Bekijk het origineel

Bittere klacht

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Bittere klacht

(Jeremia 8.18-23)

12 minuten leestijd

Jeremia, een priesterzoon uit het dorpje Amatoth, werd door de HEERE tot het profetenambt geroepen. Priester had Jeremia zomaar kunnen worden. Daarvoor was immers geboorte uit een priesterlijk geslacht voldoende.

Profeten werden echter uitdrukkelijk door de HEERE geroepen. Natuurlijk waren er profeten die zichzelf hadden opgedrongen. Dat was bij Jeremia zeker niet het geval. Uit zichzelf zou hij het ambt van profeet nooit hebben gezocht. Hij achtte zichzelf daartoe zelfs volkomen onbekwaam. Het heeft hem dan ook volledig overrompeld toen God hem riep tot profeet om Zijn Woord te verkondigen.

Hij probeerde er onderuit te komen, maar de HEERE heeft hem overreed. God beschikte met Zijn overmachtige stem zó over deze man, dat hij werd wat hij niet was.

Deze profetische roeping overheerste heel Jeremia’s verdere leven. Zonder aanzien des persoons moest hij aan hoog en laag de eis van Gods Woord voorhouden.

Door één hartstocht moest hij steeds gedreven worden: drager van Gods openbaring te zijn. Hij moest alléén spreken wat God hem opdroeg. Bovendien mocht hij niets van de boodschap achterhouden.

De scherpe kantjes mocht hij er niet van afsnijden. Ook vandaag bepaalt alleen de HEERE wat er in de prediking en in de kerk gezegd moet worden. Gods openbaring moet de dienaren van het Woord liever zijn dan hun persoonlijke wensen. Ook wensen van anderen doen niet ter zake. Het Woord van God alleen heeft het voor het zeggen! De lastbrief die Jeremia in handen gegeven was, was tegelijk zijn lijdensbeker. Hij zou er door als een eenzame komen te staan temidden van zijn volk, dat hij liefhad.

Wat Jeremia bijzonder heeft aangegrepen, is de ondergang, die hij zijn volk moest aankondigen. Hij heeft er onder geleden als geen ander. Door alles heen heeft de HEERE hem kracht gegeven en staande gehouden. Uit liefde tot God en zijn volk heeft hij de zonden van het volk scherp aan de kaak gesteld. De oproep tot bekering laat hij telkens weer horen. We lezen in Jeremia 3 vers 22a “Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen”. Hieruit blijkt duidelijk dat het volk naar het goeddunken van hun boze hart wandelde. De aard van het verbondsvolk wordt aangewezen. Afkerigheid! Het heeft tegen God gezondigd! En wat nog erger is.

De talloze roepstemmen werden in de wind geslagen. De genezing van de zondekwaal wordt niet begeerd.

Het volk laat God en Zijn profeet maar praten! Vandaar dat Jeremia steeds weer de oordelen van de Heere moest aankondigen. Dat smartte hem zeer. Hij leed eronder dat zijn volk de boodschap van God niet geloofde en daarom door de vijand uit het noorden, Nebukadnezar, geslagen zou worden.

In het gedeelte dat wij met elkaar gelezen hebben, uit de profeet in een bittere klacht zijn diepe smart over het verschrikkelijke lijden, dat zijn volk moet ondergaan. Hij voelt zich één met het volk. Het gaat dwars door hem heen en het schokt hem diep, dat hij zo’n schrikwekkende boodschap aan het volk moet brengen. Jeremia voelt zich een gebroken mens. Zowel geestelijk als lichamelijk lijdt hij aan de nood, welke het volk zal treffen. In de geest ziet hij reeds het gericht van God zich voltrekken. Jeruzalem zal verwoest worden. Het volk zal in ballingschap gevoerd worden. Jeremia hoort de jammerkreten die zijn volksgenoten in de komende onheilsdagen zullen uitstoten. Dat drukt hem in smart terneer. De langgerekte noodschreeuw van het volk beroert hem. Temeer, omdat in het gejammer van de ellendige de toon van de verootmoediging niet doorklinkt. De ootmoed ontbreekt.

Het volk vernedert zich niet voor de HEERE!

Is dat heden ten dage ook niet zo? Er worden genoeg wanhoopskreten vernomen, maar waar is de ware verbrijzeling van het hart? Wat zou het groot zijn als wij kerkmensen, elkaar ontmoeten in het stof. Dan zal er iets goeds van ons uitgaan. Dan zijn wij een voorbeeld voor het opgroeiende geslacht.

Jeremia, zo hoorden we, hoort ook wat het volk zal uitroepen: “Zie, de stem van het geschrei der dochter mijns volks is uit zeer verren lande. Is dan de HEERE niet te Sion; is haar koning niet bij haar?” (vs 19a). Op de heuvel Sion in Jeruzalem stond de tempel. Daar woont toch de HEERE temidden van Zijn volk! Hoort en ziet Hij dan niet meer? Waarom helpt Hij niet? Hij is toch de Koning van Israel! En een koning is er toch om zijn volk te verlossen? Wat is het vreselijk dat het volk eraan twijfelt of God, de Koning van Israel, nog wel bemoeienis houdt met Juda. Hoe dwaas is het te denken dat de oorzaak van de nood bij de HEERE ligt. Hoe halen we het in ons hoofd de HEERE de schuld te geven van onze nood en ellende. Wij zijn immers van het heilspoor afgegaan. Nee dan bedoelen we niet met name die mensen die niet zijn opgegroeid bij Gods Woord. Nee het gaat in de eerste plaats over ons als kerkmensen. Wij zullen straks jammeren en kermen, als wij niet wederkeren tot de HEERE. Is het niet verschrikkelijk dat de piramidespelen juist ook in onze kring nogal wat ingang gevonden hebben! Heeft dat met alles te maken met de voortgaande verwereldlijking van de gereformeerde gezindte? Het is ronduit schokkend dat er bij het piramidespel mensen onder zware druk worden gezet en dat er onder ons zijn die het spel toch niet verwerpelijk vinden! Hoewel predikanten menig kerklid gewaarschuwd hebben, wordt er nauwelijks naar geluisterd. Wie zou niet wenen? Elke dienaar des Woords die het goede voor zijn schapen zoekt, is diep bedroefd. En vooral ook dan, als we onszelf verontschuldigen en God aanklagen als het in ons leven niet naar wens gaat. Ziet u wel, dat we geen haartje beter zijn dan het volk ten tijde van Jeremia?

Laten we daarom scherp luisteren naar wat de HEERE Zelf zegt. Ja, want opeens, dwars door de klacht van de profeet die de vraag van het volk tot de zijne maakt, horen we de stem van God. “Waarom hebben zij Mij vertoornd met hun gesneden beelden, met de ijdelheden der vreemden?” (vs 19b). De HEERE is er (nog) wel! Maar het is niet vanzelfsprekend dat Hij helpt en redt. Waarom niet? Wel het volk heeft Hem verlaten. Het wil zich niet bekeren. Het keert Jeremia de nek toe. Het wendt zich af van de HEERE en Zijn knecht! Het ging verder op de weg des verderfs. Elk stopsignaal werd genegeerd. Het volk tergde de Heere door het maken en dienen van gesneden beelden. De Springader van levend water hebben zij verlaten om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden. Openbaart zich hier niet de verdorvenheid van het zondige mensenhart, dat afwijzend staat tegenover de levende God? Geen wonder dat de HEERE scherp en afwijzend reageert op de jammerende bevolking. Op de wanhopige vraag of de HEERE niet meer te Sion woont, geeft de HEERE antwoord. Dat komt er nu van als u vreemde góden vereert. Daarom die wegvoering in den vreemde. Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen. De afgoden kunnen in de nood niet helpen of redden. Beelden van hout en steen zijn machteloos. Daar komt het volk bedrogen mee uit.

Dit geldt nog steeds voor alle afgodendienst, ook al zijn de namen veranderd. In de nood stelt de afgodendienst, ook de verfijnde afgodendienst, diep teleur.

Het is net als een kinderhand die naar sigarenrook grijpt. Als het handje opengaat, zit er niets meer in. Afgoden zijn nietsen, omdat ze in werkelijkheid niets kunnen uitrichten. Toch zijn ze levensgevaarlijk, omdat de mens zich er door laat beheersen. Denk bijvoorbeeld aan het raadplegen van horoscopen. Ook in het openbaar wordt afgoderij bedreven. De publieke afgoderij neemt in onze tijd zelfs weer heidense vormen aan. Het bijgeloof moet de leegte opvullen, die ontstaat door het terugdringen van de zuivere godsdienst. Waar de ware God niet geëerd wordt, ontstaat altijd afgoderij.

Laten we ons dat door de HEERE nog gezeggen? Of stoppen we onze oren dicht als Hij tot ons spreekt? De HEERE is vertoornd over onze afgoderij. Wellicht hebben we het niet eens in de gaten dat de HEERE ons toespreekt. Zo was het bij de mensen in Juda. Ze zaten veel te veel met hun eigen moeilijkheden om goed naar God te luisteren. Ze vatten hun klachten gewoon weer op. Ze zeggen: “De oogst is voorbij gegaan, de zomer is ten einde; nog zijn wij niet verlost” (vs 20). Algemeen wordt dit als een oud spreekwoord onder Israel beschouwd. De boer ziet in het voorjaar uit naar een goede oogst. Aan het einde van de zomer is er echter nauwelijks wat te oogsten. Dan verplaatst hij zijn hoop van de zomer naar de herfst. Misschien dat de wijngaard nog iets zal opleveren. Helaas, ook de wijngaard geeft geen vrucht. Geen wonder dat de boer de moed verliest. Er is geen verwachting meer. Wel zo gaat het Juda onder de bezetting van de vijand. Er komt geen verlossing. De profeet Jeremia is er helemaal stuk van! Het is een ware profeet. Nee hij bepraat de nood niet. Hij lijdt er onder, eraan. En dat is een diep lijden, want zijn volk verstaat hem in dat lijden niet! Het volk beseft niet dat dit oordeel Gods hen overkomt vanwege hun zonden. Wat is het een zegen als er in de kerk dienaren Gods zijn die niet boven de anderen staan. Die voelen dat de schuld van kerk en volk ook hun schuld is. Zijn er onder ons nog voorbidders die wenen over hun en onze ongerechtigheden? Zo was het bij Jeremia. Hij zegt: “Ik ben gebroken vanwege de breuk der dochter mijns volks; ik ga in het zwart, ontzetting heeft mij aangegrepen” (vs 21). Om de wond van zijn volk, voelt de profeet zichzelf gewond. Hij gaat in de rouw als een dode.

Kennen wij als dienstknechten, als ambtsdragers, als kerkmensen iets van deze rouw? Dat we wenen over de zonden van kerk en wereld. Wat zou het groot zijn als we het niet kunnen nalaten om zowel in de binnenkamer alsook in het openbaar (Jeremia deed het tijdens zijn preek!) te wenen over de verschrikkelijke goddeloosheid.

Dat er bij ons allen dat hartelijke zuchten moge zijn of de Heere nog een wederkeer tot Hem wil geven. Wat zou het heerlijk zijn als er velen zich met een boetvaardig hart tot Hem zouden wenden. “Wat klaagt dan een levend mens, een ieder klage vanwege zijn zonden” (Klaagliederen 3:39). Als de Heilige Geest door het Woord ons eerlijk maakt en ontmaskert, verandert het zelfbeklag in zelfaanklacht. Dan leren we klagen, dat we zo gezondigd hebben. En wie die klacht leert, wordt ook bewogen met de nood van anderen.

Zijn wij er achter gekomen dat we in de nood zo vaak God aanklagen. Hem tergen, Hem de schuld geven van al die ellende waarin we terechtgekomen zijn? Is het niet Godonterend dat de reine God die goed is en goed doet, wordt beledigd en ter verantwoording geroepen wordt door een nietig mens? Ontdekkende genade leert dat de HEERE alle reden heeft om ons aan te klagen. Wij zijn van ‘t heilspoor afgegaan. Als dat ingeleefd wordt, vloeien er tranen vanwege al onze zonden en is er voorbede voor land en volk. Vooral ook voor de kerk waar alles zo jammerlijk verdeeld is.

De enige weg om uit de nood te komen is de Heere alles te zeggen wat er in uw hart is. Houd niets achter. “Stort uw hart uit voor het aangezicht des HEEREN als water” (Klaagliederen 2:19b). Dat is de weg waarin God uitkomst wil geven. Niet om uw gebed. Maar wel omdat Christus met sterke roeping en tranen Zichzelf geofferd heeft. Omdat Hij Zijn ziel heeft uitgestort in de dood en voor overtreders gebeden heeft. Daarom mag u en jij komen. Daarom is er ontferming voor een hulpeloze en radeloze.

Wat is het vreselijk als we deze Christus verachten. Als we hardnekkig weigeren naar Hem te luisteren. Dat verzet heeft Jezus beweend. Jezus weende over Jeruzalem. Hij kende diepe smart over het volk dat zich verhardde in de zonden. Ze wilden naar Hem, dé Zaligmaker, niet luisteren. “Gij hebt niet gewild”, zo klonk het uit Zijn mond. Wat is dat verschrikkelijk als Jezus met wijd uitgebreide armen het heil aanbiedt om dan Hem aan te klagen, Hem de schuld te geven van onze narigheid. Dan is er geen uitzicht. Tevergeefs zullen we om redding roepen als God opstaat om Zijn oordeel te voltrekken in ons leven. We zijn gewaarschuwd. Vele malen zijn we gewaarschuwd. O dat we leerden ons terstond te bekeren, voordat het te laat is. Haast u om uws levens wil. Want we zullen tevergeefs naar geneesmiddelen uitzien als we dé Heelmeester verachten. Er is geen kruid voor de zonde gewassen. Er komt een tijd dat de wond niet meer te gerezen is. Dat doet Jeremia uitroepen: “Is er geen balsem in Gile-ad? Is er geen heelmeester aldaar? Want waarom is de gezondheid der dochter mijns volks niet genezen?” Helaas zijn volk is niet gezond geworden. Wat erg! Hoe lang zal de Heere ons nog laten waarschuwen? We weten het niet. Daarom roepen we u allen op Zijn goedheid niet te verachten. Wendt u in uw dodelijke ziekte tot Hem die geneeskrachtige balsem heeft. De Heere wil nóg in Christus die balsem aan u schenken. Dan leert u zingen:

Looft Hem, Die u al wat gij hebt misdreven,

hoeveel het zij, genadig wil vergeven, uw krankheên kent en liefderijk geneest;

Die van ‘t verderf uw leven wil verschonen,

met goedheid en barmhartigheên u kronen.

Die in de nood uw redder is geweest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1997

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Bittere klacht

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1997

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken