Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pasen en heiligmaking (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Pasen en heiligmaking (2)

7 minuten leestijd

Een vorige keer schreven we iets over het onlosmakelijk verband tussen rechtvaardigmaking en heiligmaking. Zoals Goede Vrijdag aan Pasen voorafgaat, zo zijn ook deze zaken voor het geestelijk leven aan elkaar verbonden en vloeit het een uit het ander voort. Ook Calvijn heeft hier grote nadruk op gelegd. In zijn Institutie, boek III, hoofdstuk 11 spreekt hij van de eerste genade: de rechtvaardigmaking; de tweede genade onmiddellijk daaraan verbonden: de heiligmaking.

Heiligmaking houdt verband met het woord en het begrip “heilig”. Dit woord heeft een dubbele inhoud. Het betekent: afgezonderd tot (positief) en afgezonderd van (negatief). Iets is naar Gods Woord heilig als het afgezonderd is van het alledaagse en afgestemd is tot het hoogste gebruik. Heilig wil dus zeggen: Gode toegewijd. In volstrekte zin is God alleen heilig. In tweede instantie is alles wat van God komt heilig. Daarom is Zijn wet en Zijn dag bijvoorbeeld heilig. Daarom is zelfs Zijn toorn heilig. In de derde plaats wordt heilig genoemd, wat de mens aan de Heere toewijdt en teruggeeft, nadat hij het eerst van Hem ontvangen heeft.

Heiligmaking wil daarom niet zeggen zondeloos of bijna zondeloos worden, maar je hart en je zinnen, ja, je hele levenswandel niet voor jezelf houden maar aan God wijden. Dit betekent ook je afwenden van de wereld en haar begeerlijkheden. Hierin is sprake van een passieve heiliging, een geheiligd worden en een actieve heiliging, een zich heiligen. Augustinus bad eens: “Heere, geef Gij mij wat Gij van mij eist, dan zal ik het U kunnen geven”. God heiligt in en door Zijn Zoon, zodat Zijn volk het verlangen uitspreekt: “laat ons onszelf reinigen van alle besmetting des vlezes en des gees-tes, voleindigende de heiligmaking in de vreze Gods” (11 Cor. 7:1 b).

Pasen en heiligmaking. Een vorige keer wezen we al op Paulus’ woorden aan de gemeente van Colosse. In hoofdstuk 3 wordt gewezen op het verband met Pasen. Wie waarlijk iets kent van Pasen, is met Christus opgewekt en zal zoeken de dingen, die boven zijn. Het zoeken van die dingen wordt afgezet tegenover de aardse dingen. Een vermaning die eigenlijk overbodig moest zijn. Maar zoals het toen al geen overbodige zaak was, zo is het ook nu geenszins overbodig.

De oude mens zoekt het altijd in het aardse. In de gemeente van Colosse betekende dat dat ze op allerlei schaduwachtige zaken uit het Oude Testament gingen teruggrijpen. Zo kan men toch weer een grond voor de zaligheid in zichzelf menen te vinden. Bovendien moesten ze voor een zondige levenswandel (hoererij, ontucht, geldzucht, ruzie, twist, tweedracht, laster, leugen en bedrog, vuile praat en kwade begeerten) gewaarschuwd worden. Daar tegenover moet in hun levenswandel gezien worden een zoeken van de dingen, die boven zijn. Nel zoals er in de wereld gezocht wordt naar geld, geluk, macht en rijkdom, omdat men daar belang bij heeft. Zo zal het leven van Gods volk gekenmerkt moeten worden door het zoeken naar de dingen, die boven zijn. Dat zal in hun levenswandel en houding tegenover anderen tot uiting moeten komen. Aan hun woorden en daden zal gemerkt moeten worden dat er uit een ander levensbeginsel wordt geleefd. Wat moeten we verstaan onder “de dingen, die boven zijn”? Dat blijkt uit het verband. Er wordt immers bij vermeld: “waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods.” Waar Christus is daar is de gunst des Vaders, daar is de heiligheid en de gerechtigheid, daar is de harmonie in Gods deugden, daar is de Wet en het Evangelie, daar is Hij als Voorspraak bij de Vader, daar is dan ook de vergeving der zonden, de uit-delging van de schuld, de gemeenschap met God. Daar zijn al de schatten, die we niet kunnen missen. Welnu, dat moet gezocht worden.

De apostel voegt er bovendien aan toe: “bedenkt de dingen, die boven zijn.” Bedenkt welk een God daar woont! Hoe daar opklinkt: “Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen”. Bedenk ook hoe goed het daar is. Welk een ontferming daar te vinden is. Welk een heil daar wacht. Dan zal ook bedacht worden hoe het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid die zal geopenbaard worden. Zullen daar tegenover ook niet verblinken al de schatten van deze wereld ? Zal dan niet gezien worden het povere van de genieting van de zonde? Moeten dan, juist als er de zuigkracht van de zonde is, de verleiding van het wereldse, de hang naar de ongerechtigheid en boze lusten, de dingen die boven zijn, bedacht worden? Als het woord “zoeken” wordt afgewisseld door “bedenken”, zou dat er niet op wijzen dat het zoeken te leven naar Gods Woord en Wet steeds gericht moet worden op en gecorrigeerd moet worden door het bedenken van de dingen die boven zijn? We zeggen dan ook wel eens dat het leven van Gods volk een stervend leven is. Zij moeten voortdurend sterven aan alles wat geen God en Christus is. Sterven aan de zonde en de wereld. Want zo gemakkelijk wordt vaak geciteerd: “Hoe kleeft mijn ziel aan ‘t stof’! Weinigen hoor ik echter ook het vervolg citeren: “Ai, zie mijn nood, herstel mij, doe mij naar Uw Woord herleven”!

Maar...de gelovige woont toch nog in het vlees? Ja, de bruid in Hooglied zegt: “ik ben zwart.” Had ze niet moeten zeggen: “ik was zwart”? Nee, een christen belijdt niet alleen dat hij zwart (vanwege de zonde) was maar ook dat hij zwart is. Paulus, die mocht weten dat niets hem kon scheiden van de liefde Gods in Christus, beleed: “ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde”. In Zondag 23 van de Heidelbergse Catechismus wordt beleden “dat ik nog steeds tot alle boosheid geneigd ben”. Zo moet ieder kind van God tot zijn droefheid erkennen dat hij van zichzelf zwart is en blijft. Van de zonde zal hij pas verlost zijn bij de aflegging des lichaams. Maar er is niet alleen de levensdrang van het vlees, of ook wel genoemd “de wet der zonde en des doods”, maar ook de werkzame macht van de Heilige Geest door Pasen. Dat wordt ook wel genoemd “de wet des Geestes des levens” (Rom. 7).

Zo wordt vanuit dat nieuwe levensbeginsel in de heiligmaking steeds weer gevraagd: “Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal”.

Zo vroeg ook de psalmdichter: “leer mij, o God van zaligheden, mijn leven in Uw dienst besteden”.

Steeds lezen we dan ook in Gods Woord hoe Gods volk wordt vermaand zich met ernst toe te leggen op heiligmaking. Van groot belang is ook daarbij dat “de Heilige Geest onze Heiligmaker is door Zijn woning in onze harten” (N.B.G. art. 9). Deze gedachte is bij bijvoorbeeld Kohl-brugge op de achtergrond geraakt. Hij wijst heel sterk alleen op het in Christus geheiligd zijn. Het koninklijk ambt van Christus, waardoor Hij de zijnen regeert door Zijn Woord en Geest, wordt dan onderbelicht.

Het was Da Costa, die daartegenover juist wees op hoe Christus in Zijn koninklijk ambt met eigen vinger (dat is door de Heilige Geest) de wet in het hart der Zijnen schrijft. Ja, daarom wordt ook de wet in het stuk der dankbaarheid, in de heiligmaking, zo nodig. Wordt dan niet gebeden:

“Gun door het geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid.” Het is in dat verband ook leerzaam om het slot van art. 24 van de Ned. Geloofsbelijdenis te lezen en te overdenken.

Zo zal de Geest der heiligmaking ons bewaren voor het farizeïsme en ons nooit verder brengen dan een arme zondaar, die ook in de heiligmaking steeds weer moet smeken: “O God, wees mij zondaar genadig”. Maar zo zal het in de weg der heiligmaking ook geleerd worden hoe Christus gestalte moet krijgen in het hart en leven van Zijn volk. Zijn voetstappen zullen gedrukt worden. De verdrukking, die Hij in het vooruitzicht stelde, zal werkelijkheid worden. Maar het nut van Zijn onderwijs zal ook ondervonden worden. Steeds zal hen voorgehouden worden om te zien op die overste Leidsman en Voleinder van het geloof. Zo wordt geleerd en beoefend:

“Niet ons, niet ons, Uw Naam alleen zij de eer”.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1997

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Pasen en heiligmaking (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1997

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken