Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hanna’s Lofzang (7)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Hanna’s Lofzang (7)

10 minuten leestijd

Bewaring en ondergang

God is de Almachtige! We hoorden het aan het eind van vers 8: “want de grondvesten des aardrijks zijn des Heeren en Hij heeft de wereld daarop gezet”. Hij is de Schepper van hemel en aarde. Hij heeft héél de wereld in Zijn Hand en alle omstandigheden van de mensenkinderen. De mens ontvangt macht naar Gods beschikking. Nooit kan en mag hij denken: ik heb het zélf. Een mens is van nature wel zo. Dan meent hij er zelf over te kunnen beschikken. Hoe dwaas is het om het van onszelf te menen of het een ander toe te dichten. Terwijl ik schrijf is de president van Amerika in ons land. Clinton bezoekt Nederland ter gelegenheid van 50 jaar Marshall-hulp. Het roept de herinnering op aan een goede zaak. Wie weet van de ontreddering in economisch opzicht na de laatste wereldoorlog, zal met dankbaarheid terugdenken aan de financiële hulp, die toen vanuit de Verenigde Staten geboden is. Daarbij valt het op, dat in haast iedere krant over Clinton gesproken wordt als “de machtigste man van de wereld”. We moeten zeggen: wat betekent die macht? Het komt wel uit in de beveiliging die de president moet ontvangen! Macht voor een mens is betrekkelijk. Hoe is het niet gebleken in het leven van zoveel “machtigen” hier beneden: vandaag door velen toegejuicht en morgen door velen verguisd. God is de Enige, Wiens macht is én blijft. Zijn troon is onbewogen!

We beginnen met een terugblik naar de belijdenis van Gods Almacht. Er zijn verschillende exegeten, die dat woord niet aan het eind van het vorige gedeelte willen laten gelden maar aan het begin van het gedeelte van nu.

‘t Maakt niet uit. Zeker is het dat door die almacht Gods er troost is voor de rechtvaardigen en schrik voor de goddelozen! Almacht komt naar twee zijden uit: ten leven van die God vrezen én ten dode van die God verachten: “Hij zal de voeten van Zijn gunstgenoten bewaren; maar de goddelozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht. Die met de Heere twisten, die zullen verpletterd worden; Hij zal in de hemel over hen donderen...” (1 Samuël 2:9 en 10a)

Bewaarde gunstgenoten

Hanna’s Lofzang vertoont tegen het einde steeds meer het profetisch karakter. Nadat ze haar innerlijke vreugde heeft uitgezongen over wat God aan haar gedaan heeft en Wie Hij voor haar is, getuigt ze van de verwachting van wat Hij in de toekomst doen zal. Allereerst gaat het om Gods bijzondere zorg voor de Zijnen: “Hij zal de voeten van Zijn gunstgenoten bewaren”. Gods gunstgenoten! We vinden die aanduiding veel in de Psalmen. Wat dat betreft is het hier niet vreemd: deze lofzang is een Psalm! Het is de naam van: die God dienen en Hem vertrouwen. En vooral wordt hier de oorzaak genoemd: die ligt in Gods genade, in de gunst die Hij vanuit Zijn onwankelbaar Verbond heeft beloofd. Zij delen niet allereerst in de gunst van mensen, maar in de onverdiende, ontfermende gunst van God. Ze zijn Gods gunstgenoten, behoren Hém toe en zijn aan de zijde Gods door Zijn genade gesteld. “Hun voeten worden bewaard”. “Hun voeten” spreekt van de wegen die ze gaan. Onze voeten wandelen op een bepaalde weg. We zullen dan moeten denken aan de dingen van het leven, de levensomstandigheden. Ik meen, dat we daarbij ook moeten nemen: het gaan op een verkeerde, afwijkende weg of niet. De gedachte dat de voeten de weg kunnen gaan, die tot de ondergang leidt, is hier niet uitgesloten. Het wordt in de Psalmen veel gevonden: de mogelijkheid, dat onze voeten wankelen. Denk maar een Psalm 116: “Want Gij, Heere! hebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot”. Ligt daar niet achter: Als ik aan mezelf wordt overgegeven dan was het verkeerd gegaan, dan was ik gestruikeld.. Die zichzelf kent weet het ieder ogenblik ben ik er toe geneigd...

En nu: Gods bewarende genade! We zullen het verstaan dat het dan over Gods gunstgenoten gaat naar hun héle bestaan. Niet alleen hun voeten, maar ook hun hoofd en hart bewaart Hij. Hij zorgt dat zij beschermd worden tegen de gevaren. De vijanden zijn er op uit om hen om te doen komen. Het gelukt hen niet. De almachtige Bewaarder Israels denkt aan de Zijnen, let op hen en redt ze uit de benauwdheden. “De Engel des Heeren legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen en rukt hem uit”. Zij gevoelen dit niet altijd zo. Het kan wel eens lijken alsof de omstandigheden hen de baas zijn, dat er geen uitzicht is in de moeiten en strijd. Tóch., de Heere denkt in gunst aan hen, bewaart hen zelfs door de dood heen tot in het eeuwige leven.

Hij bewaart de voeten van Zijn gunstgenoten temidden van alle aanstoot en verleiding. De listen van de duivel zijn veel en gevaarlijk. De zwakheid van het vlees is groot. Vaak komen Gods kinderen terecht in de strikken van het ongeloof. Ze vrezen ook vaak om te komen temidden van alle omstandigheden. Hoe moeten ze beleiden dat er zo weinig een biddend en wakend leven is tegen al de verleidingen van de vorst der duisternis! Niettemin zingt Hanna hier van de almachtige bewaring Gods. Die Hij uit vrije genade de Zijnen in al hun zwakheid toezegt.

Calvijn, die - in zijn tijd en in zijn leven - zoveel met de meest moeitevolle omstandigheden te doen had, schrijft er zo levensecht over: “een lering voorzeker waard om nacht en dag te overdenken, anders zullen wij of geheel afgestompt en dom worden of door voortdurende weifelingen van gemoed bewogen, als wij er niet vast van overtuigd zijn, dat wij door God onder bescherming genomen zijn. Want wat zou anders, vraag ik u, van ons ellendigen worden? Welke de verwachting was er dan van de toekomstige zaligheid.. Er is maar één grond voor deze verwachting namelijk, in de gunst des Heeren; we zouden ook kunnen zeggen: in Christus Jezus. Van hun kant is niets te verwachten, dan zijn we prooi van alle tegenheden Met Asaf is het in eigen kracht: “maar mij aangaande, mijn voeten waren bijkans uitgeweken, mijn treden waren bijkans uitgeschoten”. Door Gods genade wórdt het in het licht Gods openbaring: “maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen...”. Dan wordt het oog des geloofs gericht op wat de Heere doet, ook in de bewaring van hun leven.

In duisternis omkomen

Tegenover de gunstgenoten Gods worden hier getekend: de goddelozen. We hebben hier te denken aan hen, die zich opstellen tegenover God, hun mond opendoen tegen de Allerhoogste, die Gods kinderen verdrukken en verachtelijk spreken over de Heere en Zijn dienst. Het valt op dat Hanna naar twee zijden spreekt. Zij durft ook de zondaars bij de naam te noemen en wat hen te wachten staat.

We moeten hier zeggen: in wezen zijn allen goddeloos, die buiten God leven, ook al is er een net leven aan de buitenkant. Het is nodig dat we onszelf ernstig onderzoeken of wij niet persoonlijk nog aan de verkeerde kant staan, terwijl wij misschien niet zo uitkomen voor anderen. Niettemin wijst het verband hier op de openbaring van de goddeloosheid.

Van die goddelozen wordt gezegd: “zij zullen zwijgen in de duisternis”. Het kan betekenen, dat ze zich stil moeten houden, verstommen. Die hun mond wijd open gehad hebben over Gods gunstgenoten hen hebben geplaagd en getergd, zullen in de ellende gestort worden. En in die ellende moeten zij zwijgen, ervaren dat die God, Die zij hebben veracht en verworpen, de levende God is.

Mogelijk is het, dat hier die uitdrukking meer op de gehéle ondergang van de goddelozen ziet, nl. dat ze eeuwig moeten omkomen in de buitenste duisternis. Zo wordt toch het eeuwig verderf in Gods Woord genoemd.

Al de kracht van de goddelozen zal dan blijken niets te betekenen. Zij kunnen er zichzelf in verblijden, in de kracht die ze - onder Gods toelating - openbaren. Anderen kunnen er op zien en voor vrezen. Maar nee, alle kracht van mensen is ijdelheid. “Een man vermag niet door zijn kracht”. In één ogenblik kan God het laten zien dat er van alle machtsvertoon niets terecht komt. Gelukkig ook, als Gods kinderen het leren in hun leven niet s te vermogen door eigen kracht om het alleen van de Heere verwachten.

Die met de Heere twisten...

Met diepe ernst wordt het oordeel onderstreept. De Heere is de heilige God, Die de zonden niet door de vingers ziet. Hij komt om de eer van Zijn Naam. Het betekent de algehele ondergang van de goddelozen. Zij “zullen verpletterd worden...”. Het gaat hier om de overwinning des Heeren over Zijn vijanden. Al hun glans en roem zullen in rook verdwijnen. Hij verbrijzelt hen. Ze worden terneer geslagen.

“Hij zal in de hemel over hen donderen”. De donder is de aankondiging van Gods gericht. We lezen er in het boek Openbaringen van. Horen we er niet de stem des Heeren in? Psalm 29: “de God der ere dondert...”. Zijn Majesteit en toorn openbaren zich erin. Hoe is het uitgekomen in de strijd tussen Israel en de Filistijnen. De Heere nam het voor Israel op bij Mizpa. “En de Heere donderde te dien dage met een grote donder over de Filistijnen, en Hij verschrikte hen, zodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israel”. De Heere gaf het óp de bekering van Israel en óp het gebed van Samuël! Zo zal Hij elk van de goddelozen doen schrikken en ver - doen. Let er nu vooral op hoe de goddelozen omschreven worden als “die met de Heere twisten”! Zij strijden tegen de Heere. Zij beschuldigen God. Hier komt de schuld openbaar. Het veronderstelt dat die God Zich geopenbaard heeft als de enige God, In Wie alles ligt. Hij is de Rotssteen des heils. Daar lopen de goddelozen tegenaan. Die Rotssteen verbrijzelt hen door eigen schuld.

Laten we onszelf onderzoeken! Wie zijn wij? Ongetwijfeld spreekt de lofzang hier allereerst van hen, die als twisters met de Heere in heel hun doen openbaar komen. Maar hoe is het met ons, zelfs als we niet in waarheid onder God buigen? Dan twisten we ook met de Heere. Wat groot, dat God de Almachtige is, die twisters met Hem door zijn woord onder Zijn recht en majesteit doet neervallen: “Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?”

Tot troost

Dit deel van Hanna’s lofzang is tot troost van Gods gunstgenoten. De Heere maakt het bekend dat Hij Zijn heilsraad uitvoert. Het betekent de genade-heerschappij over Zijn volk, maar ook het gericht over die de Heere wederstaan.

Ook dat laatste is tot troost. Niet zo, dat Gods gunstgenoten de ondergang van de goddelozen zoeken. Dat is hier niet in geding. Integendeel: het Woord van Israels God gaat nog uit tot vijanden: “Dient de Heere met vreze.. Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne en gij op de weg vergaat”. Het gaat hier om de zaak: de eer van Gods Naam en de genade-heerschappij Gods over Zijn volk. Wat kan het voor die God vrezen in alle tijden benauwd zijn. We citeren hier weer Calvijn. Hij wist, wat het betekende voor de Kerk en voor hemzelf, dat het scheen alsof de vijandschap triumpheerde. Hij schrijft dan: “Maar als Hij niet terstond tot het gericht voortvaart, maar met langzame tred voortvaart, laten wij dan vasthouden, dat zo ons geduld op de proef gesteld en geoefend wordt, opdat wij leren Hem geduldig te verwachten”. Het is het deel van Gods gunstgenoten!

Dit artikel werd u aangeboden door: Bewaar het Pand

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1997

Bewaar het pand | 8 Pagina's

Hanna’s Lofzang (7)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1997

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken