Bekijk het origineel

Hanna Lofzang (5)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Hanna Lofzang (5)

10 minuten leestijd

Paasklanken

Paasklanken in de lofzang van Hanna! ‘t Is mogelijk, dat iemand er geen uitroepteken achter zet maar een vraagteken. Hoe kan een lied, dat zo ongeveer 11 eeuwen vóór de opstanding van Christus gezongen is, die klanken laten horen? Vandaag zal dit zéker betwist worden, nu de heenwijzing naar Christus in het Oude Testament een struikelblok voor velen geworden is. We laten deze titel boven dit deel van Hanna’s lofzang met vrijmoedigheid staan. Daarbij gaan we niet goedkoop op enkele woorden af. Wie de inhoud ervan echt verstaat, ziet de lijn naar Hem, Die de Opstanding en het Leven is. De Heilige Geest doet Hanna zo zingen dat vooral de vrucht van Zijn overwinning over dood en graf uitkomt. Geen afstand van eeuwen en geen theologie, die Christus uit het Oude Testament tracht weg te verklaren, kunnen dat teniet doen.

We zullen ons herinneren, dat we vorige keer Hanna hoorden zingen van Gods verrassende doen. In drie voorbeelden kwam dat uit. Allereerst: in het neerwerpen van de sterke én het versterken van de zwakken. Dan: in het behoeftig-worden van de verzadigden én het verzadigen van de hongerigen. Tenslotte: in het krachteloos-worden van die prat gaat op haar vruchtbaarheid én het zegenen van de onvruchtbare. Voor nü kunnen we die lijn doortrekken. Alleen: haar zang wordt verdiept. Beter gezegd: die wordt directer betrokken op de Heere en haarzelf. Zij noemt nu de naam van Hem, door Wie de wonderlijke om-wendingen alleen waar zijn. We horen hier kernwoorden, die kemzaken in het leven raken. Zijn dood en leven geen fundamentele dingen in het leven? Ook moeten we erbij denken dat ze hier uitkomen in een diepere zin. Van daaruit komt er zicht op wat Pasen betekent. We zijn in het centrum van Hanna’s lofzang.

Het gaat dit keer niet om een lang gedeelte, eigenlijk maar om één vers: “De Heere doodt en maakt levend. Hij doet ter helle nederdalen en Hij doet weder opkomen” (1 Samuël 2:6).

Waar gaat het om?

De vraag moet allereerst wel zijn als we dit vers lezen: waar gaat het om? Hanna zingt van de Heere. Vorige keer hoorden we Zijn Naam niet. We vulden die zelf wel vrijmoedig in. Hier getuigt Hanna van Gods daden. Getuigen is iets anders dan dat ze allerlei woorden over de Heere spreekt. Wij kunnen ook rondom deze tekst allerlei “waarheden” opmerken, die op zichzelf wel waarde hebben en toch aan de eigenlijke betekenis voorbijgaan. Zo zou de tekst samengevat kunnen worden met: “God beschikt over dood en leven”. Het is belangrijk in onze tijd dat te onderstrepen: nu men al meer meent, dat de mens over dood en leven kan beschikken. Terecht zegt bijv. Matthew Henry bij deze tekst, dat de Heere “geboorten en begrafenissen bestuurt.” Het is ook niet vreemd, dat iemand meent: “‘t gaat hier om het grote verschil tussen wat God de god-delozen doet en wat Hij de rechtvaardigen doet.” De één doodt Hij en de ander maakt Hij levend. Er zijn er die zo’n algemene lijn in dit woord getekend zien: dat God soms verrassend mensen tot een einde brengt, van wie dat zo voor het oog niet te verwachten was, én andersom. Het is, naar het me toelijkt, beter om deze tekst allereerst op Hanna zélf te betrekken. In haar leven is dit uitgekomen, wat zij hier bezingt. Vanuit dat verband kan het alleen voor anderen verklaard worden. Terecht is gesteld, dat achter deze zang van Hanna een gebeurtenis ligt in Hanna’s leven. Zij bezingt die inderdaad “voor Gods aangezicht”. In dat gebeuren waren de daden Gods. Hij heeft haar “gedood” en Hij heeft haar “weder levend gemaakt”. Hij deed haar “ter helle nederdalen” en Hij deed haar “wederopkomen”. In de grote wending in haar leven lijken het daden Gods te zijn die elkaar tegenspreken. Schijnen ze elkaar niet uit te sluiten: gedood worden en levend maken? Het is één werk Gods. Het ging er om dat ze wezenlijk zou delen in hét leven en zo Zijn lof zou vertellen.

Hanna erkent in levend geloof de God van Israel, die De God van haai’ leven door genade is, die God, Die doodt en levend maakt. Mozes heeft er al van gezongen in het lied, dat hij moest zingen voor zijn dood: “Ziet nu dat Ik Die ben en geen God met Mij. Ik dood en maak levend; Ik oversla en Ik heel...”. Dat lied is in Hanna’s leven waar geworden.

Doden en levend maken....

Het is onmiskenbaar dat in deze tekst “doden en levend maken ook “ter helle nederdalen en weder doen opkomen”, een eigen invulling hebben. We kunnen de kanttekeningen van de Statenvertaling volgen als ze van deze vier uitdrukkingen zeggen dat ze te verstaan staan ter aanduiding van enerzijds: “het gebracht worden in benauwdheid en angst” en anderzijds van “het verlost worden daarvan”. Uiteraard willen dan de laatste twee spreken van enerzijds: “een nog ergere maat daarin” en anderzijds van: “een nog grotere verlossing”.

We moeten niet vergeten dat hier in dichterlijke taal gesproken wordt. Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat het niet over “werkelijkheden” gaat. We vinden die wijze van uitdrukken meer in Gods Woord. Woorden als dood en leven worden niet altijd gebruikt, zoals wij dit vandaag doen. Voor de Israeliet behoorde het doodsgevaar, de doodsbenauwdheid enz. al tot het gebied van de dood. Geestelijk kan het ook zo benauwd zijn voor de gelovige Israeliet, dat dit gegeven wordt in uitdrukkingen in deze zin. We kunnen hier aan veel plaatsen in Gods woord denken. We noemen er maar twee: Psalm 30:4 en Psalm 116:3. Psalm 30 spreekt niet van het werkelijk sterven in onze zin en toch zegt David: Heere, Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd. En in Psalm 116 is ook geen sprake de dood in onze zin en toch spreekt de dichter over de “banden des doods”, die hem omvangen hebben. De andere woorden: het levend maken - ook wel: doen herleven -worden ook in de Schrift vaak gebruikt in de zin van: “verlost worden van de doodsreiniging of van de geestelijke benauwdheid”. We geven weer twee voorbeelden: Psalm 71:20 en Psalm 138:7. De dichter van Psalm 71 was niet werkelijk aan de dood onderworpen en toch getuigt hij van zijn verwachting, dat de Heere hem weer levend zal maken: “Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken.” Hij heeft uitzicht op wat tot het leven behoort: geestelijke vertroosting.

En dan Psalm 138. Hij komt niet om door de hand van zijn vijanden en toch ervaart hij de uitredding als een le-vendmaking: “als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend”. We kunnen hier ook wijzen op de uitdrukking: “ter helle doen nederdalen”. Gewezen wordt hier op Genesis 37:35, als Jacob rouw bedrijft over Jozef en de - ongemeende -troostbetuiging van zijn kinderen afwijst. We horen hem dan zeggen: “Want ik zal rouw bedrijvende tot mijn zoon in het graf nederdalen”. Daar staat dezelfde uitdrukking als hier gebruikt. Voor graf staat daar hetzelfde woord in het Hebreeuws als hier voor hel. En hier gaat het om de tekening van een toestand van uiterste ellende, waarin geen hoop meer is. “Dus leert Hanna, dat God., niet alleen straft en slaat, maar ook zo terneerwerpt dat Hij .. tot in het graf zelf wegzendt., als lijken, die tot stof en as geworden zijn”.

En dan voor de laatste uitdrukking het “weer doen opkomen” spreekt Psalm 86 een duidelijke taal: “Gij hebt mijn ziel uit het onderste des grafs uitgerukt” (vers 12b). Dan gaat het weer om de verlossing uit de diepste benauwdheid.

Hanna en de Kerk des Heeren

Hanna spreekt over geen vreemde dingen. Zij heeft in de grote wending van het geschenk van Samuël dit beleefd. Zo is God voor haar geweest. Hij heeft haar gedood. Niet Peninna heeft haar tot zo diepe vernedering en benauwdheid gebracht. Gods Hand is het geweest. Verteerd is zij geweest als in doodsbenauwdheid. Zij droeg daarin het teken van Israels “dood”. In haar onvruchtbaarheid. Zij had er onder leren buigen, het erkend voor Gods aangezicht. Maar diezelfde God had haar levend gemaakt. Het was ook Zijn daad geweest. Zij was uit de dood en uit het graf opgewekt, toen haar een zoon geschonken was. In Hem had zij het teken ontvangen van die God, Die levend maakt en uit het graf doet opkomen. Is er geen lijn naar allen, die de Heere kennen en vrezen? Zij weten van dat “doden”. Gebracht in wegen van ontdekking, waarin zij het ervaren dat er van hun kant geen mogelijkheid is. Calvijn schrijft in zijn commentaar op dit gedeelte, dat God dit in hun leven doet: “Opdat zij zich niet verheffend God ver achter de rug laten. Want als alles naar onze zin ging en wij onze plannen tot de gewenste uitkomst zouden doorvoeren, dan zouden wij de majesteit Gods geheel tot niet maken”. Hij wijst er in het vervolg ook op dat allerlei verdrukkingen gebruikt worden om “gedood te worden”, zelfs “ter helle neder te dalen”, uiteraard in de zin, zoals weergegeven!

Maar ziet: Hij doet ook het wonder in hun leven ervaren van het “weer levend gemaakt worden” en het “opgehaald worden uit het graf’. Daar is het de Heere om te doen. Het is terecht genoemd: “Zijn eigenlijk werk”. Het was er Hem al om begonnen toen Zijn Hand, het vlees en het oude bestaan veroordelend, op hen drukte. Nadat Hij hen gedood heeft, heeft Hij hen levend gemaakt!

Die God blijft Dezelfde, Die doodt én levend maakt, ter helle doet varen én weer doet opkomen. Temidden van alle moeilijke omstandigheden, die zij in dit leven moeten meemaken, geeft het hoop op God. Ook al worden ze bedreigd door allerlei benauwdheden, ook al gaan ze door duizend noden heen, die God zal verrassend dit waar maken en Zijn werk voleinden.

Om de Opgestane Christus

In wezen één werk, dat Hij doodt én weder doet opstaan, ter helle doet varen én weer doet opkomen. Hoe kan het? Dat Gods kinderen niet overgegeven worden aan de dood. aan de benauwdheden. Het kan alleen om Hem, Die in hun plaats geleden heeft en gestorven is ten derde dage weer opgewekt! Het kan alleen om Hem, Die de Opstanding en het Leven is. Hij is gezonden om gedood te worden en ter helle neer te dalen. Om zo te betalen voor de schuld der zonde. De Vader deed Hem tot het diepste neerdalen aan het kruishout en deed Hem op de Paasmorgen weer opkomen. Zijn op-standingskracht wekt hen tot een nieuw leven. In Zijn Opstanding ligt ook de waarborg dat ze straks uit het graf zullen opstaan om de Heere eeuwig naar lichaam en ziel te loven. Die God, Die om Ch ristus’ wil hen uit alle graven ophaalt om Zijn wonderen te vertellen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1997

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Hanna Lofzang (5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1997

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken