Bekijk het origineel

Gods heerlijke deugden (7)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gods heerlijke deugden (7)

8 minuten leestijd

God te mogen kennen wordt het verlangen van allen die Zijn Naam ootmoedig vrezen. Hem te kennen is het ware léven te kennen. De Heere Jezus zegt: ‘En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt’, Joh. 17:3.

Kennis van God wordt verkregen door openbaring. God moet Zich openbaren - en Hij doet dit door Woord en Geest - wil een mens Hem leren kennen. Zo leert een mens dat Hij goed is; Hij is onveranderlijk; Hij is heilig, we hebben daar in de vorige artikelen iets over gezegd. Laten we nu eens nadenken over Gods geduld, Zijn verdraagzaamheid. De overdenking ervan moge strekken tot Gods eer en tot onderwijs van zondaren.

Gods geduld is oneindig groot. Ik zeg niet: eindeloos. Voor hen die in onbe-keerlijkheid voortleven, zal er eens een einde komen aan Gods geduld. Paulus schrijft: Dat God met vele lankmoedigheid de vaten des toorns verdragen heeft. Rom. 9:22.

God draagt in grote lankmoedigheid de zondaren; zij zullen evenwel het verderf niet ontkomen. In het verdragen van de goddelozen betoont God duidelijk dat Hij geen lust heeft in hun dood, zoals we in Ezechiël lezen. Ook Petrus wijst in 1 Petrus 3:20 op Gods geduld in de dagen van Noach. God schept geen genoegen in de ondergang van mensen. De duivel wél.

Als Gods lankmoedigheid zo groot is, dat deze wereld nu al zo’n 6000 jaar bestaat, deze gevallen, van God vervreemde wereld, hoe groot zal dan

Zijn toorn wel niet zijn, als Hij in gerechtigheid afrekening gaat houden? De zondvloed zij ons ter waarschuwing. De Heere, Wiens oren open zijn voor het geroep van ellendigen, zal eens geen acht meer slaan op het gekerm van de verlorenen. Vreselijk! Het feit dat de zonde, die al maar toeneemt in onze dagen, niet terstond op allerlei wijze gestraft wordt, wil dus niet zeggen dat God niet meer is, Die Hij was in de dagen van ouds, toen steden als Sodom en Gomorra in één ogenblik werden omgekeerd. God is nog Dezelfde gebleven. Velen zullen dat eenmaal tot hun eeuwige schrik bemerken! Maar het feit dat de straf uit blijft, laat ons wél Gods geduld en verdraagzaamheid zien. Leidde het ons al tot bekering? Van toepassing is, wat we lezen in Rom. 2:2 en volgende. “En wij weten, dat het oordeel Gods naar waarheid is, over degenen die zulke dingen doen. (De dingen genoemd in hoofdstuk I.) En denkt gij dit, o mens, die óórdeelt (en veroordeelt) degenen die zulke dingen doen, en dezelve (ook) doet (want we hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods), dat gij het oordeel zult ontvlieden? Of veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?” het oordeel toeft, opdat er bekering kome, wederkeer. Bracht Gods taai geduld ú al op de knieën?

Spotten we toch niet met Gods geduld. Het geduld van God is heel anders dan het geduld dat sommige ouders hebben met vervelende kinderen. De straf voor ondeugd blijft soms helemaal uit. Vader en moeder ‘vergeten’ het, vergoeilijken het, zeker als het kind eens een vlaag van gehoorzaamheid heeft. Dan vinden ze hun kind weer zo lief! Maar God vergeet niet! Zijn geduld betekent uitstel van het oordeel, maar géén afstel. Afstel van het oordeel is er alleen in de weg van bekering. Gods verdraagzaamheid moest ons dus op de knieën brengen om ontferming en vergeving. Gods lankmoedigheid mag ook wel een pleitgrond zijn om méér dan lankmoedigheid, namelijk Gods genade! Wat heeft een mens soms toch een harde gedachten van God. Hij ziet Gods verdraagzaamheid niet. Hij durft zich zelfs wel (soms heel vroom) af te vragen, of er voor hem wel genade bij de Heere is. Ziet hij dan niet dat hij een toonbeeld van Gods lankmoedigheid is? Beseft hij dan niet dat Gods geduld zo groot is, dat Hij hem al vele dagen gedragen en verdragen heeft? Verstaat hij dan niet dat God het hem op alle mogelijke manieren al poogt duidelijk te maken dat Hij geen lust heeft in zijn dood? Het is jammer dat een mens stekeblind is van nature, anders zou hij zulke mooie dingen zien! Anders zou hij zien dat, om Petrus maar weer eens aan te halen, “De lankmoedigheid Gods verwacht”, zie I Petrus 3:20. Wat wordt hier bedoeld? Het betekent dat God wacht. En dat God wacht, dat ziet men eenvoudig niet. De tijd van ‘wachten’ is de tijd van de evangelieverkondiging: Wendt u naar Mij toe en wordt behouden. Want u ligt verloren. Hoe groot is Gods verdraagzaamheid. God wacht, en wij leven maar zo rustig voort. In de zonde. Of op een vrome manier. Er zijn mensen, die zogenaamd wachten op God. Als ik uitverkoren ben, zal de Heere wel met me beginnen. Ze zien niet dat God op hén wacht. Vaak al jaren lang. Het zit echter niet op God vast. Maar op de onwil van de mens. Al ontdekt?

Deze deugd van God, door het natuurlijk oog niet ontdekt, wordt een bron van vreugd, als we onszelf een beetje leren kennen. God laat Zich in Zijn grote verdraagzaamheid en wonderlijk geduld kennen aan het zoekende hart. Wat wordt dat dan een rijke pleitgrond! Zij, die genade kennen moeten hen die zoeken maar veel bemoedigen, door hen te wijzen op Gods geduld en lankmoedigheid! Doet Paulus dat immers niet? Aan de jonge Timotheüs schrijft hij over de barmhartigheid aan hem geschiedt. “Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus

Christus in mij, die de voornaamste (der zondaren) ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een (bemoedigend) voorbeeld dergenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwigen leven”, 1 Tim. 1:16.

Met andere woorden: een kind van God wordt gunnend. Hij ziet op Gods verdraagzaamheid in zijn ‘eertijds’. Niet gezien, toen, in zijn blindheid, maar wél ontvangen! Hij mag ook zien op Gods verdraagzaamheid na zijn bekering. Als we meer en meer gaan zien wie een mens van zichzelf toch is en blijft, die oude mens, dan gaat men Gods lankmoedigheid bewonderen. Wat een oneindig wonder van genade, als een mens mag zien, dat hij een voorwerp van eeuwige liefde is! Die liefde heeft geen eind! Het was liefde, die mij verdroeg en droeg, in mijn eertijds. Het was Zijn liefde, waarom Hij mij trok uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht! Het was liefde, die mij de ogen opende en mij als een verloren mens aan de voeten van de Heere Jezus bracht! Het is liefde, waarmee ik geleid en bewaard wordt. Door Zijn eeuwige liefde kom ik eenmaal voor altijd thuis!

Gods geduld en verdraagzaamheid, waardoor Hij Zijn zon doet opgaan over bozen en goeden, en de milde regen zendt over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (zie Matth. 5:45), zal eenmaal tegen een mens getuigen, als hij niet tot bekering komt!

Laten we dit wél bedenken, maar Gods lankmoedigheid geve hen, die Hem zoeken, moed en hoop. Het make Gods kinderen gunnend. Het make ook hén verdraagzaam.

Gods verdraagzaamheid is één van Zijn mededeelbare eigenschappen. Het is een vrucht van de Geest. Een mens kan zo hard zijn in zijn oordeel over anderen. We kunnen ons zo boven anderen verheven voelen. Als een mens gaat zien wie hij zélf is, dan leert hij dat wel af. Een mens die iets van deze deugd van God heeft leren kennen door Woord en Geest, wordt verlost van hoogmoed en aangenaam in het oog van God en de mensen. O ja, we gaan de zonde veroordelen. Een geduldig en verdraagzaam mens vindt maar niet alles goed. We lezen in Openb. 2:2 zelfs dat Christus de gemeente van Epheze prijst, omdat zij de kwaden niet kon verdragen. Men kon geen gemeenschap oefenen met hen die in leer en leven van de waarheid afweken. Ook de ware deugd van lankmoedigheid in een mens kent zijn grenzen. Deze onverdraagzaamheid heeft niets te maken met persoonlijk gekrenkte gevoelens, maar alles met de eer van God, welke veracht wordt. Straks zullen de heiligen de wereld oordelen, zie 1 Kor. 6:2. Maar hij die iets van de wonderlijke eigenschap van Gods lankmoedigheid leert kennen, krijgt medelijden met zijn onbekeerde medereiziger. Hij krijgt medelijden met de wereld. Hij gaat iets warms en aangenaams uitstralen naar buiten toe. Ook de leden van het huisgezin Gods, de kinderen van God, gaan elkaar leren verdragen. Aan ieder mankeert wel wat. Hoe langer ik met de ander omga, des te beter leer ik hem kennen. En dan ontdek ik weldra dat ook Gods volk nog met van alles en nog wat behept is. Maar als het goed is, leer ik toch vooral mezelf meer en meer kennen. Ik krijg een walg aan mezelf en leer een ander uitnemender te achten dan mezelf. Door de liefde Gods, uitgestort in mijn hart, ga ik ook Gód lief krijgen; Hem bovenal en de naaste als mijzelf. En waar liefde woont, gebiedt de Heere Zijn zegen; daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen, en ‘t leven tot in eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1997

Bewaar het pand | 12 Pagina's

Gods heerlijke deugden (7)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1997

Bewaar het pand | 12 Pagina's

PDF Bekijken