgangsliederen. Jeruzalem, waar ze heengingen, lag op de bergen en de weg daarheen was een weg die omhoog voerde. Op die weg omhoog zong men dan opgangsliederen, de psalmen 120 tot en met 134.

In die tijd was zo’n reis lang niet zonder gevaar. Om te beginnen lieten deze mensen heel wat achter als ze van huis gingen. Hoe zou het thuis gaan? Zouden ze bij thuiskomst alles wel in welstand terug vinden. Zou alles veilig bewaard blijven? Maar ook de reis bracht moeiten en gevaren met zich mee. Over de vaak ongeplaveide wegen was het moeilijk reizen. Er waren gevaren van rovers en roofdieren. Men kon ziek worden. En dan natuurlijk de vermoeidheid van het reizen. Al met al was het niet gemakkelijk. Ze hadden hulp nodig. Hulp om de reis te kunnen volbrengen en veilig in Jeruzalem te kunnen aankomen. Hulp ook op de terugreis. En waar komt de hulp vandaan? Waar zal de pelgrim die hulp zoeken?

Deze pelgrimsreis kan gezien worden als beeld van de levensreis. Tenminste, als we Jeruzalem als einddoel gekregen hebben. Het Jeruzalem dat boven is. Is dat zo bij u? Reist u door genade daarheen? Naar de stad die fundamenten heeft waarvan de HEERE de Bouwmeester is? Welnu, onderweg daarheen worden we ook door allerlei gevaren bedreigd. Gods volk komt niet zomaar veilig aan. Er wordt heel wat beleefd onderweg. Veel wederwaardigheden, veel rampen zijn des vromen lot. We zijn zulke zwakke mensen. Zwak van lichaam, zwak van geest. Zwak vanwege het feit dat we zondaren zijn en van die zonde blijft nog zoveel achter, ook als we genade hebben leren kennen. Ja, we hebben hulp nodig op de levensreis. Hulp in de moeiten van het leven. Hulp bij het naderen van de dood. Hulp in de strijd tegen de zonde. Hulp om staande te blijven in de verzoekingen. Hulp altijd weer en onder alle omstandigheden, omdat we zonder de HEERE niets kunnen doen. Waar komt die hulp vandaan?

Zullen we die hulp bij mensen zoeken? Kan de man de vrouw afdoende helpen of de vrouw haar man? Zullen we op prinsen vertrouwen? ‘s Mensen hulp is ijdelheid. Nee, daar moet het niet gezocht worden. De dichter kijkt in een andere richting. Hij zoekt het bij de bergen.

Ja, zo staat het er. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal. Maar, is dat wel goed? Is er bij de bergen wel hulp te vinden? Is dat niet in strijd met wat er op een andere plaats staat? Ik denk aan Jeremia 3:23, waar we lezen: Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen. Bij de bergen ben je toch wel aan het verkeerde adres....

Geen wonder, dat men bij onze tekst een andere vertaling heeft voorgesteld. Dan wordt het: Ik hef mijn ogen op naar de bergen; vanwaar zal mijn hulp komen? Met een vraagteken dus. En dan is het net alsof de dichter zichzelf corrigeert. Hij heeft een ogenblik gedacht, dat zijn hulp van de bergen komen zal, maar hij weet goed genoeg dat dit niet zo is. Zal daar mijn hulp vandaan komen? Nee, maar mijn hulp is van de HEERE. Niet van de bergen, maar van de HEERE.

Deze vertaling geeft goede zin. Zo kan de tekst inderdaad goed verstaan worden. Toch geloof ik dat het ook mogelijk is te laten staan wat er staat. Zonder vraagteken. De dichter slaat zijn ogen inderdaad op naar de bergen want daar verwacht hij wel degelijk hulp vandaan. Maar welke bergen bedoelt hij dan? Welke bergen zouden dat dan kunnen zijn? Natuurlijk de bergen waarop Jeruzalem gebouwd is; waarop ook het huis des HEEREN, het heiligdom, gebouwd is. De bergen, die de HEERE uitgekozen heeft om daar zijn Naam te doen wonen. Die bergen! En dan gaat het niet meer om die bergen, maar om God die daar woont. Zo verstaan vloeit vers 2 als vanzelf uit vers 1 voort. Mijn hulp is van de bergen, namelijk van de HEERE die op die bergen woont.

Nee, de dichter is niet op een verkeerde manier bezig als hij hulp zoekt. Hij zoekt juist op de goede plaats. De plaats die de HEERE verkoren heeft. Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen. Hij heeft geleerd, dat die mens zalig is, die de God van Jacob tot zijn hulp heeft.

Met die God als Zijn hulp kan hij de reis volbrengen. Die God zal er voor zorgen dat hij niet omkomt maar veilig aankomt. Hij komt veilig aan in Jeruzalem dat beneden is en hij komt straks ook veilig aan in het Jeruzalem dat boven is. God staat daar voor in.

Is dat dan geen ijdel vertrouwen? Komt hij hier niet verkeerd mee uit? Nee. De dichter heeft twee sterke argumenten. De God op wie hij vertrouwt is de HEERE. En Hij is de Almachtige. Hij is de HEERE-Jehova. De IK ZAL ZIJN DIE IK ZIJN ZAL. De Onveranderlijke. De Getrouwe. De God die het beloofd heeft en het ook doen zal. Die gezegd heeft: Ik zal nooit herroepen hetgeen Ik eenmaal heb gesproken. Hij is ook de Almachtige. Is dat niet gebleken in het feit, dat Hij hemel en waarde gemaakt heeft? De Almachtige Schepper. Voor Hem is niets onmogelijk. Zijn arm is sterk. Wat Hij wil, geschiedt. Niets kan Hem weerstaan. Geen vijand houdt het tegen Hem uit. Als Hij de bescherming van de Zijnen op Zich neemt dan zijn ze veilig.

Wat een zegen om deze God tot onze Toevlucht te hebben en van Hem hulp te ontvangen. Wat er dan ook gebeurt op onze levensreis en hoe het ook tekeer kan gaan in de stormen van het leven, dan is er toch geen nood. Al zien we geen hulp of uitkomst meer en al valt alles ons uit handen, dan is deze getrouwe en almachtige God nog niet machteloos. Wat heeft Hij het al vaak bewezen in het leven van Zijn volk, dat Hij uitredt waar alles onmogelijk is geworden. Dat ondervond Israel toen het door de Rode Zee moest. Dat is zo vaak de ondervinding geweest. En dat wil de HEERE nog steeds bewijzen. Maar ken je deze God niet en zoek je het nog bij andere hulpbronnen, dan kom je er gewis en zeker een keer bedrogen mee uit. Waar zoekt u uw hulp?

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1997

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Hulp van de Heere

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1997

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken