Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

4 minuten leestijd

En er ontstond een verbittering, alzo dat zij van elkander gescheiden zijn

Soms (hoe dikwijls?) komt het voor dat er mensen zijn, die torenhoog opzien tegen ambtsdragers, en met name tegen dominees. Ze menen dat dat mensen zijn, die ver verheven zijn boven allerlei klein-menselijke zwakheden en zondigheden.

Maar dan gebeurt het nogal eens dat, wanneer men wat nauwer met die dominee in aanraking komt, men erachter komt dat het ook maar een “gewoon”, dat wil zeggen een zondig mensenkind is, van zichzelf tot hinken en tot zinken ieder ogenblik geneigd. Nu mag van een christen worden verwacht, dat hij “voorzichtig” wandelt. En dat geldt zeker van een ambtsdrager, die een voorbeeld voor de kudde dient te zijn! Maar er is geen enkele reden om een ambtsdrager op een voetstuk te plaatsen. Er is geen reden voor, het mag niet, en het is gevaarlijk. Ook ambtsdragers zijn “maar mensen”! De apostel Paulus was toch wel “een grote” in het koninkrijk Gods. Hij was ook een man, die naar menselijke maatstaf ver gevorderd was in het leven der heiligmaking. Hij mocht vrijmoedig getuigen dat hij was jagende naar de volmaaktheid. Maar hij was toch “ook maar een mens”!

In volstrekte eerlijkheid tekent Gods Woord ons evengoed de gebreken als de deugden van Gods kinderen. Ook Gods liefste kinderen worden niet gespaard, maar hun zonden worden onverbloemd aan de kaak gesteld.

In de tekst boven deze meditatie zien we Paulus en zijn medewerker Barnabas ruzie maken over een betrekkelijk onbelangrijke zaak. Het ging over Johannes Marcus, een neef (oomzegger) van Barnabas. Deze Johannes Marcus, ook wel Marcus genoemd, had Paulus en Barnabas vergezeld en geholpen op hun eerste zendingsreis tot op het eiland Cyprus. Maar toen ze zouden oversteken naar Klein-Azië, wilde Marcus niet verder met hen mee. Wellicht zag hij tegen verder werk op, of hij verlangde naar huis. Hoe het ook zij: Marcus keert terug naar Jeruzalem, en hij laat zo de andere twee in de steek. En nu staan Paulus en Barnabas op het punt om hun tweede zendingsreis te ondernemen. Ook Marcus is blijkbaar bereid om weer mee te gaan. En Barnabas vindt dat goed en nuttig. Maar Paulus niet! Hij is van mening dat Marcus, die hen toen in de steek had gelaten, nu niet meer mee kan en mag.

Volgens Paulus is Marcus onbetrouwbaar en valt er daarom niet op hem te rekenen. En nu slingeren Paulus en Barnabas elkaar scherpe verwijten naar het hoofd. Er ontstond een verbittering! Uit het woord “verbittering” valt op te maken dat er harde woorden zijn gevallen tussen de beide broeders. Het loopt tenslotte uit op een scheiding. Barnabas neemt zijn neef Marcus mee, en zij reizen af naar Cyprus. Paulus neemt Silas mee als medewerker en zij trekken samen naar Klein-Azië. En er ontstond een verbittering! Helaas herhaalt zich deze zonde nogal eens in de geschiedenis der kerk. Verbittering, verwijdering, scheiding. Verbittering: het berokkent schade aan het geestelijk leven, het doet afbreuk aan de zaak van Gods koninkrijk, het is tot oneer van God!

Verschil van mening, van inzicht en standpunten mag niet leiden tot verbittering. En toch, hoe licht gebeurt het, en hoe gemakkelijk staan wij er voor open. Gelukkig weten we dat Paulus en Barnabas zich later verzoend hebben. We mogen dat wel opmaken uit wat we lezen in 1 Corinthe 9:6, waar Paulus zichzelf en Barnabas op één lijn plaatst. En ook met Johannes Marcus is het weer in orde gekomen blijkens 2 Timotheüs 4:11, waar Paulus schrijft aan Timotheüs: Neem Marcus mede, en breng hem met u, want hij is mij zeer nut tot de dienst!

Maar het feit dat van Paulus en Barnabas en van al Gods dienstknechten en kinderen gezegd moet worden “het zijn ook maar mensen” is niet vergoeilijkend. Wel beschamend!

Het moge ons dringen om veel de gemeenschap te zoeken met Christus, die gezegd heeft: “Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben, en nederig van hart!” Het moge ons aansporen alle bitterheid te laten varen en verbroken verhoudingen te herstellen. Het moge ons vooral ook vervullen met verwondering over de genade van God, dat Hij zulke onwaardige mensen nog wil gebruiken in Zijn schone dienst.

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1997

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1997

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken