Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Avondmaalspraktijk in vraag en antwoord (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Avondmaalspraktijk in vraag en antwoord (2)

(Lambertus Myseras)

5 minuten leestijd

De zelfbeproeving voor het Avondmaal

Vraag:

Christus heeft met heerlijke bedoelingen het Avondmaal ingesteld. Wat zou het Avondmaal tot zegen zijn, als de gelovigen deze bedoelingen zouden kennen, geloven en overdenken. Maar integendeel! Meestal is de tijd van het Avondmaal een tijd van onrust. Hoe komt dat?

Antwoord:

Die onrust heeft vele oorzaken: onkunde, verkeerde voorstellingen van het Avondmaal zelf, de zelfbeproeving die eraan vooraf gaat, het gebruik en de nabetrachting. Bovendien zijn daar de vele listen en strikken van de duivel die hen bestrijdt.

Vraag:

Toon eens aan welke misvattingen er zijn omtrent de zelfbeproeving, die de oorzaak zijn van de onrust van vele gelovigen voor, tijdens en na het Avondmaal?

Antwoord:

Velen hebben verkeerde voorstellingen van de zelfbeproeving zoals die in het Formulier van het Avondmaal wordt beschreven en die in drie stukken bestaat:

1. Dat ik mijzelf vanwege mijn zonden mishaag, dus aan mijzelf ontdekt ben, volgens Jeremia 31:19. Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad.

2. Dat ik geloof en vertrouw, dat mij al mijn zonden om Christus’ wil vergeven zijn.

3. Of ik begeer om oprecht en godzalig voor God en in liefde tot mijn naaste leven.

Daarop antwoorden vele gelovigen: Dat ik een indruk van mijn zonden en verloren staat heb, dat kan ik niet ontkennen. Maar te geloven en te vertrouwen dat al mijn zonden om Christus’ wil vergeven zijn, dat is mij zo onmogelijk te geloven als met mijn hand de lucht aan te raken. Dus, zeggen zij, kan en mag ik niet aan het Avondmaal gaan en dat valt mij zwaar.

Vraag:

Welk antwoord zoudt u hen daarop geven?

Antwoord:

Omdat het eerste stuk van de zelfbeproeving, namelijk mijzelf vanwege mijn zonden te mishagen, een van de laagste trappen in de genade is en een oprecht verlangen om heilig en godzalig voor God en in liefde tot mijn naaste te leven ook een van de laagste trappen van de genade is, zijn dus die twee stukken te vinden bij alle ware gelovigen, al zijn ze nog zo klein in de genade. Maar te geloven en te vertrouwen dat mijn zonden om Christus’ wil vergeven zijn, dat is een van de hoogste trappen in de genade. Het zijn er maar weinigen die zover gekomen zijn.

En zo moeten dan al die zwakken, kleine en twijfelende gelovigen, die deze verzekering missen daarvoor stil staan. Zij veroordelen dan zichzelf en denken: ik kan niet vertrouwen, omdat zij niet beseffen dat dit de hoogste trap van het geloof is. Zij verstaan niet dat men het geloof kan bezitten, al is men niet verzekerd. Zij vergeten dat Christus van de kleinen in de genade gezegd heeft: zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen en zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden, Mattheus 5:3 en 6.

Vraag:

Wat zou u hen aanraden omtrent de zelfbeproeving aangaande het geloof?

Antwoord:

Ik zou hen aanraden zich eens af te vragen dat als zij niet kunnen vertrouwen met een verzekerd geloof, het niet beter is zichzelf eens te onderzoeken of men het geloof dan niet beoefent in een mindere mate.

Want daar is allereerst:

1. De begerende, dorstende daad van het geloof, om genade en de gerechtigheid van de Heere Jezus voor zichzelf te bezitten. Jesaja roept zulken toe: O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld of zonder prijs wijn en melk, 55:1. Zij zeggen dan met David in Psalm 63:2 “O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad.

Mijn ziel dorst naar U. Mijn vlees verlangt naar U, in een land dor en mat, zonder water”.

2. De toevluchtnemende daad van het geloof, zoals bij de tollenaar in Lukas 18:13 En de tollenaar van verre staande, wilde ook zelf zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: o God, wees mij zondaar genadig, het aankleven van het geloof zoals bij de Kananese vrouw: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner, Mattheus 15:25. Dan zich wenden tot de Heere Jezus, om door Hem behouden te worden: wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer, Jesaja 45:22.

3. Dat hoogachten van Christus en dat zuchten en bidden en verlangen om genade te verkrijgen, om de Heere Jezus te bezitten, omdat men zoveel heerlijkheid in Hem ziet. Want, u dan die gelooft is Hij dierbaar, 1 Petrus 2:7. Mocht dit alles velen tot nut zijn, die, terwijl ze het verzekerd geloof missen, hun klein, zwak en aanklevend geloof over het hoofd zien. De Heere geve dat zij van hun onrust verlost worden.

Hij geve dat aan velen die het zo nodig hebben om tot licht te komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1997

Bewaar het pand | 8 Pagina's

De Avondmaalspraktijk in vraag en antwoord (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1997

Bewaar het pand | 8 Pagina's

PDF Bekijken