Bekijk het origineel

Strijden voor het geloof

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Strijden voor het geloof

(Weergave van het gesprokene op de Ontmoetingsdag te S lied recht 5 april 1997)

14 minuten leestijd

In het derde vers van de brief van Judas lezen we: “Geliefden, alzo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemene zaligheid, zo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven en u te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.”

Judas wekt op tot de strijd. Want het geloof is hem dierbaar. Hij verstaat zelf goed dat het niet zonder strijd kan. Judas was een broer van Jezus. Van Zijn broers wordt gezegd dat zij eerst ongelovig waren. Na de opstanding van Christus zijn zij tot geloof gekomen. Is het voor hem zelf een wonder van genade, zo wekt Judas de kerk op om voor het geloof te strijden. Er is een verwerpelijke strijd. De geschiedenis en praktijk van het kerkelijke leven laten zien dat er veel onheilige strijd is gevoerd: op wereldse wijze; meer om eigen eer dan om de zuivere leer; over bijkomstigheden, waartoe sommigen lust hebben om zichzelf te laten gelden.

Judas vermaant echter tot een heilige en noodzakelijke strijd. Om voor een onheilige strijd bewaard te worden moeten we deze oproep verstaan in het licht van vers 2. Daar is het de bede van Judas dat barmhartigheid, vrede en liefde vermenigvuldigd mogen worden. In dit kader strijden voor het geloof. Die strijd is niet in tegenspraak met de vrede Gods. Dit sluit wel uit dat het in deze strijd om een menselijke zaak zou gaan. Ook mogen we de strijd niet uit de weg gaan om der lieve vrede wil. Aan de strijd voor het geloof mag niets worden afgedaan. Want die strijd is tot welzijn van de kerk, tot heil van zielen van zondaren. Zo kunnen we de brief van Judas een strijdschrift noemen in het kader van de zielzorg.

Dat blijkt ook uit het woord: vermanen. Judas voelt de noodzaak om te vermanen. Vermaning - dat is een pastoraal woord. Nooit koud en hard bedoeld, om met opgeheven vinger te bestraffen. Het wordt met bewogenheid gebruikt. Er zit iets van troost in. Waaruit wordt troost geput? Uit het onderwijs van Gods Woord. Bij vermaning gaat het om lering. Door middel van de vermaning moet Gods Woord plaats krijgen in ons hart.

Daardoor moet Gods werk voortgang vinden in het leven van Zijn volk. Het deelwoord ‘vermanende’ wijst op een doorgaande zaak. In alles wat Judas in zijn brief naar voren brengt heeft hij vermanende, de bedoeling op te wekken om niet af te wijken van de waarheid in leer en leven, om het toebetrouwde pand van Gods Woord te bewaren. Dit kan niet zonder strijd. Vanwege de verleiders en bedriegers, mensen die de genade Gods veranderen en dwaalleer in de gemeente brengen, zal de weg van strijd nodig zijn om staande te blijven.

Het strijden wijst op inspanning. Te vergelijken met de inzet die men betoont voor een wedstrijd. Is de inspanning die de wereld voor de sport heeft voor ons soms niet beschamend? In het Grieks heeft het woord ‘strijden’ een voorvoegsel dat een versterking aangeeft. Het gaat om het strijden tot het uiterste, ten bloede toe strijden. Deze strijd mag geen bijzaak zijn. Het is karakteristiek voor het christen-zijn. In deze wereld bevindt de kerk des Heeren zich steeds in de crisis. Het gaat om waarheid of leugen.

Waarvoor moet gestreden worden? Voor een bepaalde opvatting? Dat kan soms nuttig zijn bij een uiteenzetting van geloofswaarheden. Voor bepaalde vormen? Die hebben hun waarde als het gaat om de stijl van het kerk-zijn. De ware strijd richt zich echter op het geloof, de kern van de zaak. Geloof wordt hier gebruikt in de zin van geloofswaarheid. We kunnen op verschillende manieren over ‘geloof’ spreken: het geloof van Christus als aanduiding van de leer, of: het geloof in Christus als geloofswerkzaamheid. Hier gaat het niet om de daad van geloven, maar om de geloofsinhoud. Dit omvat het hele heilswerk van Christus, zowel in verwerving als in toepassing. De gemeente wordt bedreigd door ketterij. Judas wijst op de dwaalleer als een vorm van concurrentie van de waarheid. Daarin wordt een karikatuur van het heil van Christus gemaakt. Het gevaar is groot dat men verleid wordt. Vandaar: strijden! Want het moet duidelijk worden: voor of tegen - er moeten beslissingen worden genomen. Als het gaat om waar of vals moet de grenslijn worden getrokken.

Deze roeping geldt ook ons. De kerk heeft in deze tijd de taak de waarheid te behouden. Strijdende weerstand bieden tegen dwalingen, omwille van de waarheid. Het gaat om het behoud van de kerk, het blijven bij het enige fundament hetgeen gelegd is door Christus. We staan ook in onze tijd op allerlei manieren in de crisis.

De dwaalleer van andere godsdiensten krijgt steeds meer invloed. Allerlei wind van leer treffen we aan in het kerkelijke leven. Oppervlakkig geloof noch krampachtige starheid zullen in staat zijn om de aanslagen tegen Gods Woord af te wenden. Strijdt! Dat is de houding die van ons gevraagd wordt. Willen we strijden voor het geloof en bereid zijn daarvoor offers te brengen, dan moet het geloof ons kostbaar zijn. Als we door Gods Geest zaligmakende kennis krijgen wordt de inhoud van Gods Woord ons van grote waarde. Door de verlichting van Gods Geest krijgen we kennis van God en Goddelijke zaken. De geloofswaarheid die vol is van Christus wordt ons dan als een verborgen schat, met blijdschap gevonden; als de parel van grote waarde, waarvoor we alles over hebben. Waar deze overtuiging ontbreekt zal de heilige strijd ook weinig worden gevonden. Daarom is bezieling door Gods Geest onmisbaar om strijder voor de waarheid te zijn. Zijn we door genade de waarheid Gods toegedaan? Hebben we de waarheid van Jezus Christus lief gekregen? Dat we persoonlijk door Gods Woord gegrepen zijn. Mogen delen in Zijn genadewerk. Op de weg der bekering geplaatst. Dan gaat het niet om onszelf, maar om de ere Gods. Van nature vechten we voor onszelf, voor eigen ik en eer, gedreven door lijfsbehoud en eerzucht. Dan maken we ons sterk in de onheilige strijd en staan we in vijandschap tegen God. We kunnen geen strijders voor het geloof zijn als we geen strijders in het geloof werden. Daarvoor is capitulatie nodig. Waar het God behaagt ons staande te houden. Want deze strijd begint nadat we ‘t verloren hebben. Weten we door genade wat dat is? Het van God verliezen: Gij zijt mij te sterk geworden. Zo wordt de ware strijder geboren. Anders is het een strijden voor dode rechtzinnigheid. De levende strijd is daar waar de genadeheer-schappij van Christus werkt. Een strijd tegen de zonde en ongeloof onder onze enige Heerser. Die strijd blijft in heel het leven van Gods kind. Daarin mogen ze ook niet verslappen/ Want Judas wijst op het volk Israel, vs. 5. Velen die wel uit Egypte verlost waren, heeft de HEERE toch verdorven. Want zij geloofden niet. Tijdens de woestijnreis zijn zij omgekomen. Zij konden niet ingaan vanwege hun ongeloof. Zij die niet wettig strijden zullen de zegen van het heil niet ontvangen. Daarom: strijdt de goede strijd des geloofs!

De geloofsinhoud waarvoor gestreden moet worden duidt Judas in vers 3 aan met: gemene zaligheid. Dat is het gemeenschappelijke heil waarin de gelovigen mogen delen. De algemene zaligheid omvat heel het verlossingswerk van Christus. Als Borg voor Zijn volk is Hij de weg van lijden en sterven gegaan. Hij heeft Zich plaatsbe-kledend onder Gods toorn gesteld. In die diepe weg heeft Christus de gerechtigheid verworven. Dat wordt het grote wonder voor een arm en ellendig volk in zichzelf. Zij bevinden een stroom van ongerechtigheden bij zich. Zij kunnen geen eigen gerechtigheid opbouwen om voor God te bestaan. De gemene zaligheid omvat een rijke Zaligmaker voor een arm zondaar. In het wonder van Gods ontferming wordt de mens op het diepst vernederd en God op het hoogst verheerlijkt. Wat is het in onze tijd nodig om dit soevereine Gods werk te accentueren. Dat is toch de vaste grondslag en de diepe inhoud van de gemene zaligheid. God werkt alle dingen naar de raad van Zijn wil. Laat ons er voor strijden dat dit het uitgangspunt mag zijn en blijven in leer, prediking en beleving. De zaligheid werkt God immers uit louter welbehagen. Dan zal recht gedaan worden aan de vijf bekende grondwaarheden waarvoor ook in de tijd van de Reformatie en de synode van Dordrecht is gestreden:

1. De totale verdorvenheid van de mens. De mens zondigt altijd. Hij kan en wil van nature niet anders. Genade geeft ons ware zelfkennis:

onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Hoe waar wordt dit bij ontdekkend licht! Hoe meer inleving van deze verdorvenheid, des te dieper wordt het besef dat het enkel genade is om gezaligd te worden. Wil een eerlijk gemaakte zondaar hiervoor niet strijden? Hij wil niets afdoen aan z’n totale afhankelijkheid!

2. De onvoorwaardelijke verkiezing. Het besluit van verkiezing en verwerping staat onder kritiek. Doch Gods Woord laat duidelijk zien: het komt voort van Gods eeuwig besluit. Zij die verloren gaan, laat God in hun boosheid naar Zijn rechtvaardig oordeel. Die verkoren zijn heeft God liefgehad met een eeuwige liefde. Geen hoedanigheid of werk van de mens kwam daarvoor in aanmerking. Stel u voor dat dit wel het geval zou zijn. Dan was het voor die totaal verdorven zondaar eeuwig een verloren zaak. Doch de oorzaak van de genadige verkiezing is alleen het welbehagen Gods. Er ligt geen voorwaarde in de mens. Christus spreekt: “Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.” De zaligheid ligt geheel in de handen van de Vader. Wat geeft dit een vastheid. Strijd voor de troost van dit geloof, zoals Christus Zijn discipelen heen leidde naar dat houvast: “Gij hebt Mij niet verkoren, maar Ik heb u uitverkoren.”

3. De beperkte verzoening. Helaas wint de gedachte dat Christus voor alle mensen gestorven zou zijn steeds meer terrein ook in onze gezindte. Hoevelen hangen niet de gedachte van de algemene verzoening aan? Moet het Evangelie dan niet aan allen gebracht worden? Hoezeer de belofte van het Evangelie zonder onderscheid verkondigd moet worden met bevel van bekering en geloof, dit neemt toch niet weg dat de verzoening en verlossing door de dood van Christus alleen door de uitverkorenen worden genoten. De leer dat Christus ook voor de zonden van de verworpenen betaald zou hebben, brengt een scheiding aan tussen wat Christus deed in de verwerving van de zaligheid en wat Hij doet in de toepassing van het heil. Bovendien wordt de verzoening in Christus verlaagd tot een artikel wat je naar behoeven kunt meenemen. Is het verzoenend sterven van Christus voor de zijnen het ons niet waard om voor te strijden? Want wie leert dat Jezus voor iedereen is gestorven spreekt uit dat Christus niet alleen Zijn bloed heeft gestort, maar ook verspild! Hij spreekt echter: Ik stel Mijn leven voor Mijn schapen. Zij alleen zullen delen in de zaligmakende kracht van de dierbare dood van de Zoon. Dit beperkt Zijn verzoening niet in kracht!

4. De onwederstandelijke genade. In de praktijk wordt deze zaak veel geloochend. Er wordt plaats gegeven aan de vrije wil van de mens. Hij wordt in staat geacht het goede te kunnen kiezen, zij het ten dele. Wat zou het hopeloos zijn als het van de mens zou afhangen, zowel bij de aanvang als in de voortgang van het genadewerk! En welk een wonder dat de Heere sterker is dan mijn onwil en onmacht. Ook op dit punt moet gestreden worden voor het geloof dat het van onverdiende gunst moet hebben. God grijpt krachtdadig in in het leven van de zondaar en vernieuwt metterdaad Zijn volk, zodat ze hun weerstand opgeven en gewillig gemaakt worden door Zijn werk.

5. De volharding der heiligen. Hoe troosteloos is de leer dat men na ontvangen genade toch nog verloren kan gaan. Wat voor houvast blijft er over? Altijd onzekerheid, ziende op de zonden. Het is een tekort doen aan de volkomenheid der genade. Daarom een geboden zaak om ook voor dit onderdeel van het ware geloof te strijden. Het volmaakte werk van Christus is ook hier in het geding. Hij geeft de Zijnen het eeuwige leven en niemand van hen zal verloren gaan.

In al deze zaken komt de soevereine genade van God zo heerlijk uit. De gelovigen mogen daarin steeds het wonder beleven van de gunst en de trouw van God Die alles werkt. Dit loopt uit op het Soli Deo gloria. Het is van levensbelang voor de kerk om hiervoor te strijden. Bijzonder in de toenadering die men vandaag zoekt tot stand te brengen tussen evangelischen en reformatorischen. Het erfgoed van de reformatie moge ons lief zijn, waard om te behouden en door te geven aan het volgende geslacht. Dit geldt ook voor eigen kerken waar deze noties niet meer tot hun recht komen en verschraling van het geestelijke leven optreedt. Of als het pleit gevoerd wordt voor een nieuw verstaan van de Bijbel waarbij een Schriftbenadering gehanteerd wordt die ruimte biedt aan opvattingen die niet passen binnen het klassiek gereformeerd belijden. Strijden - door te getuigen van de waarheid; door met gevouwen handen te bidden om het behoud van Gods werk; door uw overtuiging te belijden of om de Naam des Heeren te lijden.

Het raakt immers de gemene zaligheid! Allen die van Christus zijn delen in die vrije genade. Het gaat om het katholieke geloof van de kerk der eeuwen. Een Heere, een geloof, eenzelfde strijd. Judas spreekt van het geloof dat eenmaal de heiligen is overgeleverd. Het is het geloof der traditie. Zo heeft Paulus verkondigd wat hij door overlevering heeft ontvangen. Dat overgeleverde geloof gaat terug op God. Het komt uit betrouwbare Bron. Het is eenmaal overgeleverd, d.w.z. eens voorgoed. De geloofswaarheid is vast en volkomen. Het behoeft geen aanvulling. Het duldt geen wijziging. Niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is in Christus Jezus en Dien gekruisigd. In Hem is alles wat we nodig hebben tot zaligheid. Strijdt om dit te bewaren, door traditioneel te zijn. Niet ouderwets, maar bijbels-traditioneel. Om het overgeleverde geloof weer door te geven aan het jonge geslacht. Opdat zij naar de praktijk der Godzaligheid mogen weten hoe God een zondaar bekeert. Dat het leven der vrije genade verheerlijkt wordt in een weg van vernedering. Hoe de Heere plaats maakt voor Zichzelf. Wie God is tot zaligheid vooral de Zijnen.

Wie niet tot bekering komt of in dwalingen de genade Gods verandert en misbruikt voor het vlees, verloochent de Heere Jezus Christus. Judas noemt hen goddelozen. Niet in de zin van atheïsten. Ze deden zich voor als gelovigen, hadden een plaats in de gemeente, doch misten de ware Gods-vrees. Ze waren in de gemeente ingeslopen, maar behoorden wezenlijk niet bij de kerk des Heeren. Bent u bevreesd zo’n goddeloze te zijn? U weet van genade, maar leeft er niet naar. Ondanks gunstbewijzen toch zoveel zonde: ik ben een goddeloze in mezelf! In Zijn vrije genade kan God van een goddeloze een geliefde maken. Dat is het grote onderscheid. Judas mag de gelovigen met geliefden aanspreken. Ze zijn beminden Gods. Zondaren die in de eenzijdige liefde van Christus mogen delen. Welk een rijk wonder als de Heere zo Zijn zondaarsliefde verheerlijkt! Verkiezende, verlossende en vernieuwende liefde van een drie-enig God. Delend in deze eenzijdige liefde, krijgen we een innerlijke afkeer van de dwaling en begeren we te strijden voor het ware zaligmakende geloof dat ons is overgeleverd. En dat in de kracht van de Zaligmaker, Die machtig is voor struikelen te bewaren. Hem zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1997

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Strijden voor het geloof

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1997

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken