Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

O heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren

5 minuten leestijd

De HLERE is het deel mijner erve

Psalm 16 is een gouden kleinood van David. Ook deze psalm heeft de koninklijke zanger gedicht in moeilijke omstandigheden. Blijkbaar verkeert hij in levensgevaar. Vandaar de bede waarmee hij de psalm inzet: “Bewaar mij, o God!” Maar deze bede is geen wanhoopskreet. Integendeel! Immers, hij voegt er meteen aan toe: “want ik betrouw op U!” Trouwens, heel deze psalm ademt een stille rust uit, een diepe zekerheid. David weet zich veilig in de hoede van de Heere, Die over hem waakt ook in de allermoeilijkste omstandigheden. O ja, David is “goed bij zijn hart”! In heilige vreugde komt hij tot zulke sterke uitspraken, dat ze in hun diepste zin alleen passen in de mond van de Messias, de Heere Jezus Christus. In zijn rede op de Pinksterdag betrekt de apostel Petrus de verzen 8-11 dan ook rechtstreeks op de Heere Jezus: want David zegt van Hem: Ik zag de Heere alle tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen worde. Daarom is mijn hart verblijd, en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope. Want Gij zult mijn ziel in de het niet verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven, om verderving te zien! (Hand. 2:25-27)

En nu dan iets over die heerlijke belijdenis van de dichter: de HEERE is het deel mijner erve!

Toen de Israelieten onder leiding van Jozua Kanaän op de oorspronkelijke bewoners hadden veroverd, moest het land verdeeld worden. Alle stammen kregen een bepaald deel van het land toegewezen. De ene stam kreeg wel een wat groter en soms ook vruchtbaarder stuk dan de andere, zodat het soms wat mee of tegen kon vallen, maar toch: aan elke stam werd een erfdeel toegewezen. Behalve aan de mannen van de stam Levi! Die kregen geen grond. Wel moesten de andere stammen een aantal steden aan hen afstaan, met de bijbehorende grond. Ook de Levieten moesten tenslotte wonen en leven. Maar toch: zij kregen geen aaneengesloten deel van het land, zoals de andere stammen. Waarom niet? Wel: het priesterdom des HEEREN was hun erfdeel! (Jozua 18:7). Wat een onderscheiding voor de stam van Levi, de priesterstam. Afgezonderd tot het priesterschap des HEEREN. Dat was hun erfdeel! Heerlijker kon het toch niet. Het allerrijkste deel was hun toegewezen.

Welnu, zo zegt David in onze tekst: de HEERE is het deel mijner erve! De HEERE is mijn erfdeel. Hij is al mijn hebben en zijn! O ja, David mocht wel zeggen: de snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden!

Is er dan een heerlijker bezit denkbaar dan Godzelf? Nee toch? Dan mogen aardse goederen het leven al eens veraangenamen, maar God als zijn deel te hebben, dat is het leven zelf hebben. Dan moge Ezau tot Jacob zeggen: “ik heb veel, mijn broeder!” Jacob kan antwoorden: “ik heb alles!”

Er is ook geen vaster bezit dan God. Alle aardse bezit is onvast en onbetrouwbaar. Zelfs eeuwenoude erfgoederen kunnen ons nog worden afgenomen. We kennen toch de vermaning van de Heere Jezus: vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen!

Nee, de Heere bedoelt niet het bezitten van aardse goederen te veroordelen, maar als de grote Kenner der harten weet Hij dat het vergaderen van aardse schatten zo licht gaat ten koste van het ene nodige. We denken ook aan het woord van de psalmdichter: “als het vermogen gedurig aanwast, zet er het hart niet op!” En zegt de apostel niet: “die rijk willen worden, vallen in velerlei verzoeking en in de strik”?

Aardse schatten hebben hun waarde, wanneer we er op de goede wijze, als rentmeester, mee mogen omgaan. Maar zelfs dan nog is die waarde betrekkelijk. Het blijft alles toch aan deze zijde van het graf. We moeten het straks aan anderen overlaten!

Maar voor wie God tot zijn erfdeel heeft, geldt het wat Asaf mocht belijden: bezwijkt ook mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten en mijn Deel in eeuwigheid!

De HEERE is het deel mijner erve! David gebruikt hier de naam HEERE (met hóófdletters), de God des verbonds, de getrouwe Verbonds-Jehova! De God, die Zich tot Zijn volk neerbuigt in de Borg des verbonds, de Heere Jezus Christus. O ja, Hij, Christus is het, die gevallen Adamskinderen heeft losgekocht uit de banden van satan, zonde en dood. En in deze lijdensweken worden we er weer zo nadrukkelijk bij bepaald, welke prijs Hij ervoor heeft moeten en willen betalen: de prijs van Zijn kostbaar bloed. Alleen door Hem kan God de God zijn van een in zichzelf doemschuldig volk, en alleen door Hem kan dat schuldige volk God tot zijn Deel hebben.

De HEERE is het deel mijner erve! David mag hier het verbond der genade beleven, eigenen in het geloof. De wezenlijke inhoud van het verbond is toch, dat de HEERE zegt: “Ik uw God en gij Mijn volk!”

De HEERE is het deel mijner erve! De HEERE mijn Erfenis! Een erfenis veroveren wij niet. Een erfenis verdienen we ook niet. Ze valt ons als een gave in de schoot.

De HEERE is het deel mijner erve, mijn Erfdeel! Een Gave, die mij uit louter genade is geschonken, als vrucht van de kruisverdienste van de grote Erflater Christus! Zonder dit Erfdeel zijn wij nameloos arm, en dan moeten wij straks ook ons laatste deel verliezen. Maar zalig, wie met Maria van Bethanië de plaats leerde vinden aan Jezus’ voeten.

Die heeft het goede Deel gevonden, dat niet en nooit van hem, van haar zal worden weggenomen.!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1997

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1997

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken